HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer 25/00146
Datum 13 februari 2026
ARREST
in de zaak van
[X4] (hierna: belanghebbende)
tegen
de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam van 3 december 2024, nrs. 24/3132 tot en met 24/3135, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Noord-Holland (nrs. HAA 22/5158 tot en met HAA 22/5161), betreffende de inhouding van loonbelasting over de tijdvakken februari, maart, april en mei 2021.
1. Geding in cassatie
Belanghebbende, vertegenwoordigd door D.R. Hauser en M. van den Beucken, heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staatssecretaris, vertegenwoordigd door [P], heeft een verweerschrift ingediend.
De Advocaat-Generaal M.R.T. Pauwels heeft op 14 november 2025 geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep in cassatie.
2. Uitgangspunten in cassatie
Belanghebbende is uit het buitenland aangeworven door zijn in Nederland gevestigde werkgever (hierna: de werkgever). Met dagtekening 8 februari 2012 heeft de inspecteur van de Belastingdienst Limburg/kantoor buitenland een beschikking gegeven waarin is bepaald dat belanghebbende in aanmerking komt voor toepassing van de bewijsregel extraterritoriale (ingekomen) werknemers. Dit betreft de zogenoemde 30%-regeling ingekomen werknemers, die is opgenomen in Hoofdstuk 4a van het Uitvoeringsbesluit loonbelasting 1965 (hierna: de 30%-regeling).
In de beschikking is vermeld dat deze geldt voor de tewerkstelling door de werkgever van 1 december 2011 tot en met 30 november 2021. Dat is in overeenstemming met de toen geldende wettelijke regeling, op grond waarvan de 30%-regeling een maximumlooptijd had van tien jaar. Ook is in deze beschikking vermeld dat zij geldig is onder voorbehoud van wijziging in wet- en regelgeving.
In juni 2018 heeft de Belastingdienst, afdeling Centrale Administratieve Processen, aan belastingplichtigen met een beschikking op grond van de 30%-regeling een brief gestuurd om hen te informeren over het voornemen van het kabinet om per 1 januari 2019 de looptijd van die regeling te verkorten naar vijf jaar.
Bij Wet van 19 december 2018 (Belastingplan 2019), Stb. 2018, 504, is met ingang van 1 januari 2019 in de delegatiebepaling van (destijds) artikel 31a, lid 7, van de Wet op de loonbelasting 1964 geregeld dat de 30%-regeling voor een werknemer gedurende ten hoogste vijf jaar kan gelden. In artikel XIV van het Belastingplan 2019 is een overgangsbepaling opgenomen die inhoudt dat voor de werknemer die uiterlijk op 31 december 2018 een vergoeding genoot waarop volgens de toen geldende wettelijke regeling de 30%-regeling van toepassing was met een maximumlooptijd van acht of tien jaar, die eerdere regeling van toepassing blijft tot en met uiterlijk 31 december 2020. Overeenkomstige regels zijn opgenomen in het Uitvoeringsbesluit loonbelasting 1965 (hierna: het Besluit).
In december 2018 is door de Belastingdienst aan belastingplichtigen met een 30%-beschikking een brief gestuurd om hen te informeren dat het wetsvoorstel over de 30%-regeling is aangenomen, en wat de gevolgen daarvan zijn voor de looptijd van de 30%-regeling. In die brief is vermeld dat een overgangsregeling geldt, en dat de nieuwe einddatum van de 30%-regeling afhangt van de einddatum op de beschikking die de betrokkene indertijd heeft gekregen. Uit een overzicht dat in deze brief is opgenomen volgt dat in gevallen zoals dit, waarin de einddatum van de beschikking valt in 2021, de nieuwe einddatum 31 december 2020 zal zijn.
Per 1 november 2019 is belanghebbende in dienst getreden bij een andere werkgever (hierna: de nieuwe werkgever).
Met dagtekening 6 januari 2020 heeft de inspecteur van de Belastingdienst Limburg/kantoor buitenland een beschikking gegeven waarin is bepaald dat belanghebbende voor zijn tewerkstelling bij de nieuwe werkgever in aanmerking komt voor toepassing van de 30%-regeling met een looptijd van 1 november 2019 tot en met 31 december 2020. Tegen deze beschikking (hierna: de tweede 30%-beschikking) is geen bezwaar gemaakt.
Met ingang van 1 januari 2021 heeft de nieuwe werkgever bij de inhouding van loonheffing op het loon van belanghebbende de 30%-regeling niet langer toegepast.
Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen de inhouding van loonheffing door de nieuwe werkgever op zijn loon over februari, maart, april en mei 2021. De daartegen gerichte bezwaren van belanghebbende zijn door de Inspecteur ongegrond verklaard.
3. De oordelen van de Rechtbank
Voor de Rechtbank was in geschil of de 30%-regeling kon worden toegepast bij de inhouding van loonheffing van belanghebbende over de tijdvakken februari, maart, april en mei 2021. Het geschil spitste zich toe op de vragen (i) of de hiervoor in 2.4 vermelde wetswijziging die heeft geleid tot verkorting van de maximale looptijd van de 30%-regeling, onrechtmatig is ten aanzien van belastingplichtigen als belanghebbende, aan wie op grond van de eerder geldende wettelijke regeling toepassing van de 30%-regeling voor een langere termijn is toegestaan, en (ii) of belanghebbende daarom recht heeft op toepassing van de 30%-regeling tot en met 30 november 2021, de datum genoemd in de hiervoor in 2.2 vermelde beschikking.
Belanghebbende betoogde dat de wetswijziging onrechtmatig is omdat het daarbij behorende beperkte overgangsrecht strijdig is met algemene rechtsbeginselen, het verdragsrechtelijke verbod van discriminatie van artikel 14 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: het EVRM) en van artikel 26 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, en bovendien een inbreuk vormt op het eigendomsrecht van artikel 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM.
De Inspecteur betoogde dat het overgangsrecht geen inbreuk maakt op algemene rechtsbeginselen en evenmin op enige verdragsbepaling. Verder stelde de Inspecteur zich op het standpunt dat de tweede 30%-beschikking onherroepelijk is komen vast te staan, zodat de inhoudingen juist zijn.
De Rechtbank heeft geoordeeld dat de overgangsregeling in artikel XIV Belastingplan 2019 niet in strijd is met de door belanghebbende ingeroepen algemene rechtsbeginselen en verdragsbepalingen. Om die reden heeft de Rechtbank het beroep ongegrond verklaard, en geoordeeld dat de overige geschilpunten geen bespreking meer behoeven.
4. De oordelen van het Hof
Voor het Hof waren dezelfde punten in geschil als bij de Rechtbank.
Het Hof heeft zijn oordeel beperkt tot het standpunt van de Inspecteur dat de tweede 30%-beschikking onherroepelijk is komen vast te staan.
Naar het oordeel van het Hof is een beschikking als bedoeld in artikel 10ei, lid 1, van het Besluit een constitutief vereiste voor toepassing van de 30%-regeling, zodat die regeling bij gebreke aan een goedkeurende beschikking geen toepassing kan vinden.
Het Hof heeft verder vastgesteld dat de tweede 30%-beschikking onherroepelijk vaststaat omdat daartegen geen bezwaar is gemaakt, dat deze beschikking een looptijd had tot 1 januari 2021, en dat voor de tijdvakken daarna geen beschikking is vastgesteld.
Reeds op grond van dit een en ander kan de 30%-regeling voor die tijdvakken geen toepassing vinden, aldus het Hof. Daarom behoeft alles wat belanghebbende heeft aangevoerd tegen de wetswijziging waarbij de maximale looptijd van de 30%-regeling is terug gebracht tot vijf jaar, naar het oordeel van het Hof geen bespreking.
5. Beoordeling van het middel
Het middel richt zich tegen de hiervoor in 4.2 weergegeven oordelen van het Hof. Het middel faalt op de gronden die zijn vermeld in de onderdelen 10.5 tot en met 10.9 van de conclusie van de Advocaat-Generaal.
6. Proceskosten
De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
7. Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de raadsheer M.W.C. Feteris als voorzitter, en de raadsheren M.T. Boerlage en A.E.H. van der Voort Maarschalk, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier J.P.J. van Kampen, en in het openbaar uitgesproken op 13 februari 2026.