ECLI:NL:HR:2025:535

ECLI:NL:HR:2025:535, Hoge Raad, 08-04-2025, 23/02314

Instantie Hoge Raad
Datum uitspraak 08-04-2025
Datum publicatie Onbekend
Zaaknummer 23/02314
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Cassatie
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:GHSHE:2023:1960
Formele relatie: ECLI:NL:PHR:2025:105
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Verwijst naar 25 zaken
Aangehaald door 2 zaken
11 wettelijke verwijzingen

Verwijst naar

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0001854 BWBR0001903 BWBR0002099 BWBR0004409 BWBR0006297 BWBR0008804 BWBR0009709 BWBR0010171 BWBR0015252 CELEX:32007R0864 EU:32007R0864

Samenvatting

Openlijke geweldpleging tegen 2 personen (A en B), art. 141.1 Sr. Omvang hoger beroep, art. 404.5 Sv. Kon hof oordelen dat tlgd. moet worden gezien als 1 feit, zodat gehele tll. aan oordeel van hof is onderworpen? Verdachte heeft tegen vonnis Rb (veroordeling t.z.v. openlijke geweldpleging tegen B, vrijspraak voor openlijke geweldpleging tegen A) onbeperkt h.b. ingesteld. Uit p-v van tz. in h.b. volgt dat raadsvrouw heeft aangevoerd dat h.b. van verdachte niet is gericht tegen vrijspraak in eerste aanleg van tlgd. m.b.t. A en dat in zoverre sprake is van “beschermde vrijspraak”. Middel berust op stelling dat sprake is van impliciet cumulatieve tll., waarin openlijk plegen van geweld tegen A en B is tlgd. en dat daardoor sprake is van “beschermde vrijspraak” van openlijke geweldpleging m.b.t. B. Daarmee wordt kennelijk bedoeld dat hof de verdachte o.g.v. art. 404.5 Sv in zoverre n-o had moeten verklaren in zijn h.b. Hof heeft geoordeeld dat tlgd. openlijke geweldpleging moet worden gezien als 1 feit en dat daarom gehele tll. van dit feit aan zijn oordeel was onderworpen. Hof heeft daarbij betrokken dat door strafbaarstelling in art. 141 Sr beschermd belang primair openbare orde is en dat in tll. 1 overtreding van art. 141 Sr is opgenomen ondanks daarin te onderscheiden geweldshandelingen. Dit oordeel geeft niet blijk van onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk, mede in aanmerking genomen dat hier gaat om strafbaarstelling die betrekking kan hebben op meervoud van gedragingen maar dat daaruit niet voortvloeit dat bewezenverklaring van zo’n meervoud van gedragingen ook leidt tot meervoudige kwalificatie van dat feit (vgl. HR:2017:1113). Volgt verwerping.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

STRAFKAMER

Nummer 23/02314

Datum 8 april 2025

ARREST

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 14 juni 2023, nummer 20-001461-22, in de strafzaak

tegen

[verdachte] ,

geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1999,

hierna: de verdachte.

1. Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft J.J.J. van Rijsbergen, advocaat in Breda, bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld.

De advocaat-generaal D.J.M.W. Paridaens heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

2. Beoordeling van het cassatiemiddel

Het cassatiemiddel klaagt over het oordeel van het hof dat het tenlastegelegde moet worden gezien als één feit en de gehele tenlastelegging daarom aan het oordeel van het hof is onderworpen.

Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:

“hij op of omstreeks 9 november 2021 te [plaats] , met een ander of anderen op of aan de openbare weg, [a-straat] , in elk geval op of aan een openbare weg, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] , welk geweld bestond uit:

- het (meerdere malen) slaan en/of stompen tegen/op/in het gezicht en/of tegen/op het hoofd, althans tegen het lichaam, van die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of

- het (meerdere malen) schoppen tegen het lichaam van die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] ;

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 9 november 2021 te [plaats] , tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, [slachtoffer 1] heeft mishandeld door

- (meerdere malen) te slaan en/of te stompen tegen/op/in het gezicht en/of tegen/op het hoofd, althans tegen het lichaam, van die [slachtoffer 1] en/of

- (meerdere malen) te schoppen tegen het lichaam van die [slachtoffer 1] .”

De rechtbank heeft daarvan bewezenverklaard dat de verdachte:

“op 9 november 2021 te [plaats] , met anderen, aan de openbare weg, [a-straat] , openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer 1] , welk geweld bestond uit

- het slaan tegen het gezicht en tegen het lichaam van die [slachtoffer 1] en

- het schoppen tegen het lichaam van die [slachtoffer 1] .”

De verdachte heeft tegen het vonnis van de rechtbank – onbeperkt, zoals blijkt uit de daarvan opgemaakte akte – hoger beroep ingesteld. Uit het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 31 mei 2023 volgt dat de raadsvrouw heeft aangevoerd dat het hoger beroep van de verdachte niet is gericht tegen de vrijspraak in eerste aanleg van het tenlastegelegde met betrekking tot [slachtoffer 2] en dat in zoverre sprake is van een “beschermde vrijspraak”.

Het bestreden arrest houdt onder meer in:

“Zoals hiervoor onder ‘Hoger beroep’ is vermeld is de verdachte vrijgesproken ter zake van het openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen, te weten tegen [slachtoffer 2] . Bij appelschriftuur d.d. 13 juli 2022 heeft de raadsvrouw van de verdachte te kennen gegeven dat het hoger beroep niet is gericht tegen de vrijspraak ten aanzien van het tenlastegelegde dat betrekking heeft op [slachtoffer 2] .

Het hof ziet zich gesteld voor de vraag of de vrijspraak ten aanzien van het tenlastegelegde dat betrekking heeft op [slachtoffer 2] een beschermde vrijspraak betreft. Het door de strafbaarstelling in artikel 141 van het Wetboek van Strafrecht beschermd belang is, zoals de naam van Titel V leert, primair de openbare orde. Dat daarmee ook enig recht op lichamelijke integriteit wordt beschermd doet daar niet aan af. Naar aanleiding hiervan is het hof van oordeel dat het tenlastegelegde dient te worden gezien als één feit en derhalve dat er geen sprake is van een beschermde vrijspraak. Gelet hierop is de gehele tenlastelegging aan het oordeel van het hof onderworpen.”

Het hof heeft ten laste van de verdachte bewezenverklaard dat:

“hij op 9 november 2021 te [plaats] , met anderen aan de openbare weg, [a-straat] , openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] , welk geweld bestond uit:

- het meerdere malen slaan tegen/in het gezicht, althans tegen het lichaam, van die [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] en

- het schoppen tegen het lichaam van die [slachtoffer 1] .”

De tenlastelegging is toegesneden op artikel 141 lid 1 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr), geplaatst in Titel V van Boek 2 (“Misdrijven tegen de openbare orde”). De bepaling luidt:

“Zij die openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen of goederen, worden gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren en zes maanden of geldboete van de vierde categorie.”

Artikel 404 leden 1 en 5 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) luidt:

“1. Tegen de vonnissen betreffende misdrijven, door de rechtbank als einduitspraak of in de loop van het onderzoek ter terechtzitting gegeven, staat hoger beroep open voor de officier van justitie bij het gerecht dat het vonnis heeft gewezen, en voor de verdachte die niet van de gehele telastlegging is vrijgesproken.5. Zijn in eerste aanleg strafbare feiten gevoegd aan het oordeel van de rechtbank onderworpen, dan kan de verdachte alleen hoger beroep instellen van die gevoegde zaken waarin hij niet van de gehele telastlegging is vrijgesproken.”

Het cassatiemiddel berust op de stelling dat sprake is van een impliciet cumulatieve tenlastelegging, waarin het openlijk plegen van geweld tegen [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] is tenlastegelegd en dat daardoor sprake is van een “beschermde vrijspraak” van de openlijke geweldpleging met betrekking tot [slachtoffer 2] . Daarmee wordt kennelijk bedoeld dat het hof de verdachte op grond van artikel 404 lid 5 Sv in zoverre niet-ontvankelijk had moeten verklaren in zijn hoger beroep.

Het hof heeft geoordeeld dat de tenlastegelegde openlijke geweldpleging moet worden gezien als één feit, en dat daarom de gehele tenlastelegging van dit feit aan zijn oordeel was onderworpen. Het hof heeft daarbij betrokken dat het door de strafbaarstelling in artikel 141 Sr beschermde belang primair de openbare orde is en dat in de tenlastelegging één overtreding van artikel 141 Sr is opgenomen ondanks de daarin te onderscheiden geweldshandelingen. Dit oordeel geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk, mede in aanmerking genomen dat het hier gaat om een strafbaarstelling die betrekking kan hebben op een meervoud van gedragingen, maar dat daaruit niet voortvloeit dat bewezenverklaring van zo’n meervoud van gedragingen ook leidt tot meervoudige kwalificatie van dat feit (vgl. HR 20 juni 2017, ECLI:NL:HR:2017:1113, rechtsoverweging 2.4).

Het cassatiemiddel faalt.

3. Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren A.E.M. Röttgering en T.B. Trotman, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 8 april 2025.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl SR-Updates.nl 2025-0134 NJB 2025/812 NJ 2025/124 RvdW 2025/558
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?