HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 24/02735
Datum 3 februari 2026
ARREST
op de beroepen in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag van 3 juli 2024, nummer 22-003077-21, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1986,
hierna: de verdachte.
1. Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door het openbaar ministerie. Het heeft bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.
De verdachte heeft op grond van artikel 433 lid 2 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) incidenteel beroep ingesteld. Namens hem heeft de advocaat W.B. Lisi bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld.
De advocaat-generaal P.H.P.H.M.C. van Kempen heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf en de beslissing tot onttrekking aan het verkeer van de inbeslaggenomen voorwerpen, tot vermindering van de gevangenisstraf naar de gebruikelijke maatstaf, tot terugwijzing van de zaak naar het hof Den Haag, opdat de zaak wat betreft de genoemde inbeslaggenomen voorwerpen opnieuw wordt berecht en afgedaan en tot verwerping van het beroep voor het overige.
De raadsman van de verdachte heeft daarop schriftelijk gereageerd. De Hoge Raad kan geen acht slaan op de door de verdachte opgestelde bijlage daarbij omdat in zoverre niet sprake is van een van een advocaat afkomstig schriftelijk commentaar als bedoeld in artikel 439 lid 5 Sv.
Verder zijn andere documenten ingekomen die afkomstig zijn van de verdachte. De Hoge Raad kan geen acht slaan op deze geschriften, omdat die niet een van een advocaat afkomstige schriftuur als bedoeld in artikel 437 lid 2 Sv of schriftelijke toelichting of tegenspraak als bedoeld in artikel 438 lid 2, aanhef en onder a, Sv betreffen.
2. Beoordeling van het cassatiemiddel dat namens de verdachte is voorgesteld
De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).
3. Beoordeling van het eerste cassatiemiddel dat namens het openbaar ministerie is voorgesteld
Het cassatiemiddel klaagt dat het hof de effectuering van de onttrekking aan het verkeer van gegevensdragers afhankelijk heeft gesteld van een voorwaarde, die inhoudt dat aan de verdachte bestanden worden verstrekt die zich bevinden op onder de verdachte inbeslaggenomen gegevensdragers.
Het hof heeft de verdachte veroordeeld voor onder meer, kort gezegd, het maken van een gewoonte van het vervaardigen, het bezit en het verspreiden van ‘kinderporno’ en voor ontucht met zijn destijds minderjarige nichtje [slachtoffer] . Het hof heeft de onttrekking aan het verkeer opgelegd van gegevensdragers die onder de verdachte zijn inbeslaggenomen.
Het hof heeft over de onttrekking aan het verkeer en over het verzoek van de verdachte tot verstrekking van een kopie van bestanden die op de gegevensdragers zijn opgeslagen, overwogen:
“Beslag
Ter zitting in hoger beroep heeft de verdachte een aantal verzoeken tot teruggave van in beslag genomen voorwerpen gedaan. Het betreft de volgende verzoeken.
1.
Verzocht wordt allereerst om teruggave van de gegevensdragers met de volgende beslagcodes: HO005.01.01.001, HO005.02.03.004, HO005.05.01.005, HO005.07.02.001.001 en H005.07.03.001 (het hof begrijpt: HO005.07.03.001). Met deze beslagcodes verwijst de verdachte naar de codes zoals genoemd op dossier pagina B01-1006. In A02-7-17 worden deze codes ook genoemd, tezamen met de beslagnummers van de beslaglijst.
Deze gegevensdragers bevatten geen strafbaar materiaal maar wel foto's en video's van zijn ouders, vakantie- en familiefoto's en van andere aspecten van verdachtes leven. Naar zijn zeggen heeft de verdachte wel degelijk steeds geprobeerd het strafbare materiaal gescheiden te houden van het niet-strafbare materiaal. Al is hij er niet altijd in geslaagd deze scheiding toe te passen, ten aanzien van deze gegevensdragers is dat wel het geval. De verdachte verwijst daarbij naar pagina B01-1002/1003 waar de verbalisant met betrekking tot deze foto's vermeldt: "Ik zag dat dit afbeeldingen zijn die in een normale en natuurlijke setting zijn gemaakt, waaronder op vakantie of in de huiselijke sfeer."
