HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer 25/00129
Datum 10 juli 2026
ARREST
in de zaak van
[X] (hierna: belanghebbende)
tegen
de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof 's-Hertogenbosch van 18 december 2024, nrs. 22/2285 tot en met 22/2291, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant (nrs. BRE 18/6587 tot en met BRE 18/6591, BRE 18/6593 en BRE 18/6594) betreffende ten aanzien van belanghebbende gegeven informatiebeschikkingen.
1. Geding in cassatie
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staatssecretaris, vertegenwoordigd door [P], heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.
De Advocaat-Generaal R.J. Koopman heeft op 12 december 2025 geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep in cassatie.
Belanghebbende heeft schriftelijk op de conclusie gereageerd.
2. Uitgangspunten in cassatie
Belanghebbende en haar partner woonden tot eind september 2013 in Nederland. Vanaf 1 september 2013 hebben zij een woning gehuurd op Jersey. Op 14 oktober 2013 hebben zij zich met hun twee kinderen uitgeschreven in Nederland en zich ingeschreven in Jersey.
De Inspecteur heeft aan belanghebbende met een beroep op artikel 47 AWR informatie gevraagd met het oog op de heffing van inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) voor de jaren 2008 tot en met 2014. Aangezien belanghebbende de gevraagde informatie niet volledig had verstrekt, heeft de Inspecteur met dagtekening 20 november 2016 aan belanghebbende informatiebeschikkingen voor die jaren gegeven.
Daarna, op 14 maart 2017, heeft de Inspecteur op grond van artikel 4 van het Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Staten van Jersey inzake de uitwisseling van informatie betreffende belastingzaken (de Tax Information Exchange Agreement; hierna: de TIEA) bij de bevoegde autoriteiten van Jersey informatie opgevraagd over belanghebbende, haar partner en een vennootschap waarvan zij en haar partner tezamen enig aandeelhouder zijn.
De Inspecteur heeft op 19 juni 2020 en 20 oktober 2020 navorderingsaanslagen in de IB/PVV over de jaren 2008, 2009, 2011 en 2012 aan belanghebbende opgelegd.
3. De oordelen van het Hof
Het Hof heeft geoordeeld dat belanghebbende terecht niet-ontvankelijk is verklaard in haar beroep betreffende de informatiebeschikkingen voor de jaren 2008, 2009, 2011 en 2012, omdat het belang daarbij is ontvallen als gevolg van de over die jaren opgelegde navorderingsaanslagen.
Het Hof heeft verder geoordeeld dat de informatiebeschikkingen voor de jaren 2010, 2013 en 2014 terecht zijn gegeven. Daartoe heeft het Hof onder meer geoordeeld dat artikel 47 AWR niet territoriaal is begrensd, zodat het de Inspecteur in beginsel was toegestaan aan belanghebbende de informatiebeschikkingen te geven.
Naar aanleiding van het betoog van belanghebbende dat de informatiebeschikkingen zijn gegeven in strijd met de TIEA, heeft het Hof beoordeeld of artikel 4, lid 1, van de TIEA in een geval als dit, waarin de belanghebbende stelt buiten Nederland woonachtig te zijn, de inspecteur verplicht om de gevraagde inlichtingen bij uitsluiting via die bepaling in de TIEA te verzoeken, of dat het de inspecteur ook is toegestaan om zich rechtstreeks tot de belanghebbende te wenden om die informatie te verkrijgen. Het Hof heeft naar aanleiding daarvan geoordeeld dat het de inspecteur in beginsel vrij staat om bij de belanghebbende informatie op te vragen die hij ook langs andere weg kan verkrijgen. De goede verdragstrouw staat daaraan volgens het Hof niet in de weg. Dit is anders indien het handelen van de inspecteur in strijd komt met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, maar daarvan is in dit geval niet gebleken. De informatiebeschikkingen zijn daarom niet in strijd met de TIEA gegeven, aldus het Hof.
4. Beoordeling van de middelen
De middelen komen onder meer op tegen de hiervoor in 3.2 en 3.3 bedoelde oordelen van het Hof.
In zoverre falen de middelen. Het Hof heeft terecht geoordeeld dat de in artikel 47 AWR neergelegde bevoegdheid van de Inspecteur om informatie die voor de belastingheffing van belang zou kunnen zijn op te vragen, niet territoriaal is begrensd. Verder heeft het Hof terecht geoordeeld dat artikel 4 van de TIEA niet meebrengt dat de Inspecteur de door hem gewenste informatie eerst had moeten opvragen bij de autoriteiten van Jersey alvorens van zijn bevoegdheden op grond van artikel 47 AWR gebruik te maken om die informatie te verkrijgen. Terecht is het Hof ervan uitgegaan dat er geen op territorialiteit gebaseerd beginsel bestaat dat zich hiertegen verzet.
De Hoge Raad heeft ook de overige klachten over de uitspraak van het Hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat ook deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie).
5. Proceskosten
De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
6. Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J.A.R. van Eijsden als voorzitter, en de raadsheren M.W.C. Feteris en A.E.H. van der Voort Maarschalk, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier J.A.J. Lafleur, en in het openbaar uitgesproken op 10 juli 2026.