HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CIVIELE KAMER
Nummer 24/02140
Datum 16 mei 2025
ARREST
In de zaak van
[verzoekster] en 619 anderen als vermeld op de bijlage bij de akte van hoger beroep,
gekozen woonplaats in [woonplaats],
VERZOEKERS tot cassatie,
hierna: [verzoekers],
advocaat: K. Aantjes,
tegen
SEAPORT DEVELOPMENT N.V.,
gevestigd te Oranjestad West, Aruba,
VERWEERSTER in cassatie,
hierna: Seaport,
advocaten: J.W.H. van Wijk en J.B.B. Heinen.
1. Procesverloop
Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar:
a. het vonnis in de zaak AUA202201097 van het Gerecht in eerste aanleg van Aruba van 25 mei 2022;
b. het vonnis in de zaak AUA202201097 - AUA2022H00144 van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba van 9 april 2024.
[verzoekers] hebben tegen het vonnis van het hof beroep in cassatie ingesteld.
Seaport heeft een verweerschrift tot verwerping ingediend.
De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten.
De conclusie van de Advocaat-Generaal R.H. de Bock strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
2. Beoordeling van het middel
De Hoge Raad heeft de klachten over het vonnis van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van dat vonnis. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).
3. Beslissing
De Hoge Raad:
- verwerpt het beroep;
- veroordeelt [verzoekers] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van Seaport begroot op € 361,-- aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris, vermeerderd met de wettelijke rente over deze kosten indien [verzoekers] deze niet binnen veertien dagen na heden hebben voldaan.
Dit arrest is gewezen door de vicepresident M.J. Kroeze als voorzitter en de raadsheren H.M. Wattendorff en G.C. Makkink, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer A.E.B. ter Heide op 16 mei 2025.