HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 21/04018
Datum 3 juni 2025
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 17 september 2021, nummer 21-005117-19, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1970,
hierna: de verdachte.
1. Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft de advocaat R. Zilver bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.
De advocaat-generaal P.M. Frielink heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak en terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.
2. Beoordeling van het vijfde cassatiemiddel
Het cassatiemiddel klaagt dat de verdachte niet het recht is gelaten het laatst te spreken.
Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep houdt onder meer in:
“De advocaat-generaal voert het woord, leest de vordering voor en legt die aan het hof over.
De raadsman voert het woord tot verdediging overeenkomstig zijn pleitnota, welke aan het hof is overgelegd en aan dit proces-verbaal is gehecht.
Aan de verdachte wordt het recht gelaten het laatst te spreken. De verdachte verklaart:
Het is ruim vijf jaar heel akelig voor ons en ons gezin geweest. We hebben van het begin af aan naar oplossingen gezocht zodat we door kunnen gaan. Nu willen we de zaak afsluiten.
In repliek antwoordt de advocaat-generaal:
Uit het pleidooi zou je kunnen afleiden dat het verdachte is die een groot onrecht is aangedaan. Als er een controle door de belastingdienst gedaan is en daar rijst een vermoeden van strafbare feiten uit, dan wordt die controle niet voortgezet. De beleidsregels van de belastingdienst schrijven dan voor dat er niet wordt onderhandeld met de belastingplichtige.
Verdachte heeft feitelijk leiding gegeven. Belastingaangifte is een normale activiteit binnen een B.V. Die aangifte is opzettelijk onjuist gedaan. Als je zegt dat je dan je verantwoordelijkheid neemt, moet je dat ook doen. Verdachte zegt dat te doen, maar blijft naar anderen wijzen. Misschien vindt verdachte boekhouden niet leuk, maar hij was daar wel verantwoordelijk voor.
In dupliek antwoordt de raadsman:
Verdachte wil aangeven dat hij verkeerd is voorgelicht, niet zijn straatje schoonvegen. Hij heeft LTS als hoogst genoten opleiding. Hij heeft echt te weinig kennis op het gebied van administratie. Zeker met betrekking tot de BTW verlegd. Kennelijk is hij de enige begunstigde, kennelijk was er een verkeerde rekening-courantverhouding, maar op dat moment had hij daar geen wetenschap van. We willen geen vingerwijzen, maar [betrokkene 1] is wel naar Oostenrijk gevlucht. Mijn cliënt neemt wel degelijk verantwoordelijkheid, maar hoeft die niet ook in strafrechtelijke zin helemaal op zich te nemen.
De voorzitter verklaart het onderzoek gesloten en deelt mede, dat volgens de beslissing van het gerechtshof de uitspraak zal plaatsvinden ter terechtzitting van 17 september 2021 te 14:00 uur.”
Uit het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep blijkt niet dat – nadat aan de verdachte het recht was gelaten het laatst te spreken, de advocaat-generaal daarna had gerepliceerd en de raadsman vervolgens had gedupliceerd – aan de verdachte opnieuw het recht is gelaten het laatst te spreken. Daarom moet het ervoor worden gehouden dat het voorschrift dat in artikel 311 lid 4 van het Wetboek van Strafvordering op straffe van nietigheid is gegeven, niet in acht is genomen.
Het cassatiemiddel slaagt.
3. Beoordeling van de overige cassatiemiddelen
Gelet op de beslissing die hierna volgt, is bespreking van het eerste tot en met het vierde cassatiemiddel en het zesde cassatiemiddel niet nodig.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de beslissingen over het onder 1 tenlastegelegde;
- wijst de zaak terug naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, opdat de zaak ten aanzien daarvan opnieuw wordt berecht en afgedaan;
- verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren Y. Buruma en T.B. Trotman, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 3 juni 2025.