HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 24/01913
Datum 14 juli 2026
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 1 mei 2024, nummer 21-005790-18, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1989,
hierna: de verdachte.
1. Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft de advocaat J. Kuijper bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld.
De advocaat-generaal V.M.A. Sinnige heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
2. Beoordeling van het cassatiemiddel en ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof
Het cassatiemiddel klaagt onder meer dat het hof niet heeft beslist op het verweer van de raadsvrouw van de verdachte over de overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep.
Namens de verdachte is op 24 oktober 2018 hoger beroep ingesteld, waarna het hof op 1 mei 2024 uitspraak heeft gedaan.
Volgens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 17 april 2024 heeft de raadsvrouw van de verdachte daar het woord gevoerd overeenkomstig de bij de stukken gevoegde pleitnota. Deze pleitnota houdt onder meer in:
“Straf
Verzoek tot oplegging van een straf die qua onvoorwaardelijk deel de duur van de voorlopige hechtenis (5 maanden) niet te boven gaat, aangevuld met een voorwaardelijk deel en eventueel aangevuld met een taakstraf gelet op:
(...)
De zeer forse overschrijding van de redelijke termijn in de zin van art. 6 EVRM
(...)
21/005790-18
Rechtsmiddel aangewend op 24 oktober 2018. Overschrijding van de redelijke termijn met meer dan vier jaren.
De overschrijding kan niet toegeschreven worden aan enig handelen van cliënt of de complexiteit van de zaak.”
Gelet op wat de raadsvrouw heeft aangevoerd over de overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep, had het hof hierover een gemotiveerde beslissing moeten nemen. Omdat zo’n beslissing in de uitspraak van het hof ontbreekt, is het cassatiemiddel in zoverre terecht voorgesteld.
De Hoge Raad zal de zaak zelf afdoen. In cassatie moet ervan worden uitgegaan dat de redelijke termijn van berechting als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) bij de behandeling van de zaak in hoger beroep is overschreden. Daarnaast doet de Hoge Raad uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM ook in de cassatieprocedure is overschreden. In het licht van de opgelegde taakstraf van zestig uren, volstaat de Hoge Raad met het oordeel dat de redelijke termijn zowel bij de behandeling van de zaak in hoger beroep als in de cassatieprocedure is overschreden, en is er geen aanleiding om aan dit oordeel enig ander rechtsgevolg te verbinden.
De Hoge Raad heeft ook de verder in het cassatiemiddel aangevoerde klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).
3. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren T.B. Trotman en R. Kuiper, in bijzijn van de waarnemend griffier S.P. Bakker, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 14 juli 2026.