ECLI:NL:HR:2026:1138

ECLI:NL:HR:2026:1138

Instantie Hoge Raad
Datum uitspraak 03-07-2026
Datum publicatie 02-07-2026
Zaaknummer 24/03198
Rechtsgebied Bestuursrecht; Belastingrecht
Procedure Cassatie
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:GHSHE:2024:2141

Samenvatting

Art. 8:73 Awb. Verzoek om immateriële schadevergoeding niet behandeld. Redelijke termijn niet overschreden.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

BELASTINGKAMER

Nummer 24/03198

Datum 3 juli 2026

ARREST

in de zaak van

[X] (hierna: belanghebbende)

tegen

1. de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN

2. de STAAT (de MINISTER VAN JUSITITE EN VEILIGHEID)

op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof 's-Hertogenbosch van 3 juli 2024, nr. 22/1435, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant (nr. BRE 20/776) betreffende de aan belanghebbende voor het jaar 2015 opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen en de daarbij gegeven beschikking inzake belastingrente.

1. Geding in cassatie

Belanghebbende, vertegenwoordigd door T.J. Wintermans, heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Staatssecretaris, vertegenwoordigd door [P], heeft een verweerschrift ingediend.

2. Uitgangspunten in cassatie

De Rechtbank heeft het beroep van belanghebbende ongegrond verklaard en de Inspecteur respectievelijk de minister van Rechtsbescherming bij uitspraak van 29 juni 2022 veroordeeld tot het betalen van een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn in de fase van bezwaar respectievelijk beroep.

Belanghebbende heeft op 10 augustus 2022 hoger beroep ingesteld. De laatste zin van de pleitnota die belanghebbende heeft overgelegd ter zitting van het Hof van 16 mei 2024 luidt: “Tot slot zou ik van de gelegenheid gebruik willen maken uw Hof te verzoeken een vergoeding toe te kennen aan eiser wegens geleden immateriële schade in verband met de lange duur van deze procedure”.

Het Hof heeft op 3 juli 2024 uitspraak gedaan. De uitspraak bevat geen beslissing op het hiervoor in 2.2 bedoelde verzoek.

3. Beoordeling van de middelen

Het derde middel betoogt dat het Hof heeft nagelaten te beslissen op het hiervoor in 2.2 bedoelde verzoek om vergoeding van immateriële schade, dat – naar de Hoge Raad begrijpt – ziet op een mogelijke overschrijding van de redelijke termijn die geldt voor de hogerberoepsfase.

Het middel is terecht voorgesteld. Belanghebbende heeft het verzoek om vergoeding van immateriële schade tijdig gedaan. Uit de uitspraak van het Hof blijkt niet dat het Hof dit verzoek heeft beoordeeld.

Tot cassatie kan dit echter niet leiden. De berechting van de zaak in hoger beroep is aangevangen op 10 augustus 2022, toen het hoger beroep werd ingesteld, en is geëindigd op 3 juli 2024, toen het Hof uitspraak deed. De redelijke termijn van twee jaar voor het behandelen van het hoger beroep is dus niet overschreden. Aan belanghebbende komt voor die fase van de procedure daarom niet een vergoeding van immateriële schade toe.

De Hoge Raad heeft ook de klachten van middel 1 en middel 2 over de uitspraak van het Hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat ook deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie).

4. Verzoek om vergoeding van immateriële schade in de cassatieprocedure

Belanghebbende heeft de Hoge Raad verzocht te bepalen dat “bij het slagen van een of meer middelen van dit beroep, de wederpartij wordt veroordeeld in de kosten van dit beroep, inclusief een vergoeding van de geleden immateriële schade”. De Hoge Raad vat dit verzoek op als een verzoek om bij overschrijding van de redelijke termijn die geldt voor de behandeling van het cassatieberoep, de Staat te veroordelen tot een vergoeding van immateriële schade.

Dit verzoek wordt afgewezen. Belanghebbende heeft op 14 augustus 2024 beroep in cassatie ingesteld. Het tijdsverloop sindsdien tot het moment waarop de Hoge Raad in deze zaak arrest wijst, is minder dan twee jaar, zodat in de cassatieprocedure de redelijke termijn niet is overschreden.

5. Proceskosten

De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

6. Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.

Dit arrest is gewezen door de raadsheer E.F. Faase als voorzitter, en de raadsheren P.A.G.M. Cools en F.G.F. Peters, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 3 juli 2026.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl NLF 2026/1317 met annotatie van dr. H.M. Roose NDFR Nieuws 2026/1048 Viditax (FutD) 2026070312 V-N Vandaag 2026/1386 FutD 2026-1187 Sdu Nieuws Belastingzaken 2026/815 NTFR 2026/1194 met annotatie van mr. P.W.L. van den Bersselaar V-N 2026/31.16 met annotatie van Redactie BNB 2026/130
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand