HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer 25/01384
Datum 23 januari 2026
ARREST
op het door [A], ingestelde beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam van 4 maart 2025, nr. 23/697.
1. Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep in cassatie
De griffier van de Hoge Raad heeft [A] bij aangetekende brief van 14 augustus 2025 gewezen op de verschuldigdheid van griffierecht en voor de betaling daarvan een termijn van vier weken gesteld. Deze brief is volgens de gegevens van Track&Trace van PostNL afgeleverd op het in de basisregistratie personen geregistreerde adres van [A]. Het griffierecht is niet voldaan.
De griffier van de Hoge Raad heeft [A] bij aangetekende brief van 18 september 2025 in de gelegenheid gesteld mee te delen waarom het griffierecht niet is betaald. Deze brief is volgens de gegevens van Track&Trace van PostNL afgeleverd op het hiervoor bedoelde adres van [A]. Van deze gelegenheid is geen gebruik gemaakt. Het beroep in cassatie moet daarom op grond van artikel 8:41, lid 6, Awb niet-ontvankelijk worden verklaard.
2. Proceskosten
De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
3. Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie niet-ontvankelijk.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J.A.R. van Eijsden als voorzitter, en de raadsheren A.E.H. van der Voort Maarschalk en W.A.P. van Roij, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier J.A.J. Lafleur, en in het openbaar uitgesproken op 23 januari 2026.