Overwegingen van het hof:
Het hof stelt voorop dat, indien op een gegevensdrager strafbare gegevens/afbeeldingen zijn opgeslagen, het uitgangspunt is dat deze gegevensdrager als geheel aan het verkeer zal moeten worden onttrokken nu het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet.
Ten aanzien van de in zijn verzoek bedoelde gegevensdragers betoogt de verdachte gemotiveerd dat hij in beginsel strafbaar materiaal niet gemengd met niet strafbaar materiaal heeft opgeslagen. Hij betoogt voorts dat de vijf bedoelde gegevensdragers géén strafbaar materiaal bevatten.
Proces-verbaal LERDE20004-510 (dossier pagina B01-998-1004) bevat een beschrijving van het kinderpornografisch materiaal. Op pagina's 1002/1003 wordt ook een beschrijving gegeven van het materiaal waarvan is vastgesteld dat dit geen kinderpornografische afbeeldingen bevat. Uit dit proces-verbaal leidt het hof af dat deze vijf gegevensdragers geen strafbaar materiaal bevatten. Het hof zal daarom beslissen dat de (niet-strafbare) afbeeldingen en gegevens van deze vijf gegevensdragers aan de verdachte worden teruggegeven doordat de politie die afbeeldingen en gegevens kopieert naar door de verdachte aan te leveren nieuwe gegevensdragers. Nu de gegevens/afbeeldingen uitsluitend behoeven te worden gekopieerd, en niet geselecteerd, legt dit geen disproportioneel beslag op de capaciteit van de politie.
2.
Ten tweede verzoekt de verdachte om teruggave van de niet als pornografisch aan te merken foto's van aangeefster en ander niet strafbaar materiaal op de gegevensdrager met beslagcode HO05.01.01.002 (het hof begrijpt: HO005.01.01.002).
Volgens de verdachte staan op deze gegevensdrager slechts 7 strafbare afbeeldingen (hetgeen zou blijken uit dossier pagina B02-178). De rest bestaat uit werk gerelateerde documenten en e-mails van de verdachte, zijn huwelijksakte en andere persoonlijke documenten. Verzoeker vraagt om deze 7 strafbare afbeeldingen van de gegevensdrager te wissen, en de gegevensdrager vervolgens terug te geven, dan wel de niet-strafbare afbeeldingen naar een, door verdachte aan te leveren nieuwe gegevensdrager te kopiëren en de niet-strafbare afbeeldingen aldus terug te geven.
Overwegingen van het hof:
Het hof constateert allereerst dat, zoals de verdachte ook toegeeft, de verdachte het ertoe heeft geleid dat op deze gegevensdrager zowel strafbare als niet-strafbare afbeeldingen vermengd zijn geraakt. Uitgangspunt is dan dat de afbeeldingen de gegevensdrager ‘volgen’. Dat wil zeggen dat met de in beslagname van de gegevensdrager ook alle daarop aanwezige gegevens/afbeeldingen in beslag worden genomen. Indien op de gegevensdrager zowel strafbaar als niet-strafbaar materiaal staat, dan is in beginsel een grond aanwezig voor onttrekking van de gegevensdrager, inclusief alle, dus ook de niet strafbare, daarop voorkomende afbeeldingen/gegevens. Het Nederlandse Wetboek van Strafvordering geeft de verdachte niet de mogelijkheid om teruggave van specifieke (bestanden met) gegevens te vragen.
De verdachte doet een gemotiveerd en specifiek verzoek om, gelet op zijn persoonlijke ‘family life’ belangen, het niet strafbare materiaal terug te geven.
Gelet op de recente ontwikkelingen in de jurisprudentie van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) met betrekking tot schending van artikel 8 EVRM (zie voor een uitgebreid overzicht daarvan ECLI:NL:GHDHA:2019:391) en op het gegeven dat in het bij de Tweede Kamer aanhangig gemaakte wetsvoorstel Modernisering van het Wetboek van Strafvordering, naast het bestaande beslag op voorwerpen ook een beslag op gegevens wordt geïntroduceerd, is het hof van oordeel dat de verdachte de mogelijkheid moet hebben om een zo goed mogelijk gespecificeerd verzoek tot teruggave van gegevens/afbeeldingen te doen.
