ECLI:NL:HR:2026:1190

ECLI:NL:HR:2026:1190

Instantie Hoge Raad
Datum uitspraak 14-07-2026
Datum publicatie 03-07-2026
Zaaknummer 26/00863
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Cassatie
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:PHR:2026:598

Samenvatting

Beklag ex art. 5.4.10 jo. 552a Sv na beslag ex art. 94 Sv op telefoons, horloge en geldbedragen onder klager n.a.v. Europees onderzoeksbevel van Duitse autoriteiten t.z.v. verdenking van grootschalige hennepteelt en hennephandel. 1. Kon Rb oordelen dat EOB is uitgevaardigd door bevoegde buitenlandse autoriteit (Duitse OvJ)? 2. Verzoek tot stellen van prejudiciële vragen aan HvJ EU over vraag of Nederlandse OvJ en Nederlandse rechter moeten onderzoeken of uitvaardigende autoriteit bevoegd was tot uitvaardigen van EOB. Ad 1. HR herhaalt relevante overwegingen uit HR:2021:1940 over beoordelingskader voor beklagrechter, uit HR:2024:1685 over bij beoordeling betrekken van inhoud van EOB en uit HR:2022:965 dat rechter niet ambtshalve hoeft te doen blijken te hebben onderzocht of OvJ, na ontvangst van EOB, alle voorschriften van art. 5.4.2 tot en met 5.4.5 Sv in acht heeft genomen voordat hij tot erkenning en uitvoering van EOB is overgegaan. O.g.v. art. 5.4.3.3 Sv (dat strekt tot implementatie van art. 9.3 Richtlijn 2014/41/EU) moet OvJ een EOB terugzenden als dat bevel is verzonden door onbevoegde buitenlandse autoriteit. Of daarvan sprake is, kan (na daartoe strekkend verweer (vgl. HR:2022:965)) worden getoetst door rechter die klaagschrift beoordeelt dat is ingediend o.g.v. art. 5.4.10.1 jo. 552a Sv. Uit rechtspraak HvJ EU (EU:C:2020:1002 en EU:C:2021:1020) volgt dat OvJ kan worden aangemerkt als autoriteit die bevoegd is om EOB uit te vaardigen en dat als voorwaarde geldt dat OvJ o.g.v. nationaal recht van uitvaardigende lidstaat in EOB genoemde onderzoeksmaatregel in dezelfde omstandigheden in vergelijkbare binnenlandse zaak kan bevelen. Rb heeft overwogen dat “Duitse autoriteiten” een EOB hebben uitgevaardigd ten behoeve van waarheidsvinding i.h.k.v. opsporingsonderzoek in Duitsland. Verder heeft Rb overwogen dat stelling van raadsman dat Duitse OvJ niet bevoegd was tot uitvaardigen van EOB, niet is onderbouwd. In het licht van wat hiervoor is vooropgesteld, getuigt op deze overwegingen gebaseerd kennelijk oordeel van Rb dat EOB is uitgevaardigd door daartoe bevoegde (rechterlijke) autoriteit, niet van onjuiste rechtsopvatting en is het, gelet op inhoud van EOB, niet onbegrijpelijk. Ad 2. Verzoek is gedaan onder voorwaarde dat HR in deze beschikking zou oordelen dat Nederlandse OvJ en Nederlandse rechter niet gehouden zijn om zo’n onderzoek te verrichten. Uit wat hiervoor is vooropgesteld, volgt dat die voorwaarde niet is vervuld. HR wijst verzoek daarom af. Volgt verwerping.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

STRAFKAMER

Nummer 26/00863 Br

Datum 14 juli 2026

BESCHIKKING

op het beroep in cassatie tegen een beschikking van de rechtbank Limburg van 3 maart 2026, nummer RK 26/002877, op een klaagschrift als bedoeld in artikel 5.4.10 in samenhang met artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering, ingediend

door

[klager],

geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1983,

hierna: de klager.

1. Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de klager. Namens deze heeft de advocaat S.T. van Berge Henegouwen bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.

De advocaat-generaal P.M. Frielink heeft geconcludeerd tot verwerping van het cassatieberoep.

De raadsman van de klager heeft daarop schriftelijk gereageerd.

2. Beoordeling van het eerste cassatiemiddel

Het cassatiemiddel klaagt over het oordeel van de rechtbank dat het Europees onderzoeksbevel (hierna: EOB) is uitgevaardigd door de bevoegde buitenlandse autoriteit.

De rechtbank heeft het klaagschrift dat strekt tot teruggave aan de klager van de onder hem inbeslaggenomen voorwerpen ongegrond verklaard en heeft daartoe onder meer overwogen:

“Feiten

Naar aanleiding van een Europees Onderzoeksbevel (hierna: EOB) van de Duitse autoriteiten in het kader van een strafrechtelijk onderzoek met betrekking tot – kort gezegd – grootschalige cannabisteelt en -handel, is op 21 januari 2026 beslag gelegd op vier telefoons, een Apple Watch, € 17500,- kasgeld en € 150,- (privé) geld.

(...)

Beklag

Het beklag strekt tot teruggave van de in beslag genomen voorwerpen.

Namens de klager is aangevoerd dat het EOB onrechtmatig is afgegeven. Het EOB is niet door een rechter maar door het Duitse Openbaar Ministerie afgegeven. Een EOB kan alleen zonder tussenkomst van een rechter worden afgegeven in geval van spoed. Aangezien het EOB op 5 januari 2026 is afgegeven en de doorzoekingen pas op 21 januari 2026 hebben plaatsgevonden, kan niet worden gesproken van spoed.

(...)

Beoordeling

(...)

De rechtbank stelt vast dat de Duitse autoriteiten een EOB hebben uitgevaardigd ten behoeve van de waarheidsvinding in het kader van een onderliggend opsporingsonderzoek in Duitsland. Dit EOB is door de officier van justitie erkend en tenuitvoergelegd.

Er doen zich geen weigeringsgronden als bedoeld in artikel 5.4.4 Sv voor.

De stelling van de raadsman dat de Duitse officier van justitie niet bevoegd was tot het indienen van het EOB, is op geen enkele wijze onderbouwd.

Uit artikel 9 van Richtlijn 2014/41/EU ziende op het EOB volgt dat ‘de uitvoerende autoriteit’ zorgt voor de tenuitvoerlegging ervan op dezelfde wijze en onder dezelfde voorwaarden als waren de betrokken onderzoeksmaatregelen bevolen door een autoriteit van de uitvoerende staat. Deze bepaling is vastgelegd in artikel 5.4.7 Sv.

De rechtbank stelt voorts, op basis van de beschikbare stukken, vast dat conform het EOB is opgetreden. De in beslag genomen goederen zijn van belang in het kader van de waarheidsvinding en vallen daarmee binnen het bereik van het EOB.”

Bij de stukken bevindt zich het EOB. Dit EOB, dat is uitgevaardigd door het “Openbaar Ministerie (Staatsanwaltschaft)”, heeft betrekking op onder meer een in Nederland te verrichten huiszoeking die in Duitsland door de rechter is gelast.

Richtlijn 2014/41/EU van het Europees Parlement en de Raad van 3 april 2014 betreffende het Europees onderzoeksbevel in strafzaken (Pb EU 2014, L 130/1; hierna: Richtlijn 2014/41/EU) bevat onder meer de volgende bepalingen.

- Artikel 1 lid 1:

“Het Europees onderzoeksbevel en de verplichting tot tenuitvoerlegging ervan

1. Een Europees onderzoeksbevel (EOB) is een door een rechterlijke autoriteit van een lidstaat („de uitvaardigende staat”) uitgevaardigde of erkende rechterlijke beslissing die ertoe strekt in een andere lidstaat („de uitvoerende staat”) één of meer specifieke onderzoeksmaatregelen te laten uitvoeren met het oog op het verkrijgen van bewijsmateriaal conform het bepaalde in deze richtlijn. Het EOB kan tevens worden uitgevaardigd om bewijsmateriaal te verkrijgen dat reeds in het bezit is van de bevoegde autoriteiten van de uitvoerende staat.”

- Artikel 2:

“Definities

In deze richtlijn wordt verstaan onder:

a) „uitvaardigende staat”: de lidstaat waar het EOB wordt uitgevaardigd;

b) „uitvoerende staat”: de lidstaat waar het EOB ten uitvoer wordt gelegd en waar de onderzoeksmaatregel moet worden uitgevoerd;

c) „uitvaardigende autoriteit”:

i) een in de zaak bevoegde rechter, rechtbank, een onderzoeksrechter of officier van justitie, of

ii) iedere andere door de uitvaardigende staat aangeduide bevoegde autoriteit, die in de zaak in kwestie optreedt als strafrechtelijke onderzoeksautoriteit en overeenkomstig de nationale wetgeving bevoegd is opdracht te geven tot bewijsgaring. Voordat het EOB wordt toegezonden aan de uitvoerende autoriteit, wordt het gevalideerd door een rechter, een rechtbank, een onderzoeksrechter of een officier van justitie in de uitvaardigende staat, na onderzoek of het aan de voorwaarden voor het uitvaardigen van een EOB uit hoofde van deze richtlijn, in het bijzonder de in artikel 6, lid 1, gestelde voorwaarden, voldoet. Indien het EOB door een rechterlijke autoriteit is gevalideerd, kan deze autoriteit in het kader van de verzending van het EOB ook als uitvaardigende autoriteit worden aangemerkt;

d) „uitvoerende autoriteit”: een autoriteit die bevoegd is om een EOB in overeenstemming met deze richtlijn en de in een soortgelijke binnenlandse zaak geldende procedures te erkennen en ten uitvoer te laten leggen. In deze procedures kan in de uitvoerende staat krachtens het nationale recht de toestemming van een rechtbank vereist zijn.”

- Artikel 9 lid 1, 2 en 3:

“1. De uitvoerende autoriteit erkent het overeenkomstig deze richtlijn toegezonden EOB zonder verdere formaliteiten en zorgt voor de tenuitvoerlegging ervan op dezelfde wijze en onder dezelfde voorwaarden als waren de betrokken onderzoeksmaatregelen bevolen door een autoriteit van de uitvoerende staat, tenzij die autoriteit beslist zich te beroepen op een van de gronden voor weigering van erkenning of tenuitvoerlegging of een van de gronden voor uitstel, zoals bepaald in deze richtlijn.

2. Tenzij in deze richtlijn anders is bepaald, neemt de uitvoerende autoriteit de door de uitvaardigende autoriteit uitdrukkelijk aangegeven vormvoorschriften en procedures in acht, mits deze niet strijdig zijn met de fundamentele rechtsbeginselen van de uitvoerende staat.

3. Indien een uitvoerende autoriteit een EOB ontvangt dat niet door een uitvaardigende autoriteit in de zin van artikel 2, onder c), is uitgevaardigd, stuurt de uitvoerende autoriteit het EOB terug naar de uitvaardigende staat.”

Richtlijn 2014/41/EU is geïmplementeerd met de Wet van 31 mei 2017 tot wijziging van het Wetboek van Strafvordering ter implementatie van de richtlijn 2014/41/EU van het Europees Parlement en de Raad van 3 april 2014 betreffende het Europees onderzoeksbevel in strafzaken (implementatie richtlijn Europees onderzoeksbevel), Stb. 2017, 231. De volgende bepalingen zijn in het bijzonder van belang.

- Artikel 5.4.1 lid 1 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv):

“Een Europees onderzoeksbevel is een beslissing afkomstig van een rechterlijke autoriteit van een lidstaat van de Europese Unie, met uitzondering van Denemarken en Ierland, die ertoe strekt in een andere lidstaat één of meer bevoegdheden toe te passen met het oog op het verkrijgen van bewijsmateriaal in een strafzaak. Een Europees onderzoeksbevel kan tevens worden uitgevaardigd om bewijsmateriaal te verkrijgen dat reeds in het bezit is van de bevoegde autoriteiten van de uitvoerende staat.”

- Artikel 5.4.2 lid 1 Sv:

“De officier van justitie is bevoegd tot erkenning en uitvoering van een Europees onderzoeksbevel.”

- Artikel 5.4.3 lid 1 en 3 Sv:

“1. Vatbaar voor erkenning is een Europees onderzoeksbevel dat ten minste de volgende informatie bevat:

a. gegevens over de uitvaardigende autoriteit en, indien van toepassing, de validerende autoriteit;

(...)

3. De officier van justitie zendt het bevel terug indien het bevel is verzonden door een onbevoegde buitenlandse autoriteit.”

Bij de beoordeling van een klaagschrift als bedoeld in artikel 5.4.10 lid 1 in samenhang met artikel 552a Sv beoordeelt de rechter onder meer of zich – gelet op artikel 5.4.3, 5.4.4 en 5.4.6 Sv – een grond voordoet voor het weigeren van de erkenning of de uitvoering van het EOB, dan wel voor uitstel van de erkenning of de uitvoering van het EOB (vgl. HR 21 december 2021, ECLI:NL:HR:2021:1940, rechtsoverweging 4.2.2). De rechter betrekt bij deze beoordeling de inhoud van het EOB (vgl. HR 19 november 2024, ECLI:NL:HR:2024:1685). De rechter slaat acht op de inhoud van het klaagschrift en wat daarover door de officier van justitie en door of namens de betrokkene naar voren is gebracht bij de behandeling van het klaagschrift. De rechter hoeft echter niet ambtshalve te doen blijken te hebben onderzocht of de officier van justitie, na de ontvangst van het EOB, alle voorschriften van artikel 5.4.2 tot en met 5.4.5 Sv in acht heeft genomen voordat hij tot de erkenning en de uitvoering van het EOB is overgegaan (vgl. HR 28 juni 2022, ECLI:NL:HR:2022:965).

Op grond van artikel 5.4.3 lid 3 Sv – dat strekt tot implementatie van artikel 9 lid 3 Richtlijn 2014/41/EU – moet de officier van justitie een EOB terugzenden als dat bevel is verzonden door een onbevoegde buitenlandse autoriteit. Of daarvan sprake is, kan – na een daartoe strekkend verweer (vgl. HR 28 juni 2022, ECLI:NL:HR:2022:965, rechtsoverweging 4.2.3) – worden getoetst door de rechter die een klaagschrift beoordeelt dat is ingediend op grond van artikel 5.4.10 lid 1 in samenhang met artikel 552a Sv.

Het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: Hof van Justitie) is in de zaak A. e.a./Staatsanwaltschaft Wien ingegaan op de vraag, kort gezegd, of het openbaar ministerie in Hamburg – dat een EOB had uitgevaardigd – kan worden aangemerkt als “rechterlijke autoriteit” en “uitvaardigende autoriteit” in de zin van artikel 1 lid 1 en artikel 2, aanhef en onder c, Richtlijn 2014/41/EU (Hof van Justitie 8 december 2020, zaak C584/19, ECLI:EU:C:2020:1002). Het arrest van het Hof van Justitie houdt onder meer in:

“75 Gelet op al het voorgaande dient op de prejudiciële vraag te worden geantwoord dat artikel 1, lid 1, en artikel 2, onder c), van richtlijn 2014/41 aldus moeten worden uitgelegd dat de begrippen „rechterlijke autoriteit” en „uitvaardigende autoriteit” in de zin van deze bepalingen ook zien op de officier van justitie van een lidstaat of, meer in het algemeen, het openbaar ministerie van een lidstaat, ongeacht of er juridisch mogelijkerwijs sprake is van een ondergeschiktheidsrelatie tussen deze officier van justitie of dit openbaar ministerie en de uitvoerende macht van die lidstaat, en of deze officier van justitie of dit openbaar ministerie het risico loopt om bij de vaststelling van een Europees onderzoeksbevel direct of indirect te worden aangestuurd door of individuele instructies te ontvangen van de uitvoerende macht.”

De uitspraak van het Hof van Justitie in de zaak HP in tegenwoordigheid van Spetsializirana prokurata, houdt over artikel 2, aanhef en onder c, Richtlijn 2014/41/EU in (Hof van Justitie 16 december 2021, zaak C-724/19, ECLI:EU:C:2021:1020):

“38 Derhalve dient de analyse van artikel 2, onder c), i), van richtlijn 2014/41, gelezen in het licht van de overwegingen 5 tot en met 8 en 10 ervan (...) tot de conclusie te leiden dat de uitvaardigende autoriteit de autoriteit moet zijn die in het kader van de betrokken strafprocedure belast is met het onderzoek en die dus volgens het nationale recht bevoegd is om opdracht te geven tot bewijsgaring. Indien er in een strafonderzoek een onderscheid zou zijn tussen de uitvaardigende autoriteit van het Europees onderzoeksbevel en de autoriteit die bevoegd is om onderzoeksmaatregelen te bevelen in die strafprocedure, zou namelijk het risico bestaan dat het samenwerkingssysteem wordt bemoeilijkt en de invoering van een vereenvoudigde, efficiënte regeling daardoor wordt ondermijnd.”

Uit deze rechtspraak volgt dat een officier van justitie kan worden aangemerkt als een autoriteit die bevoegd is om een EOB uit te vaardigen en dat als voorwaarde geldt dat de officier van justitie op grond van het nationale recht van de uitvaardigende lidstaat de in het EOB genoemde onderzoeksmaatregel in dezelfde omstandigheden in een vergelijkbare binnenlandse zaak kan bevelen.

De rechtbank heeft overwogen dat “de Duitse autoriteiten” een EOB hebben uitgevaardigd ten behoeve van de waarheidsvinding in het kader van een opsporingsonderzoek in Duitsland. Verder heeft de rechtbank overwogen dat de stelling van de raadsman van de klager dat de Duitse officier van justitie niet bevoegd was tot het uitvaardigen van het EOB, niet is onderbouwd. In het licht van wat onder 2.4 en 2.5 is vooropgesteld, getuigt het op deze overwegingen gebaseerde kennelijke oordeel van de rechtbank dat het EOB is uitgevaardigd door een daartoe bevoegde (rechterlijke) autoriteit, niet van een onjuiste rechtsopvatting en is het, gelet op de onder 2.2.2 weergegeven inhoud van het EOB, niet onbegrijpelijk.

Het cassatiemiddel faalt.

In de schriftuur wordt het verzoek gedaan tot het stellen van prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie over, kort gezegd, de vraag of de Nederlandse officier van justitie en de Nederlandse rechter moeten onderzoeken of de uitvaardigende autoriteit bevoegd was tot het uitvaardigen van een EOB. Dat verzoek is gedaan onder de voorwaarde dat de Hoge Raad in deze beschikking zou oordelen dat de Nederlandse officier van justitie en de Nederlandse rechter niet gehouden zijn om zo’n onderzoek te verrichten. Uit wat onder 2.4 is vooropgesteld, volgt dat die voorwaarde niet is vervuld. De Hoge Raad wijst het verzoek daarom af.

3. Beoordeling van het tweede cassatiemiddel

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van de rechtbank beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).

4. Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Deze beschikking is gegeven door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren T. Kooijmans en F. Posthumus, in bijzijn van de waarnemend griffier S.P. Bakker, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 14 juli 2026.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl SR-Updates.nl 2026-0269 RvdW 2026/899
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand