ECLI:NL:HR:2025:635

ECLI:NL:HR:2025:635, Hoge Raad, 22-04-2025, 23/01671

Instantie Hoge Raad
Datum uitspraak 22-04-2025
Datum publicatie Onbekend
Zaaknummer 23/01671
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Cassatie
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:PHR:2025:367
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Verwijst naar 12 zaken
Aangehaald door 1 zaken
4 wettelijke verwijzingen

Verwijst naar

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0001830 BWBR0001854 BWBR0001903 BWBR0028251

Samenvatting

Caribische zaak. Poging tot doodslag (art. 300 Sr BES), voorhanden hebben van vuurwapen en munitie (art. 3.1 Vuurwapenwet BES) en vernieling van auto (art. 366.1 Sr BES) op Bonaire. Vrijspraak in eerste aanleg. Bewijsklachten. Redengevendheid bewijsmiddelen, innerlijke tegenstrijdigheid b.m., verweer dat getuigenverklaringen onbetrouwbaar zijn, bewijsminimum, art. 385.3 BES (unus testis), en bevindingen die niet door verbalisant zelf zijn waargenomen. HR: Om redenen vermeld in CAG leiden middelen niet tot cassatie. CAG: Kern van b.m. is dat verdachte iets heeft geroepen en op aangever, die op dat moment net uit zijn auto was gestapt, heeft geschoten, hetgeen wordt ondersteund door de in auto van aangever aangetroffen kogelinslag die er voor incident nog niet zat. Wat verdachte precies heeft gezegd en hoe vaak hij daarbij heeft geschoten, is voor bewezenverklaring van ondergeschikte betekenis. Hof heeft grote waarde gehecht aan direct na schietincident afgelegde verklaringen en alleen deze verklaringen voor bewijs gebruikt. Ook heeft hof overwogen dat verklaringen van aangever en getuigen grotendeels en op belangrijke punten consistent zijn en dezelfde situatie beschrijven. Wat betreft herkenning van verdachte door getuigen heeft hof overwogen dat beiden verdachte goed kennen en hem hebben herkend aan zijn stem, postuur en manier van lopen. Gelet hierop heeft hof voldoende gerespondeerd op betrouwbaarheidsverweer dat namens verdachte is gevoerd. Volgt verwerping.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

STRAFKAMER

Nummer 23/01671 C

Datum 22 april 2025

ARREST

op het beroep in cassatie tegen een vonnis van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba van 13 april 2023, nummer H 192/21, in de strafzaak

tegen

[verdachte] ,

geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1995,

hierna: de verdachte.

1. Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft de advocaat J.Y. Taekema bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.

De advocaat-generaal D.J.M.W. Paridaens heeft geconcludeerd tot vernietiging van de uitspraak van het Hof, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf, tot vermindering daarvan naar de gebruikelijke maatstaf en tot verwerping van het beroep voor het overige.

De raadsman van de verdachte heeft daarop schriftelijk gereageerd.

2. Beoordeling van het eerste en het tweede cassatiemiddel

De cassatiemiddelen klagen over de bewezenverklaring van de onder 3, 4 en 5 tenlastegelegde feiten – kort gezegd – poging tot doodslag, het voorhanden hebben van een vuurwapen en munitie en vernieling van een auto.

De cassatiemiddelen leiden niet tot cassatie. De redenen daarvoor staan vermeld in de conclusie van de advocaat-generaal onder 2.4 tot en met 2.13.

3. Beoordeling van het derde cassatiemiddel

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).

4. Beoordeling van het vierde cassatiemiddel

Het cassatiemiddel klaagt dat in de cassatiefase de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) is overschreden omdat de stukken te laat door het hof zijn ingezonden.

Het cassatiemiddel is gegrond. Bovendien doet de Hoge Raad in deze zaak waarin de verdachte zich in voorlopige hechtenis bevindt, uitspraak nadat meer dan zestien maanden zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Een en ander brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf van acht jaren.

5. Beslissing

De Hoge Raad:

- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf;

- vermindert deze in die zin dat deze zeven jaren en zes maanden beloopt;

- verwerpt het beroep voor het overige.

Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren A.L.J. van Strien en M. Kuijer, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 22 april 2025.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl RvdW 2025/622
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?