Vervolgens dient een belangenafweging te worden gemaakt tussen het strafvorderlijk en maatschappelijk belang van onttrekking aan het verkeer en het persoonlijke (privacy) belang van de verdachte.
Genoemd proces-verbaal LERDE20004-510 (dossier pagina B01-998-1004) kent een bijlage 3 dat (op pagina B01-1013) vermeldt dat gegevensdrager HO005.01.01.002 inderdaad slechts 7 strafbare afbeeldingen bevat, die in de betreffende kolom als “carved” worden aangemerkt. Uit het proces-verbaal volgt voorts dat met “carved” wordt bedoeld dat het afbeeldingen zijn die niet zonder specialistische forensische software zichtbaar kunnen worden gemaakt. Uit het feit dat de politie heeft geconcludeerd dat deze 7 afbeeldingen strafbaar materiaal bevatten, concludeert het hof dat de politie beschikt over dergelijke specialistische, forensische software.
Het hof gaat er vanuit dat, al dan niet met dergelijke software, de overige niet-strafbare afbeeldingen op een nieuwe, door de verdachte aan te leveren, gegevensdrager kunnen worden gezet.
Het hof gaat er voorts vanuit dat een dergelijke exercitie de politie niet een disproportionele hoeveelheid tijd kost, temeer nu de politie die 7 afbeeldingen al heeft getraceerd.
De niet-strafbare afbeeldingen betreffen familiefoto's, vakantiefoto's, werk gerelateerde documenten en andere afbeeldingen van delen van het persoonlijk leven van de verdachte. Deze hebben voor de verdachte een grote emotionele waarde, temeer nu hij niet beschikt over kopieën van die afbeeldingen.
Het hof zal dan ook gelasten dat de niet-strafbare gegevens/afbeeldingen op deze gegevensdrager aan de verdachte zullen worden teruggegeven door deze niet strafbare gegevens/afbeeldingen te kopiëren naar een door de verdachte aan te leveren nieuwe gegevensdrager.
3.
Ten derde verzoekt de verdachte teruggave van zijn telefoon Samsung S9+ (HO005.05.05.001) waarop in de “Camera”-map duizenden foto's uit 2020 staan van, onder andere, zijn kat, de zomervakantie met zijn zus [betrokkene 1] en neef [betrokkene 2] , en van zijn – inmiddels overleden – moeder.
Overwegingen van het hof:
Uit bijlage 3 bij proces-verbaal LERDE20004-510 (dossier pagina B01-1013) volgt dat op deze telefoon 159 kinderpornografische foto's en 16 kinderpornografische filmpjes zijn aangetroffen. Van teruggave van de telefoon kan derhalve geen sprake zijn. De verdachte verzoekt echter specifiek om de foto's uit 2020 die vele aspecten van zijn familieleven bevatten. Het hof is dan ook van oordeel dat het persoonlijk belang van de verdachte bij teruggave van deze foto's zwaarder weegt dan het maatschappelijk belang bij onttrekking aan het verkeer van deze foto's.
Daarom zal het hof bepalen dat de op deze telefoon in de “Camera”-map aanwezige niet-strafbare afbeeldingen uit 2020 aan de verdachte worden teruggegeven door deze niet strafbare afbeeldingen uit 2020 te kopiëren naar een door de verdachte aan te leveren nieuwe gegevensdrager. Gelet op de beperking van het aantal foto's tot het jaar 2020 levert dit geen disproportioneel beslag op van de capaciteit van de politie.
Deze gegevensdrager komt niet voor op de beslaglijst, maar wordt wel genoemd op de Lijst van onderzochte gegevensdragers (als bijlage aan dit arrest gehecht) (dossier pagina B01-1006) en in het Relaas beslagdossier A02 (dossier pagina A02-11). Het beslagnummer luidt: 627844; de omschrijving luidt: telefoon Samsung Galaxy S9+ RF8K42HLEXW.
