HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CIVIELE KAMER
Nummer 25/01531
Datum 10 juli 2026
ARREST
In de zaak van
WONINGSTICHTING ROCHDALE,
gevestigd te Amsterdam,
EISERES tot cassatie,
hierna: Rochdale,
advocaat: J. den Hoed,
tegen
[huisgenoot] ,
wonende te [woonplaats] ,
VERWEERDER in cassatie,
hierna: [huisgenoot] ,
niet verschenen.
1. Procesverloop
Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar:
a. het vonnis in de zaak 11204445 \ KK EXPL 24-493 van de rechtbank Amsterdam van 4 september 2024;
b. het arrest in de zaak 200.346.808/01 SKG van het gerechtshof Amsterdam van 25 februari 2025.
Rochdale heeft tegen het arrest van het hof beroep in cassatie ingesteld.
Tegen [huisgenoot] is verstek verleend.
De zaak is voor Rochdale toegelicht door haar advocaat.
De conclusie van de Advocaat-Generaal W.L. Valk strekt tot vernietiging van het bestreden arrest en tot verwijzing.
De advocaat van Rochdale heeft schriftelijk op die conclusie gereageerd.
2. Uitgangspunten en feiten
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
(i) Rochdale heeft aan de grootmoeder van [huisgenoot] een sociale huurwoning in Amsterdam (hierna: de woning) verhuurd.
(ii) De grootmoeder is in januari 2017 overleden.
(iii) In mei 2024 heeft Rochdale van de gemeente vernomen dat de grootmoeder is overleden.
(iv) Rochdale heeft de erven van de grootmoeder bericht dat zij zonder recht of titel in de woning verblijven en hen gesommeerd de woning uiterlijk op 10 juni 2024 te verlaten.
(v) [huisgenoot] heeft Rochdale laten weten dat hij de huurovereenkomst van zijn grootmoeder wenst voort te zetten en dat hij de woning niet zal verlaten.
In dit kort geding vordert Rochdale dat [huisgenoot] wordt veroordeeld tot ontruiming van de woning.
Bij vonnis van 4 september 2024 heeft de kantonrechter [huisgenoot] veroordeeld de woning te ontruimen binnen een termijn van zes maanden, te weten uiterlijk op 4 maart 2025.
Het hof heeft het vonnis van de kantonrechter vernietigd en de vordering van Rochdale afgewezen. Het hof heeft daartoe het volgende overwogen.
[huisgenoot] heeft inmiddels een bodemprocedure aanhangig gemaakt waarin hij vordert de huur voort te zetten op grond van art. 7:268 lid 2 BW. Ingevolge art. 7:268 lid 2 BW wordt de huur na het overlijden van de huurder voortgezet, zolang niet onherroepelijk op de vordering tot voortzetting van de huur is beslist. De vordering tot ontruiming kan daarom thans in kort geding niet worden toegewezen. Door in kort geding vooruit te lopen op het oordeel van de bodemrechter, zou het hof de bescherming die de wetgever met art. 7:268 lid 2 BW heeft beoogd doorkruisen. (rov. 5.3)
3. Beoordeling van het middel
Onderdeel 2 van het middel is gericht tegen het oordeel van het hof in rov. 5.3 dat in kort geding niet op het oordeel van de bodemrechter vooruit kan worden gelopen omdat daarmee de bescherming die de wetgever met art. 7:268 lid 2 BW heeft beoogd, zou worden doorkruist. Het onderdeel klaagt onder meer dat dit oordeel blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting, omdat de rechter in kort geding zich in beginsel dient te richten naar de waarschijnlijke uitkomst van de bodemprocedure.
Art. 7:268 lid 2 BW bepaalt, voor zover van belang, dat bij het overlijden van de huurder van woonruimte de persoon die geen medehuurder was, maar die wel in de woonruimte zijn hoofdverblijf heeft en met de overleden huurder een duurzame gemeenschappelijke huishouding had (hierna: de achterblijvende samenwoner), de huurovereenkomst voortzet gedurende zes maanden na het overlijden van de huurder. Hij zet de overeenkomst ook nadien voort, indien de rechter dit heeft bepaald op een daartoe strekkende binnen die termijn ingestelde vordering, en in elk geval zolang op deze vordering niet onherroepelijk is beslist.
De achterblijvende samenwoner die op de voet van art. 7:268 lid 2 BW de huur voortzet, is verplicht daarvan mededeling te doen aan de verhuurder (art. 7:270a BW).
De rechter in kort geding is in alle spoedeisende zaken waarin, gelet op de belangen van partijen, een onmiddellijke voorziening bij voorraad wordt vereist, bevoegd deze te geven (art. 254 Rv). Het bepaalde in art. 7:268 lid 2 BW dat de achterblijvende samenwoner de huurovereenkomst voortzet zolang niet onherroepelijk is beslist op diens vordering tot voortzetting van de huur, staat er niet aan in de weg dat de rechter in kort geding een vordering tot ontruiming tegen een achterblijvende samenwoner, hangende een bodemprocedure waarin deze op de voet van art. 7:268 lid 2 BW voortzetting van de huurovereenkomst vordert, toewijst als hij evident acht dat die vordering in de bodemprocedure zal worden afgewezen.
Uit hetgeen hiervoor in 3.2.2 is overwogen, volgt dat onjuist is de opvatting van het hof dat als de achterblijvende samenwoner een vordering tot voortzetting van de huur heeft ingesteld en daarop nog niet onherroepelijk is beslist, art. 7:268 lid 2 BW zonder meer in de weg staat aan een veroordeling in kort geding van de achterblijvende samenwoner tot ontruiming. De hiervoor in 3.1 weergegeven klacht slaagt daarom.
Het slagen van de hiervoor in 3.1 weergegeven klacht brengt mee dat de overige klachten geen behandeling behoeven.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
- vernietigt het arrest van het gerechtshof Amsterdam van 25 februari 2025;
- verwijst het geding naar het gerechtshof Den Haag ter verdere behandeling en beslissing;
- veroordeelt [huisgenoot] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van Rochdale begroot op € 1.049,47 aan verschotten en € 2.600,-- voor salaris.
Dit arrest is gewezen door de president G. de Groot als voorzitter en de raadsheren H.M. Wattendorff, S.J. Schaafsma, G.C. Makkink en K. Teuben, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer F.R. Salomons op 10 juli 2026.