ECLI:NL:HR:2026:1223

ECLI:NL:HR:2026:1223

Instantie Hoge Raad
Datum uitspraak 14-07-2026
Datum publicatie 09-07-2026
Zaaknummer 24/03646
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Cassatie
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:PHR:2026:526

Samenvatting

Art. 416.2 Sv na veroordeling t.z.v. gevaar in verkeer veroorzaken (art. 5a WVW 1994), verlaten plaats ongeval (art. 7.1.b WVW 1994), rijden onder invloed (art. 8.1 WVW 1994) en rijden terwijl verdachte wist dat zijn rijbewijs ongeldig was verklaard (art. 9.2 WVW 1994). Aanwezigheidsrecht. Na betekening dagvaarding in hoger beroep d.m.v. uitreiking aan medewerker OM maar vóór tz. in h.b. heeft verdachte zich alsnog op adres ingeschreven in BRP. Kon hof (enkelvoudige kamer) aannemen dat verdachte geen (BRP-)adres had en verstek verlenen tegen niet verschenen verdachte? Als dagvaarding van verdachte die geen bekende woon- of verblijfplaats in Nederland heeft, rechtsgeldig is betekend en verdachte niet ttz. is verschenen en zijn raadsman ook niet, kan rechter (behalve bij duidelijke aanwijzingen van tegendeel) uitgaan van vermoeden dat verdachte vrijwillig afstand heeft gedaan van zijn recht om in zijn aanwezigheid te worden berecht (vgl. HR:2002:AD5163). Mogelijkheid bestaat echter dat achteraf moet worden vastgesteld dat aan recht van verdachte om in zijn aanwezigheid te worden berecht, is tekortgedaan. Dit kan zich voordoen als verdachte na rechtsgeldige betekening van dagvaarding aan medewerker OM maar voor aanvang van onderzoek ttz. alsnog in BRP is ingeschreven, zonder dat dit rechter bekend was (vgl. HR:2015:3347). Hof heeft met vermelding in p-v van tz. in h.b. dat verdachte “zonder bekende woon- of verblijfplaats hier te lande” is, kennelijk tot uitdrukking gebracht dat van verdachte t.t.v. betekening van dagvaarding in h.b. en onderzoek ttz. in h.b. geen inschrijving in BRP en ook geen (feitelijke) woon- of verblijfplaats bekend was. Uit informatiestaat SKDB-persoon (die aan verstekmededeling van ‘s hofs arrest is gehecht) moet echter worden afgeleid dat verdachte op moment van behandeling van zijn strafzaak in h.b. in BRP al was ingeschreven op adres. Gelet hierop is ‘s hofs oordeel dat van verdachte geen inschrijving in BRP en ook geen (feitelijke) woon- of verblijfplaats bekend was, zodat verstek kon worden verleend tegen niet-verschenen verdachte en met behandeling van zaak kon worden voortgegaan, achteraf bezien onjuist. Volgt vernietiging en terugwijzing.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

STRAFKAMER

Nummer 24/03646

Datum 14 juli 2026

ARREST

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 1 augustus 2024, nummer 21-001144-24, in de strafzaak

tegen

[verdachte] ,

geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1989,

hierna: de verdachte.

1. Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft de advocaat F. Visser bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld.

De advocaat-generaal D.J.C. Aben heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, opdat de zaak opnieuw wordt berecht en afgedaan.

2. Beoordeling van het cassatiemiddel

Het cassatiemiddel klaagt over de beslissing van het hof tot het verlenen van verstek tegen de niet-verschenen verdachte.

