HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CIVIELE KAMER
Nummer 24/01383
Datum 25 april 2025
ARREST
In de zaak van
1. [Beheer] B.V.,
gevestigd te [plaats],
2. [Holding] B.V.,
gevestigd te [plaats],
3. [eiseres 3] B.V.,
gevestigd te [plaats],
EISERESSEN tot cassatie,
hierna gezamenlijk: [eiseressen],
advocaat: J.H.M. van Swaaij,
tegen
ABN AMRO BANK N.V.,
gevestigd te Amsterdam,
VERWEERSTER in cassatie,
hierna: ABN AMRO,
advocaat: F.E. Vermeulen.
1. Procesverloop
Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar:
a. de vonnissen in de zaak C/13/670363 / HA ZA 19-850 van de rechtbank Amsterdam van 15 juli 2020 en 23 december 2020;
b. het arrest in de zaak 200.290.831/01 van het gerechtshof Amsterdam van 9 januari 2024.
[eiseressen] hebben tegen het arrest van het hof beroep in cassatie ingesteld.
ABN AMRO heeft een verweerschrift tot verwerping ingediend.
De zaak is voor ABN AMRO toegelicht door haar advocaat en door P.B. Fritschy en T.A. van Polanen.
De conclusie van de plaatsvervangend Procureur-Generaal M.H. Wissink strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
De advocaat van [eiseressen] heeft schriftelijk op die conclusie gereageerd.
2. Beoordeling van het middel
De Hoge Raad heeft de klachten over het arrest van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van dat arrest. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).
3. Beslissing
De Hoge Raad:
- verwerpt het beroep;
- veroordeelt [eiseressen] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van ABN AMRO begroot op € 8.206, -- aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris.
Dit arrest is gewezen door de vicepresident M.J. Kroeze als voorzitter en de raadsheren S.J. Schaafsma en F.R. Salomons, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer A.E.B. ter Heide op 25 april 2025.