4.
Ten vierde heeft de verdachte in hoger beroep gevraagd om teruggave van een aantal foto's van [betrokkene 3] , die de verdachte via het darkweb heeft leren kennen. Dit betreft door [betrokkene 3] zelf gemaakte selfies die zij aan de verdachte heeft gestuurd. Hierbij verwijst de verdachte naar dossier pagina B01-730 alwaar wordt vermeld: "In geen van de foto's gaat het om kinderpornografisch materiaal."
Overwegingen van het hof:
Het gaat hier om 10 foto's die zijn aangetroffen op de Samsung S9+ telefoon van de verdachte (beslagcode: HO005.05.05.001). Deze 10 foto's staan in de map ‘ […] ’ van de telefoon. De foto's kwalificeren niet als kinderpornografisch.
De foto's staan op dezelfde gegevensdrager (de Samsung S9+ telefoon van de verdachte) als hierboven onder verzoek 3 is bedoeld.
Het hof zal bepalen dat deze 10 foto's uit de telefoon aan de verdachte worden teruggegeven door deze 10 foto's te kopiëren naar een door de verdachte aan te leveren nieuwe gegevensdrager.
(...)
Résumé
Ten aanzien van de op de beslaglijst voorkomende in beslag genomen en nog niet teruggegeven gegevensdragers zal het hof de onttrekking aan het verkeer bevelen, in de hierboven sub 1 – 4 genoemde gevallen eerst te effectueren nadat kopieën van het daar bedoelde niet strafbare materiaal ten behoeve van de verdachte zijn gemaakt. Het gaat hier om gegevensdragers die (mogelijk) strafbaar materiaal bevatten dan wel die niet konden worden onderzocht zodat de kans bestaat dat deze strafbaar materiaal bevatten. Het ongecontroleerde bezit van de in beslag genomen gegevensdragers is in strijd met de wet of het algemeen belang.”
De uitspraak van het hof houdt als beslissing over deze gegevensdragers in:
“Het hof:
(...)
Beveelt de onttrekking aan het verkeer van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:
STK Harddisk PL2600-LERDE20004_627802; externe harde schijf Wester digital (HO005.01.01.001);
STK SD kaartje PL 2600-LERDE20004 627812; SD kaartje fotocamera sandisk16 GB (HO005.02.03.004);
STK Harddisk Seagate PL2600-LERDE20004 627830; externe harde schijf Seagate2GHLF69X (HO005.05.01.005)
STK Laptop PL2600-LERDE20004 627856;peaq laptop (HO005.07.02.001.001)
STK Laptop PL2600-LERDE20004_627857; MSI mini laptop (HO005.07.03.001)
en bepaalt dat deze onttrekkingen niet eerder geëffectueerd worden dan nadat het op de betreffende gegevensdragers aanwezige niet-strafbare materiaal, als hierboven sub 1 bedoeld, aan de verdachte is teruggegeven door dit niet-strafbare materiaal te kopiëren naar een door de verdachte aan te leveren nieuwe gegevensdrager;
1 STK Harddisk SEAGATE PL2600-LERDE20004_627803; Seagate externe harde schijf 4TB Serienr 1TFAP3-500 en bepaalt dat deze onttrekking niet eerder geëffectueerd wordt dan nadat het op deze harddisk aanwezige niet-strafbare materiaal, als hierboven sub 2 bedoeld, aan de verdachte is teruggegeven door dit niet-strafbare materiaal te kopiëren naar een door de verdachte aan te leveren nieuwe gegevensdrager;
1 STK Telefoon Samsung PL2600-LERDE20004_627844; telefoon Samsung Galaxy S9+ RF8K42HLEXW (HO005.05.05.001) en bepaalt dat deze onttrekking niet eerder geëffectueerd wordt dan nadat het op deze telefoon aanwezige niet strafbare materiaal, als hierboven sub 3 en 4 bedoeld, aan de verdachte is teruggegeven door dit niet-strafbare materiaal te kopiëren naar een door de verdachte aan te leveren nieuwe gegevensdrager.”
De Hoge Raad is in zijn uitspraak van 2 december 2025, ECLI:NL:HR:2025:1716 ingegaan op de mogelijkheid voor de rechter die de onttrekking aan het verkeer van een gegevensdrager oplegt om, na een daartoe strekkend verzoek, te gelasten dat aan de verdachte (een kopie van) één of meer bestanden die zich op de gegevensdrager bevinden, wordt (of worden) verstrekt. Daarover heeft de Hoge Raad overwogen:
“3.5.1 Op grond van artikel 36b tot en met 36d Sr kan onder de in die bepalingen genoemde omstandigheden de onttrekking aan het verkeer van een inbeslaggenomen voorwerp worden opgelegd als dat voorwerp van zodanige aard is, dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet of met het algemeen belang. Hieruit volgt dat het moet gaan om een voorwerp waarvan de aard relevant is in die zin dat het ongecontroleerde bezit, al dan niet in samenhang met het redelijkerwijs te verwachten gebruik daarvan, juist in verband met die aard, in strijd is met de wet of het algemeen belang (vgl. HR 8 maart 2005, ECLI:NL:HR:2005:AR7626).
Als een inbeslaggenomen gegevensdrager één of meer bestanden bevat waarop (bijvoorbeeld) ‘kinderporno’ of ‘dierenporno’ is afgebeeld, kan dat leiden tot de onttrekking aan het verkeer van die gegevensdrager op de grond dat het ongecontroleerde bezit van de gegevensdrager als zodanig in strijd is met de wet en het algemeen belang. Hierbij is van belang dat de Hoge Raad in zijn arrest van 4 december 2018, ECLI:NL:HR:2018:2244 heeft geoordeeld dat geen steun vindt in het recht de opvatting dat de afzonderlijke bestanden/gegevens op een gegevensdrager evenzoveel voorwerpen zijn waarop het beslag rust en zijn te beschouwen als afzonderlijke voorwerpen als bedoeld in artikel 36b Sr.
Als de rechter de onttrekking aan het verkeer van een inbeslaggenomen voorwerp oplegt, kan hij de effectuering van deze maatregel niet afhankelijk stellen van een voorwaarde (vgl. HR 6 december 2005, ECLI:NL:HR:2005:AU3309). Dat neemt niet weg dat de rechter op grond van artikel 33c lid 2 in samenhang met artikel 36b lid 2 Sr een geldelijke tegemoetkoming kan toekennen als dat nodig is om te voorkomen dat degene aan wie de onttrokken voorwerpen toebehoren, door die onttrekking onevenredig zou worden getroffen (vgl. HR 10 juli 2018, ECLI:NL:HR:2018:1156).
Verder verzet het wettelijk stelsel zich er niet tegen dat de rechter die de onttrekking aan het verkeer oplegt, na een daartoe strekkend verzoek van de verdediging gelast dat aan de verdachte (een kopie van) één of meer bestanden die zich op de gegevensdrager bevinden, wordt (of worden) verstrekt. De vraag wanneer de rechter die verstrekking moet gelasten, laat zich niet in algemene zin beantwoorden. Mede in het licht van de rechtspraak van het Europees hof voor de rechten van de mens zoals deze is weergegeven in de [in die zaak onder nummer ECLI:NL:PHR:2025:700 gepubliceerde] conclusie van de advocaat-generaal en waarin onder meer tot uitdrukking komt dat een “fair balance” moet bestaan tussen het algemeen belang enerzijds en de bescherming van individuele rechten anderzijds, is die beantwoording afhankelijk van de concrete omstandigheden van het geval. Het gaat er daarbij in de kern om of het belang van de verdachte bij het verkrijgen van de beschikking over (een kopie van) één of meer bestanden zo zwaarwegend is dat nadere inspanningen van politie en justitie mogen worden verlangd om het verstrekken daarvan te realiseren.
De Hoge Raad wijst in dit verband op onder meer de volgende omstandigheden die de rechter in zijn afweging kan betrekken:
- het aantal, de aard en de inhoud van de bestanden waarop het verzoek betrekking heeft, en daarmee samenhangend het belang dat de verdachte – mede gelet op de door artikel 8 EVRM en artikel 1 Eerste Protocol EVRM gewaarborgde rechten – heeft bij de verstrekking daarvan;
- de (vindbaarheid van de) locatie(s) van deze bestanden op de gegevensdrager, het tijdsbeslag dat zal zijn gemoeid met het onderzoek naar de betreffende bestanden en de vraag of de bestanden door de verdachte ook op een andere manier dan vanaf de gegevensdrager kunnen of konden worden verkregen;
- de vraag of verstrekking – zonder dat het risico ontstaat dat daarbij (ongemerkt) ook gegevens zouden kunnen worden verstrekt die tot de onttrekking van de gegevensdrager aanleiding geven – mogelijk is met redelijke inspanningen van de daarbij betrokken functionarissen;
- de vraag of belangen van derden zich verzetten tegen de verstrekking;
- de mate waarin de verdachte er zelf voor verantwoordelijk is dat zich op de gegevensdrager, naast de bestanden die aanleiding geven tot de onttrekking aan het verkeer, ook andere, kennelijk voor hem van belang zijnde bestanden bevinden.
Dit alles brengt mee dat een verzoek tot verstrekking van één of meer bestanden die zich op een – mogelijk voor onttrekking aan het verkeer in aanmerking komende – gegevensdrager bevinden, met inachtneming van het voorgaande zo tijdig, concreet en onderbouwd moet zijn, dat dit het openbaar ministerie in staat stelt voorafgaand aan of op de terechtzitting een standpunt in te nemen en de rechter in de gelegenheid stelt daarover een beslissing te nemen op basis van alle relevante omstandigheden. De rechter kan zich zo nodig tevoren laten voorlichten over de mogelijkheden aan het verzoek te voldoen en over de daartoe benodigde inspanningen, zodat de afdoening van de strafzaak hierdoor geen onnodige vertraging oploopt.”
Het hof heeft bepaald dat de onttrekking aan het verkeer van de onder 3.2.3 genoemde gegevensdragers niet eerder geëffectueerd wordt dan nadat op deze gegevensdragers aanwezig niet-strafbaar materiaal aan de verdachte is teruggegeven door dit materiaal te kopiëren naar een door de verdachte aan te leveren nieuwe gegevensdrager. Daarmee heeft het hof de effectuering van de onttrekking aan het verkeer afhankelijk gesteld van een voorwaarde. Gelet op wat onder 3.3 is weergegeven, klaagt het cassatiemiddel hierover terecht.
Dit brengt mee dat de uitspraak van het hof moet worden vernietigd wat betreft de beslissingen over de onder 3.2.3 genoemde inbeslaggenomen voorwerpen.
4. Beoordeling van het tweede cassatiemiddel dat namens het openbaar ministerie is voorgesteld
Het cassatiemiddel klaagt over de beoordeling door het hof van het verzoek van de verdachte tot verstrekking van een kopie van bestanden die zich bevinden op de onder 3.2.3 genoemde inbeslaggenomen gegevensdragers.
Gelet op het slagen van het eerste cassatiemiddel en de hieruit volgende beslissing over deze gegevensdragers, is bespreking van deze klacht niet nodig, nu die beslissing meebrengt dat het hof het op deze gegevensdragers betrekking hebbende verzoek opnieuw moet beoordelen met inachtneming van wat in rechtsoverweging 3.5.4 tot en met 3.5.6 van de onder 3.3 weergegeven uitspraak is overwogen.
5. Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof
De verdachte bevindt zich in voorlopige hechtenis. De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan zestien maanden zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf van 36 maanden.
6. Beslissing
De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de beslissingen over de onder 3.2.3 genoemde inbeslaggenomen voorwerpen en de duur van de opgelegde gevangenisstraf;
- vermindert de gevangenisstraf in die zin dat deze 35 maanden beloopt;
- wijst de zaak terug naar het gerechtshof Den Haag, opdat de zaak wat betreft die inbeslaggenomen voorwerpen opnieuw wordt berecht en afgedaan;
- verwerpt de beroepen voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren T. Kooijmans en C.N. Dalebout, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 3 februari 2026.