Uit de stukken volgt onder meer dat:

- de dagvaarding in hoger beroep voor de terechtzitting van 1 augustus 2024 op 17 juni 2024, 22 juni 2024 en 26 juni 2024 tevergeefs is aangeboden op het – in de akte instellen hoger beroep vermelde – adres [a-straat 1] in [plaats] en vervolgens op 4 juli 2024 is uitgereikt aan een medewerker van het openbaar ministerie en dat op 4 juli 2024 een afschrift van de dagvaarding is verzonden naar dit adres in [plaats] ;

- de informatiestaten SKDB-persoon van 4 juli 2024 en 29 juli 2024, die aan de dagvaarding in hoger beroep zijn gehecht, inhouden dat de verdachte niet was gedetineerd, dat hij met ingang van 29 augustus 2022 niet is ingeschreven in de basisregistratie personen (hierna: BRP) en dat van hem geen woon- of verblijfplaats bekend is;

- een informatiestaat SKDB-persoon van 20 augustus 2024, die aan de verstekmededeling van het arrest van het hof is gehecht, inhoudt dat de verdachte met ingang van 31 juli 2024 in de BRP is ingeschreven op het adres [b-straat 1] in [plaats] .

Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 1 augustus 2024 houdt onder meer in:

“De verdachte genaamd:

(...)

zonder bekende woon- of verblijfplaats hier te lande,

is niet verschenen.

Hoewel correct opgeroepen, is de raadsman van verdachte, mr. R. van Veen, advocaat te Utrecht, evenmin ter terechtzitting verschenen.

Op vordering van de advocaat-generaal verleent het hof verstek tegen de niet verschenen verdachte en beveelt dat het onderzoek wordt voortgezet.

(...)

De voorzitter verklaart het onderzoek gesloten en doet meteen uitspraak.”

Als de dagvaarding van de verdachte die geen bekende woon- of verblijfplaats in Nederland heeft, rechtsgeldig is betekend en de verdachte niet op de terechtzitting is verschenen en zijn raadsman ook niet, kan de rechter – behalve bij duidelijke aanwijzingen van het tegendeel – uitgaan van het vermoeden dat de verdachte vrijwillig afstand heeft gedaan van zijn recht om in zijn aanwezigheid te worden berecht (vgl. HR 12 maart 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD5163, rechtsoverweging 3.33). De mogelijkheid bestaat echter dat achteraf moet worden vastgesteld dat aan het recht van de verdachte om in zijn aanwezigheid te worden berecht, is tekortgedaan. Dit kan zich voordoen als de verdachte na de rechtsgeldige betekening van de dagvaarding aan een medewerker van het openbaar ministerie, maar voor de aanvang van het onderzoek op de terechtzitting alsnog in de BRP is ingeschreven, zonder dat dit de rechter bekend was (vgl. HR 24 november 2015, ECLI:NL:HR:2015:3347).

Het hof heeft met de vermelding in het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep dat de verdachte “zonder bekende woon- of verblijfplaats hier te lande” is, kennelijk tot uitdrukking gebracht dat van de verdachte ten tijde van de betekening van de dagvaarding in hoger beroep en het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep geen inschrijving in de BRP en ook geen (feitelijke) woon- of verblijfplaats bekend was. Uit de onder 2.2.1 vermelde informatiestaat SKDB-persoon van 20 augustus 2024 moet echter worden afgeleid dat de verdachte op het moment van de behandeling van zijn strafzaak in hoger beroep op 1 augustus 2024 in de BRP al was ingeschreven op het adres [b-straat 1] in [plaats] . Gelet hierop is het oordeel van het hof dat van de verdachte geen inschrijving in de BRP en ook geen (feitelijke) woon- of verblijfplaats bekend was, zodat verstek kon worden verleend tegen de niet-verschenen verdachte en met de behandeling van de zaak kon worden voortgegaan, achteraf bezien onjuist.

Het cassatiemiddel slaagt.

3. Beslissing

De Hoge Raad:

- vernietigt de uitspraak van het hof;

- wijst de zaak terug naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, opdat de zaak opnieuw wordt berecht en afgedaan.

Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren M. Kuijer en R. Kuiper, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 14 juli 2026.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl SR-Updates.nl 2026-0264 RvdW 2026/918
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand