ECLI:NL:HR:2026:1220

ECLI:NL:HR:2026:1220

Instantie Hoge Raad
Datum uitspraak 14-07-2026
Datum publicatie 09-07-2026
Zaaknummer 24/02800
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Cassatie
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:PHR:2026:497

Samenvatting

Medeplegen diefstal van lokportemonnee, art. 311.1.4 Sr. Tallon-criterium, verbod op uitlokking. Verweer (strekkende tot niet-ontvankelijkverklaring OM in vervolging) dat verdachte door inzet van lokportemonnee is gebracht tot andere handelingen dan waarop zijn opzet tevoren al was gericht. Voor rechtmatige inzet van voorwerp zoals lokportemonnee om personen die zich schuldig maken aan diefstal op heterdaad te kunnen betrappen, is onder meer vereist dat verdachte door inzet van voorwerp niet is gebracht tot andere handelingen dan die waarop zijn opzet tevoren al was gericht (vgl. HR:2018:62). Daarbij is van belang dat mogelijkheid dat dit voorwerp de verdachte op idee heeft gebracht om het weg te nemen, niet betekent dat zijn opzet niet al was gericht op diefstal van zo’n voorwerp (vgl. HR:2019:149). Uit ‘s hofs vaststellingen volgt dat door verbalisanten, nadat zij verdachte en mededader bij supermarkt hadden waargenomen en door hen was geconstateerd dat verdachte en mededader mogelijk vermogensdelicten wilden begaan, koffer is geplaatst met daarop tas en in zijvak van die tas duidelijk zichtbaar portemonnee waaruit iets (geld) stak. Die portemonnee (met inhoud) is vervolgens weggenomen door verdachte en mededader. Hof heeft geoordeeld dat met het onder deze omstandigheden en op deze manier inzetten van lokportemonnee de verdachte niet is gebracht tot andere handelingen dan die waarop zijn opzet tevoren al was gericht. Dat oordeel getuigt, in het licht van wat hiervoor is overwogen, niet van onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk. Volgt verwerping.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

STRAFKAMER

Nummer 24/02800

Datum 14 juli 2026

ARREST

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 4 juli 2024, nummer 21-000963-22, in de strafzaak

tegen

[verdachte] ,

geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1993,

hierna: de verdachte.

1. Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft de advocaat M.J. Lamers bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld.

De advocaat-generaal V.M.A. Sinnige heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

2. Beoordeling van het cassatiemiddel

Het cassatiemiddel klaagt over de verwerping door het hof van het verweer dat de verdachte door de inzet van een lokportemonnee is gebracht tot andere handelingen dan waarop zijn opzet tevoren al was gericht.

Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:

“hij op 19 februari 2022 te [plaats] tezamen en in vereniging met een ander, een portemonnee (met inhoud), die aan politie (Landelijke Eenheid) toebehoorde heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen.”

Het hof heeft het in het cassatiemiddel bedoelde verweer als volgt samengevat en verworpen:

“De verdediging heeft aangevoerd dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vervolging. Daartoe is aangevoerd dat de politie een lokmiddel op onrechtmatige wijze heeft ingezet. De lokkoffer met de loktas met in een zijvak van die tas een uitstekende lokportemonnee is op zo’n manier geplaatst dat er zichtbaar geld uit de portemonnee stak. Hierdoor paste het lokmiddel niet in het normale straatbeeld. Daarmee is het Tallon-criterium geschonden en is verdachte gebracht tot ander handelen dan waarop zijn opzet was gericht.

(...)

Het hof stelt op basis van de beelden vast dat een koffer is geplaatst met daarop een tas en in een zijvak van die tas – duidelijk zichtbaar – een portemonnee. Deze wijze van het inzetten van een lokportemonnee gebeurt vaker en is rechtmatig. Verder is op de beelden te zien dat aan de bovenkant van de portemonnee een witte rand te zien is. Er steekt dus iets uit de portemonnee. Dat uit de portemonnee iets uitsteekt (geld), is niet zo ongebruikelijk dat het niet past in het normale straatbeeld. Het is een feit van algemene bekendheid dat een meegedragen portemonnee kostbare zaken bevat, zoals contant geld, bankpassen en identiteitsbewijzen, ongeacht of deze zaken nou wel of niet van buitenaf zichtbaar zijn. Het hof is van oordeel dat verdachte niet is verleid of gebracht tot het begaan van een strafbaar feit, terwijl zijn opzet van tevoren daar niet van tevoren al op was gericht. Daarbij is ook van belang dat verbalisanten het lokmiddel pas hebben ingezet nadat was waargenomen dat [medeverdachte] uit een prullenbak door anderen weggegooide kassabonnen pakte en daarmee de Albert Heijn inliep in gezelschap van verdachte, en de verbalisanten er op grond van deze waarneming van uitgingen dat verdachte en [medeverdachte] kennelijk vermogensdelicten wilden plegen. Het Tallon-criterium is aldus niet geschonden. De inzet van het lokmiddel was rechtmatig.”

Voor de rechtmatige inzet van een voorwerp zoals een lokportemonnee om personen die zich schuldig maken aan diefstal op heterdaad te kunnen betrappen, is onder meer vereist dat de verdachte door de inzet van het voorwerp niet is gebracht tot andere handelingen dan die waarop zijn opzet tevoren al was gericht (vgl. HR 23 januari 2018, ECLI:NL:HR:2018:62). Daarbij is van belang dat de mogelijkheid dat dit voorwerp de verdachte op het idee heeft gebracht om het weg te nemen, niet betekent dat zijn opzet niet al was gericht op de diefstal van zo’n voorwerp (vgl. HR 12 februari 2019, ECLI:NL:HR:2019:149).

Uit de vaststellingen van het hof volgt dat door de verbalisanten, nadat zij de verdachte en de mededader bij een supermarkt hadden waargenomen en door hen was geconstateerd dat de verdachte en de mededader mogelijk vermogensdelicten wilden begaan, een koffer is geplaatst met daarop een tas en in een zijvak van die tas duidelijk zichtbaar een portemonnee waaruit iets (geld) stak. Die portemonnee (met inhoud) is vervolgens weggenomen door de verdachte en de mededader. Het hof heeft geoordeeld, kort gezegd, dat met het onder deze omstandigheden en op deze manier inzetten van een lokportemonnee de verdachte niet is gebracht tot andere handelingen dan die waarop zijn opzet tevoren al was gericht. Dat oordeel getuigt, in het licht van wat hiervoor onder 2.3 is overwogen, niet van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk.

Het cassatiemiddel faalt.

3. Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren T.B. Trotman en R. Kuiper, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 14 juli 2026.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl SR-Updates.nl 2026-0266 RvdW 2026/901 NJ 2026/236
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand