ECLI:NL:HR:2025:506

ECLI:NL:HR:2025:506, Hoge Raad, 01-04-2025, 22/02031

Instantie Hoge Raad
Datum uitspraak 01-04-2025
Datum publicatie Onbekend
Zaaknummer 22/02031
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Cassatie
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:PHR:2025:74
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Verwijst naar 6 zaken
Aangehaald door 4 zaken
3 wettelijke verwijzingen

Verwijst naar

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0001854 BWBR0001903 BWBR0008804

Samenvatting

Mishandeling van zijn levensgezel, art. 304.1 jo. 300.1 Sr. Dubbel verstek. Hof heeft verdachte n-o verklaard in zijn hoger beroep, omdat het te laat is ingesteld, art. 408.1.c Sv. 1. Betekening dagvaarding in h.b., art. 36e.1.b.2 Sv. Had dagvaarding in h.b. moeten worden betekend op het door verdachte bij het instellen van h.b. opgegeven adres in akte instellen h.b. en schriftelijke bijzondere volmacht tot instellen h.b.? 2. Aanwezigheidsrecht, art. 36g.1.c Sv. Kon hof verstek verlenen tegen niet-verschenen verdachte? Ad 1. Als niet-gedetineerde verdachte niet staat ingeschreven in BRP maar van hem wel (feitelijke) woon- of verblijfplaats bekend is, moet uitreiking van dagvaarding o.g.v. art. 36e.1.b.2 Sv op dat adres plaatsvinden (vgl. HR:2002:AD5163). Onbekendheid met feitelijke woon- of verblijfplaats kan o.m. niet worden aangenomen als niet is geprobeerd uitreiking van dagvaarding te doen plaatsvinden op adres dat uit stukken blijkt, voor de hand ligt en redelijkerwijs als feitelijke woon- of verblijfplaats van verdachte zou kunnen gelden. Het kan dan bijvoorbeeld gaan om adres dat verdachte in akte van h.b. heeft doen opnemen. Dit adres moet niet door latere opgave zijn achterhaald (vgl. HR:2002:AD5163). Zo’n adres dat in akte van h.b. is opgenomen, kan als achterhaald worden aangemerkt, als het gaat om adres dat op moment dat die akte werd opgemaakt BRP-adres van verdachte betrof, terwijl daarna (maar voor moment van uitreiking van dagvaarding) verdachte is uitgeschreven uit BRP. A.g.v. die uitschrijving wordt dat adres niet langer aangemerkt als feitelijke woon- of verblijfplaats van verdachte (vgl. HR:2011:BR2079). Uit stukken blijkt dat verdachte in BRP stond ingeschreven op adres A van 2-12-2020 tot 22-11-2021. Met ingang van 22-11-2021 is hij in BRP geregistreerd als niet-ingezetene met vermelding “Vertrokken Onbekend Waarheen (VOW)”. V.zv. wordt aangevoerd dat ‘s hofs oordeel dat dagvaarding in h.b. geldig is betekend door uitreiking van dagvaarding aan medewerker OM, volgend op pogingen tot uitreiking van dagvaarding op adres B en verzending van afschrift van dagvaarding naar dat adres, niet zonder meer begrijpelijk is, is het terecht voorgesteld. Blijkens stukken is immers adres B in informatiestaat SKDB opgenomen met als registratiedatum 26-10-2020, terwijl (gelet op akte van h.b. van 9-8-2021 en daarbij gevoegde schriftelijke bijzondere volmacht van 29-7-2021 (nadien door verdachte ook adres A was opgegeven en redelijkerwijs als (feitelijke) woon- of verblijfplaats van verdachte kon gelden. Uit stukken blijkt niet dat tevens tot betekening aan adres A is overgegaan. Dit leidt echter niet tot cassatie. Uit stukken blijkt namelijk dat adres A dat is opgenomen in akte van h.b. van 9-8-2021 en daarbij gevoegde schriftelijke bijzondere volmacht van 29-7-2021, op die data BRP-adres van verdachte was en verder dat nadien (op 22-11-2021) adresvermelding in BRP is gewijzigd in “Vertrokken Onbekend Waarheen (VOW)”. Daaruit volgt dat adres A op data waarop telkens is getracht dagvaarding uit te reiken (11-2-2022, 17-2-2022 en 26-2-2022) en datum waarop is overgegaan tot uitreiking van dagvaarding aan medewerker OM (9-3-2022), als achterhaald kon worden aangemerkt. Er bestond op 11-2-2022, 17-2-2022 en 26-2-2022 en 9-3-2022 dus geen verplichting o.g.v. art. 36e.1.b.2 Sv om op adres A tot uitreiking van dagvaarding over te gaan of o.g.v. art. 36e.2.b Sv om afschrift van dagvaarding naar dat adres te verzenden. Hof heeft daarom kunnen oordelen dat betekening van dagvaarding in h.b. op juiste wijze heeft plaatsgevonden, wat er ook zij van motivering van dat oordeel. Ad 2. Voor toepassing van regeling van art. 36g Sv moet adres A dat is opgenomen in akte van h.b. en daarbij gevoegde schriftelijke volmacht, worden aangemerkt als opgave van adres a.b.i. art. 36g.1.c Sv, waaraan mededelingen over strafzaak kunnen worden toegezonden. Uit stukken kan niet blijken dat afschrift van dagvaarding in h.b. aan dit adres is gezonden, zodat ervan moet worden uitgegaan dat dit niet is gebeurd. Die stukken houden ook niets in waaruit kan volgen dat die verzending o.g.v. art. 36g.3 Sv achterwege kon blijven. Daarbij is van belang dat het door verdachte opgegeven adres op het moment van instellen van h.b. weliswaar zijn BRP-adres was maar aan dit adres is niet dagvaarding in h.b. uitgereikt. Verder moet worden aangenomen (o.g.v. de door gemeente opgenomen vermelding “Vertrokken Onbekend Waarheen (VOW)”) dat verdachte, nadat hij zijn BRP-adres op moment van instellen van h.b had opgegeven, dat adres niet zelf heeft gewijzigd of heeft doen wijzigen in BRP. Van geval a.b.i. art. 36g.3.a of 36g.3.c Sv is daarom niet sprake. Een en ander brengt met zich dat hof ervan blijk had moeten geven te hebben onderzocht of er reden was onderzoek ttz. te schorsen om verdachte in de gelegenheid te stellen alsnog bij onderzoek ttz. tegenwoordig te zijn. Van zo’n onderzoek blijkt niet (vgl. HR:2012:BX4736). Volgt vernietiging en terugwijzing.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

STRAFKAMER

Nummer 22/02031

Datum 1 april 2025

ARREST

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 1 april 2022, nummer 20-001948-21, in de strafzaak

tegen

[verdachte] ,

geboren in [geboorteplaats] (volgens opgave BRP: [geboorteplaats] ) op [geboortedatum] 1972,

hierna: de verdachte.

1. Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft G.W.L.A.M. Koppen, advocaat in Eindhoven, bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld.

De plaatsvervangend advocaat-generaal V.M.A. Sinnige heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot nietigverklaring van de dagvaarding in hoger beroep.

2. Beoordeling van het cassatiemiddel

Het cassatiemiddel klaagt over het oordeel van het hof dat de dagvaarding in hoger beroep geldig is betekend (uitgereikt) en over de beslissing van het hof tot het verlenen van verstek tegen de niet-verschenen verdachte.

Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep houdt onder meer in:

“De verdachte genaamd:

(...)

is, hoewel behoorlijk gedagvaard, niet verschenen.

De voorzitter stelt allereerst de ontvankelijkheid van het door de verdachte ingestelde hoger beroep aan de orde.

De voorzitter deelt mede:

Ik stel vast dat driemaal getracht is de dagvaarding te betekenen aan de [a-straat 1] te [plaats] , echter was daar niemand aanwezig of bereid de akte in ontvangst te nemen. Het achtergelaten afhaalbericht is niet binnen de gestelde termijn opgehaald. Dit betrof de laatst opgegeven woon- of verblijfplaats van de verdachte. De dagvaarding is vervolgens uitgereikt aan een medewerker van het Openbaar Ministerie en er is een afschrift naar dat adres gestuurd d.d. 9 maart 2022. Daarnaast is op 2 februari 2022 een akte aan een medewerker van het Openbaar Ministerie uitgereikt nu de verdachte niet beschikt over een BRP-adres. De betekening heeft op juiste wijze plaatsgevonden.

Op vordering van de advocaat-generaal verleent het gerechtshof verstek tegen de niet-verschenen verdachte en beveelt dat met de behandeling van de zaak zal worden voortgegaan.”

De volgende bepalingen zijn van belang:

- artikel 36e leden 1 en 2, aanhef en onder b, van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv):

“1. De uitreiking van de gerechtelijke mededeling, bedoeld in artikel 36b, tweede lid, geschiedt:

a. aan hem wie in Nederland in verband met de strafzaak waarop de uit te reiken gerechtelijke mededeling betrekking heeft rechtens zijn vrijheid is ontnomen en aan hem wie in Nederland in andere bij of krachtens algemene maatregel van bestuur bepaalde gevallen rechtens zijn vrijheid is ontnomen: in persoon;

b. aan alle anderen: in persoon of indien betekening in persoon niet is voorgeschreven en de mededeling in Nederland wordt aangeboden:

1°. aan het adres waar de geadresseerde als ingezetene is ingeschreven in de basisregistratie personen, dan wel,

2°. indien de geadresseerde niet als ingezetene is ingeschreven in de basisregistratie personen, aan de woon- of verblijfplaats van de geadresseerde.

2. Indien in het geval bedoeld in het eerste lid, onderdeel b,

(...)b. geen uitreiking heeft kunnen geschieden, wordt de gerechtelijke mededeling uitgereikt aan de autoriteit van welke zij is uitgegaan. Indien vervolgens blijkt dat de geadresseerde op de dag van aanbieding en ten minste vijf dagen nadien als ingezetene in de basisregistratie personen was ingeschreven op het in de mededeling vermelde adres, wordt alsdan een afschrift van de gerechtelijke mededeling onverwijld toegezonden aan dat adres, alsmede aan het adres in Nederland dat de verdachte heeft opgegeven waaraan mededelingen over de strafzaak kunnen worden toegezonden. In de in dit onderdeel bedoelde gevallen wordt een akte van uitreiking als bedoeld in artikel 36h opgemaakt. Op de akte wordt aantekening gedaan van deze uitreiking en, indien daarvan sprake is, van deze toezending.”

- artikel 36g leden 1, aanhef en onder c, en 3, aanhef en onder a en c, Sv:

“1. In de volgende gevallen wordt een afschrift van de dagvaarding of oproeping van de verdachte om op de terechtzitting of nadere terechtzitting te verschijnen toegezonden aan het laatste door de verdachte opgegeven adres:

(...)

c. indien door of namens de verdachte bij het instellen van een gewoon rechtsmiddel in de betrokken zaak een adres in Nederland is opgegeven waaraan mededelingen over de strafzaak kunnen worden toegezonden.

(...)

3. Verzending van een afschrift als bedoeld in het eerste lid kan achterwege blijven indien:

a. het opgegeven adres gelijk is aan het adres waaraan de dagvaarding of oproeping ingevolge artikel 36e wordt uitgereikt;

(...)

c. de geadresseerde nadat hij een adres als bedoeld in het eerste lid heeft opgegeven, het adres waar hij als ingezetene is ingeschreven in de basisregistratie personen wijzigt.”

Het cassatiemiddel klaagt in de eerste plaats over het oordeel van het hof dat de dagvaarding in hoger beroep geldig is betekend (uitgereikt).

Bij de beoordeling van deze klacht moet het volgende worden vooropgesteld. Als de niet-gedetineerde verdachte niet staat ingeschreven in de basisregistratie personen (BRP), maar van hem wel een (feitelijke) woon- of verblijfplaats bekend is, moet uitreiking van de dagvaarding op grond van artikel 36e lid 1, aanhef en onder b sub 2°, Sv op dat adres plaatsvinden (vgl. HR 13 maart 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD5163, rechtsoverweging 3.17).

Onbekendheid met een feitelijke woon- of verblijfplaats kan onder meer niet worden aangenomen als niet is geprobeerd de uitreiking van de dagvaarding te doen plaatsvinden op een adres dat uit de stukken blijkt, voor de hand ligt en redelijkerwijs als feitelijke woon- of verblijfplaats van de verdachte zou kunnen gelden. Het kan dan bijvoorbeeld gaan om het adres dat de verdachte in de akte van hoger beroep heeft doen opnemen. Dit adres moet niet door een latere opgave zijn achterhaald. (Vgl. HR 13 maart 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD5163, rechtsoverweging 3.24, onder b.)

Zo’n adres dat in de akte van hoger beroep is opgenomen, kan als achterhaald worden aangemerkt, als het gaat om een adres dat op het moment dat die akte werd opgemaakt het BRP-adres van de verdachte betrof, terwijl daarna – maar voor het moment van uitreiking van de dagvaarding – de verdachte is uitgeschreven uit de BRP. Als gevolg van die uitschrijving wordt dat adres niet langer aangemerkt als feitelijke woon- of verblijfplaats van de verdachte. (Vgl. HR 27 september 2011, ECLI:NL:HR:2011:BR2079, rechtsoverweging 2.4.)

Uit de stukken blijkt, naast wat al is weergegeven in de conclusie van de plaatsvervangend advocaat-generaal onder 6, dat de verdachte in de BRP stond ingeschreven op het adres [b-straat 1] in [geboorteplaats] van 2 december 2020 tot 22 november 2021. Met ingang van 22 november 2021 is hij in de BRP geregistreerd als niet-ingezetene met de vermelding “Vertrokken Onbekend Waarheen (VOW)”.

Voor zover de klacht aanvoert dat het oordeel van het hof dat de dagvaarding in hoger beroep geldig is betekend door de uitreiking van de dagvaarding aan een medewerker van het openbaar ministerie, volgend op de pogingen tot uitreiking van de dagvaarding op het adres [a-straat 1] in [plaats] , en de verzending van een afschrift van de dagvaarding naar dat adres, niet zonder meer begrijpelijk is, is het terecht voorgesteld. Blijkens de stukken is immers het adres [a-straat 1] in [plaats] in de informatiestaat SKDB opgenomen met als registratiedatum 26 oktober 2020, terwijl – gelet op de akte van hoger beroep van 9 augustus 2021 en de daarbij gevoegde schriftelijke bijzondere volmacht van 29 juli 2021 – nadien door de verdachte ook het adres [b-straat 1] in [geboorteplaats] was opgegeven en redelijkerwijs als (feitelijke) woon- of verblijfplaats van de verdachte kon gelden. Uit de stukken blijkt niet dat tevens tot betekening aan het adres [b-straat 1] in [geboorteplaats] is overgegaan.Dit leidt echter niet tot cassatie. Uit de in 2.6 bedoelde stukken blijkt namelijk dat het adres [b-straat 1] in [geboorteplaats] dat is opgenomen in de akte van hoger beroep van 9 augustus 2021 en de daarbij gevoegde schriftelijke bijzondere volmacht van 29 juli 2021, op die data het BRP-adres van de verdachte was, en verder dat nadien, te weten: op 22 november 2021, de adresvermelding in de BRP is gewijzigd in “Vertrokken Onbekend Waarheen (VOW)”. Daaruit volgt dat het adres [b-straat 1] in [geboorteplaats] op de data waarop telkens is getracht de dagvaarding uit te reiken (11, 17 en 26 februari 2022) en de datum waarop is overgegaan tot uitreiking van de dagvaarding aan een medewerker van het openbaar ministerie (9 maart 2022), als achterhaald kon worden aangemerkt. Er bestond op 11, 17 en 26 februari 2022 en 9 maart 2022 dus geen verplichting op grond van artikel 36e lid 1, aanhef en onder b sub 2°, Sv om op het adres [b-straat 1] in [geboorteplaats] tot uitreiking van de dagvaarding over te gaan, of op grond van artikel 36e lid 2, aanhef en onder b, Sv om een afschrift van de dagvaarding naar dat adres te verzenden. Het hof heeft daarom kunnen oordelen dat de betekening van de dagvaarding in hoger beroep op juiste wijze heeft plaatsgevonden, wat er ook zij van de motivering van dat oordeel.

De klacht faalt.

Het cassatiemiddel klaagt verder over de beslissing van het hof tot het verlenen van verstek tegen de niet-verschenen verdachte.

In deze zaak moet voor de toepassing van de regeling van artikel 36g Sv het adres [b-straat 1] in [geboorteplaats] dat is opgenomen in de akte van hoger beroep en de daarbij gevoegde schriftelijke volmacht, worden aangemerkt als de opgave van een adres in de zin van artikel 36g lid 1, aanhef en onder c, Sv, waaraan mededelingen over de strafzaak kunnen worden toegezonden. Uit de stukken kan niet blijken dat een afschrift van de dagvaarding in hoger beroep aan dit adres is gezonden, zodat ervan moet worden uitgegaan dat dit niet is gebeurd. Die stukken houden ook niets in waaruit kan volgen dat die verzending op grond van artikel 36g lid 3 Sv achterwege kon blijven. Daarbij is van belang dat het door de verdachte opgegeven adres op het moment van het instellen van het hoger beroep weliswaar zijn BRP-adres was, maar aan dit adres is niet de dagvaarding in hoger beroep uitgereikt. Verder moet worden aangenomen – op grond van de door de gemeente opgenomen vermelding “Vertrokken Onbekend Waarheen (VOW)” – dat de verdachte, nadat hij zijn BRP-adres op het moment van het instellen van hoger beroep had opgegeven, dat adres niet zelf heeft gewijzigd of heeft doen wijzigen in de BRP. Van een geval als bedoeld in artikel 36g lid 3, aanhef en onder a of c, Sv is daarom niet sprake. Een en ander brengt met zich dat het hof ervan blijk had moeten geven te hebben onderzocht of er reden was het onderzoek op de terechtzitting te schorsen om de verdachte in de gelegenheid te stellen alsnog bij het onderzoek op de terechtzitting tegenwoordig te zijn. Van zo’n onderzoek blijkt niet. (Vgl. HR 27 november 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX4736.)

Voor zover het cassatiemiddel hierover klaagt, slaagt het.

3. Beslissing

De Hoge Raad:

- vernietigt de uitspraak van het hof;

- wijst de zaak terug naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch, opdat de zaak opnieuw wordt berecht en afgedaan.

Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren C. Caminada en F. Posthumus, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 1 april 2025.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl NJB 2025/762 RvdW 2025/522
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?