ECLI:NL:HR:2026:1192

ECLI:NL:HR:2026:1192

Instantie Hoge Raad
Datum uitspraak 14-07-2026
Datum publicatie 03-07-2026
Zaaknummer 24/00506
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Cassatie
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:GHSHE:2024:409
Formele relatie: ECLI:NL:PHR:2026:500

Samenvatting

Verkoop van cocaïne, art. 2.B Opiumwet. Vordering tot wijziging van tll. in eerste aanleg door uitbreiding van pleegperiode, art. 313 Sv. Is sprake van “hetzelfde feit” a.b.i. art. 313 Sv? HR herhaalt relevante overwegingen uit HR:2011:BM9102 t.a.v. beoordelingskader m.b.t. “hetzelfde feit” a.b.i. art. 68 Sr en art. 313 Sv. Hof heeft over de in e.a. gewijzigde tll. geoordeeld dat “door enkele uitbreiding van periode waarin verdachte in cocaïne heeft gehandeld, juridische aard noch gedraging van verdachte zodanig is gewijzigd dat daardoor geen sprake meer zou zijn van hetzelfde feit a.b.i. art. 68 Sr”. Dat oordeel getuigt in het licht van wat hiervoor is vooropgesteld van onjuiste rechtsopvatting. Daarbij is van belang dat uitbreiding van die periode (van ongeveer 13 dagen naar ongeveer 1 jaar) tot gevolg heeft gehad dat tll. mede ziet op afzonderlijke strafbare gedragingen van verdachte (bestaande uit meerdere drugsverkopen gedurende periode van meer dan 11 maanden) die buiten bereik van oorspronkelijke tll. vielen. Volgt (partiële) vernietiging en terugwijzing. CAG: anders.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

STRAFKAMER

Nummer 24/00506

Datum 14 juli 2026

ARREST

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 8 februari 2024, nummer 20-000932-23, in de strafzaak

tegen

[verdachte] ,

geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1984,

hierna: de verdachte.

1. Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben de advocaten J.L. L’Homme en O.F. Qane bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.

De advocaat-generaal V.M.A. Sinnige heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf, tot vermindering daarvan en tot verwerping van het beroep voor het overige.

2. Beoordeling van het cassatiemiddel

Het cassatiemiddel ziet op het in de zaak met parketnummer 03/720987-18 onder 4 tenlastegelegde. Het klaagt over de verwerping door het hof van het verweer dat de rechtbank de vordering tot wijziging van de tenlastelegging met betrekking tot dat feit ten onrechte heeft toegewezen.

Procesgang in eerste aanleg en in hoger beroep

Aan de verdachte is bij inleidende dagvaarding in de zaak met parketnummer 03/72098718 onder 4 tenlastegelegd dat:

“hij in of omstreeks de periode van 30 mei 2018 tot en met 11 juni 2018 in de gemeente [plaats] en/of in de gemeente [plaats] , in elk geval in het arrondissement [plaats] , tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk heeft verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I.”

Volgens het proces-verbaal van de terechtzitting van de rechtbank van 8 maart 2023 heeft de officier van justitie op grond van artikel 313 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) gevorderd dat de tenlastelegging wordt gewijzigd. Nadat de raadsman van de verdachte zich had verzet tegen toewijzing van de vordering, heeft de rechtbank op die terechtzitting de vordering tot wijziging van de tenlastelegging toegewezen. Deze wijziging houdt, voor zover hier van belang, in dat de onder 2.2.1 weergegeven periode van ongeveer dertien dagen waarin de tenlastegelegde feiten zouden zijn gepleegd is verruimd tot “de periode van 11 juni 2017 tot en met 11 juni 2018”.

In hoger beroep heeft het hof op grondslag van de in eerste aanleg gewijzigde tenlastelegging beraadslaagd en beslist. Het hof heeft, kort gezegd, bewezenverklaard dat de verdachte in de periode van 11 juni 2017 tot en met 11 juni 2018 opzettelijk cocaïne heeft verkocht en verstrekt. De bewijsvoering, zoals weergegeven in de conclusie van de advocaat-generaal onder 2.2, houdt onder meer in dat meerdere afnemers in de gehele bewezenverklaarde periode frequent cocaïne bij de verdachte kochten.

Volgens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsman daar het woord gevoerd overeenkomstig de bij de stukken gevoegde pleitnota. Deze pleitnota houdt in:

“Wijziging tenlastelegging

1. De verdediging stelt zich op het standpunt dat de rechtbank de vordering tot wijziging van de tenlastelegging in de zaak met parketnummer 03/720987-18 ten onrechte heeft toegewezen. Die vordering hield verband met het vierde ten laste gelegde feit, te weten – kort gezegd – de handel in cocaïne. In het bijzonder zag de vordering op het uitbreiden van de ten laste gelegde periode: van minder dan twee weken naar een periode van een jaar.

2. De verdediging blijft bij haar standpunt dat deze wijziging een aanzienlijk verschil oplevert in de gedragingen, welk verschil tot de slotsom leidt dat geen sprake meer is van ‘hetzelfde feit’ in de zin van art. 68 Sr. Hoewel de uitbreiding van de periode dezelfde juridische kwalificatie heeft, is naar ons oordeel sprake van onvoldoende samenhang tussen de verweten gedragingen. Hierbij is van belang de aard en strekking van de gedragingen en de tijd, plaats en omstandigheden waaronder zij zijn verricht. Bij voortdurende delicten kan gesteld worden dat sprake is van hetzelfde feitencomplex, denk aan vrijheidsberoving of het voorhanden hebben van verdovende middelen. Het dealen van drugs is niet aan te merken als voortdurend delict. Hiervoor moet immers telkens een aparte handeling plaatsvinden waarbij die handelingen vaak ook op verschillende plaatsen worden verricht.

3. Door de uitbreiding van de periode voor de duur van een jaar wordt het feitencomplex aangevuld met wezenlijk andere feitelijke handelingen die in een te ver verwijderd verband staan van de oude ten laste gelegde handelingen (van twee weken).”

Het hof heeft het aangevoerde als volgt verworpen:

“Het hof stelt het volgende voorop.

Bij de beoordeling van de vraag of sprake is van “hetzelfde feit”, dient de rechter in de situatie waarop art. 68 Sr ziet de in beide tenlasteleggingen omschreven verwijten, en in de situatie waarop art. 313 Sv ziet de in de tenlastelegging en de in de vordering tot wijziging van de tenlastelegging omschreven verwijten te vergelijken.

Bij die toetsing dienen de volgende gegevens als relevante vergelijkingsfactoren te worden betrokken.

(A) De juridische aard van de feiten.

Indien de tenlastegelegde feiten niet onder dezelfde delictsomschrijving vallen, kan de mate van verschil tussen de strafbare feiten van belang zijn, in het bijzonder wat betreft

(i) de rechtsgoederen ter bescherming waarvan de onderscheidene delictsomschrijvingen strekken, en

(ii) de strafmaxima die op de onderscheiden feiten zijn gesteld, in welke strafmaxima onder meer tot uitdrukking komt de aard van het verwijt en de kwalificatie als misdrijf dan wel overtreding.

(B) De gedraging van de verdachte.

Het hof is gelet op voormeld beoordelingskader van oordeel dat door de enkele uitbreiding van de periode waarin verdachte in cocaïne heeft gehandeld, de juridische aard noch de gedraging van de verdachte zodanig is gewijzigd dat daardoor geen sprake meer zou zijn van hetzelfde feit als bedoeld in artikel 68 Sr.

Gelet hierop heeft de rechtbank op juiste gronden de vordering tot wijziging van de tenlastelegging toegestaan en verwerpt het hof het andersluidende standpunt van de verdediging.”

Juridisch kader

Bij de beoordeling of sprake is van ‘hetzelfde feit’, moet de rechter in de situatie waarop artikel 313 Sv ziet de in de tenlastelegging en de in de vordering tot wijziging van de tenlastelegging omschreven verwijten vergelijken. Bij die toetsing moeten de volgende gegevens als relevante vergelijkingsfactoren worden betrokken.(A) De juridische aard van de feiten. Als de tenlastegelegde feiten niet onder dezelfde delictsomschrijving vallen, kan de mate van verschil tussen de strafbare feiten van belang zijn, in het bijzonder wat betreft (i) de rechtsgoederen ter bescherming waarvan de onderscheiden delictsomschrijvingen strekken, en (ii) de strafmaxima die op de onderscheiden feiten zijn gesteld, in welke strafmaxima onder meer tot uitdrukking komt de aard van het verwijt en de kwalificatie als misdrijf dan wel overtreding.(B) De gedraging van de verdachte. Als de tenlastelegging en de vordering tot wijziging daarvan niet dezelfde gedraging beschrijven, kan de mate van verschil tussen de gedragingen van belang zijn, zowel wat betreft de aard en de kennelijke strekking van de gedragingen als wat betreft de tijd waarop, de plaats waar en de omstandigheden waaronder zij zijn verricht.Uit de bewoordingen van het begrip ‘hetzelfde feit’ vloeit al voort dat de beantwoording van de vraag wat daaronder moet worden verstaan, mede wordt bepaald door de omstandigheden van het geval. Vuistregel is echter dat een aanzienlijk verschil in de juridische aard van de feiten en/of in de gedragingen tot de slotsom kan leiden dat geen sprake is van ‘hetzelfde feit’ in de zin van artikel 68 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr). (Vgl. HR 1 februari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BM9102.)

Het oordeel van de Hoge Raad

Het hof heeft over de in eerste aanleg gewijzigde tenlastelegging geoordeeld dat “door de enkele uitbreiding van de periode waarin verdachte in cocaïne heeft gehandeld, de juridische aard noch de gedraging van de verdachte zodanig is gewijzigd dat daardoor geen sprake meer zou zijn van hetzelfde feit als bedoeld in artikel 68 Sr”. Dat oordeel getuigt in het licht van wat onder 2.3 is vooropgesteld van een onjuiste rechtsopvatting. Daarbij is van belang dat de uitbreiding van die periode (van ongeveer dertien dagen naar ongeveer een jaar) tot gevolg heeft dat de tenlastelegging mede ziet op afzonderlijke strafbare gedragingen van de verdachte – kort gezegd bestaande uit meerdere drugsverkopen gedurende een periode van meer dan elf maanden – die buiten het bereik van de oorspronkelijke tenlastelegging vielen.

Het cassatiemiddel slaagt.

3. Beoordeling van het tweede cassatiemiddel

Gelet op de beslissing die hierna volgt, is bespreking van het cassatiemiddel niet nodig.

4. Beslissing

De Hoge Raad:

- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de beslissingen over het in de zaak met parketnummer 03/720987-18 onder 4 tenlastegelegde en de strafoplegging;

- wijst de zaak terug naar het gerechtshof ’s-Hertogenbosch, opdat de zaak ten aanzien daarvan opnieuw wordt berecht en afgedaan;

- verwerpt het beroep voor het overige.

Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren A.L.J. van Strien en C.N. Dalebout, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 14 juli 2026.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl SR-Updates.nl 2026-0268 RvdW 2026/895
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand