HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer 25/01717
Datum 10 juli 2026
ARREST
in de zaak van
[X] (hierna: belanghebbende)
tegen
de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam van 27 maart 2025, nr. 23/430, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Noord-Holland (nr. HAA 21/5857) betreffende de aan belanghebbende voor het jaar 2017 opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen, de daarbij gegeven boetebeschikking en de daarbij gegeven beschikking inzake belastingrente.
1. Geding in cassatie
Belanghebbende, vertegenwoordigd door T.C. van Wagensveld, heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staatssecretaris, vertegenwoordigd door [P], heeft een verweerschrift ingediend.
Op 12 december 2025 heeft Advocaat-Generaal P.J. Wattel geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep in cassatie.
2. Uitgangspunten in cassatie
Bij een onherroepelijk geworden strafvonnis van de Rechtbank Oost-Brabant is belanghebbende veroordeeld voor Opiumwetdelicten, wapenbezit en witwassen. De strafrechter heeft daarbij een auto en contanten (hierna: de auto en de contanten) verbeurdverklaard op grond van artikel 33a, lid 1, Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) en in dat verband overwogen dat met betrekking tot deze voorwerpen de bewezenverklaarde feiten zijn begaan.
De Inspecteur heeft aan belanghebbende voor het jaar 2017 een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd. Daarbij is rekening gehouden met de uitkomsten van een vermogensvergelijking die de Inspecteur heeft opgesteld met gebruikmaking van de feiten uit het strafvonnis. In die vermogensvergelijking zijn de aankoop van de auto en de contanten meegenomen.
3. De oordelen van het Hof
Voor het Hof was onder meer in geschil of het discriminatieverbod van artikel 14 EVRM is geschonden doordat de Inspecteur geen aftrek van kosten heeft toegestaan voor de verbeurdverklaarde auto en contanten, terwijl de Wet IB 2001 in gevallen van ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel wel voorziet in een recht op aftrek.
Het Hof heeft – in navolging van de Rechtbank – geoordeeld dat een schending van artikel 14 EVRM zich in het geval van belanghebbende niet voordoet. Voor zover al sprake is van gelijke gevallen en een ongelijke behandeling daarvan, heeft belanghebbende volgens het Hof onvoldoende feiten en omstandigheden gesteld die kunnen leiden tot het oordeel dat de regelgeving met betrekking tot de van de winst in aftrek uitgesloten kosten (artikel 3.14 Wet IB 2001) evident van redelijke grond is ontbloot. De wettelijke regeling maakt dat de aftrek van kosten die verband houden met een misdrijf, slechts niet is uitgesloten in gevallen van ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel, terwijl voor verbeurdverklaring niet een dergelijke regeling bestaat. Dit onderscheid acht het Hof op zich niet evident onredelijk.
4. Beoordeling van de middelen
Het tweede middel richt zich tegen het hiervoor in 3.2 weergegeven oordeel van het Hof. Het middel betoogt dat geen redelijke en objectieve rechtvaardiging bestaat voor een fiscaal afwijkende behandeling van de verbeurdverklaring van voorwerpen, waaronder bedragen, die kunnen worden aangemerkt als de baten van het strafbare feit, ten opzichte van de ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel uit een strafbaar feit.
Aan het middel ligt kennelijk de veronderstelling ten grondslag dat de strafrechter de auto en de contanten heeft verbeurdverklaard op de grond dat die voorwerpen geheel of grotendeels door middel van of uit de baten van de bewezenverklaarde feiten zijn verkregen, als bedoeld in artikel 33a, lid 1, aanhef en letter a, Sr (zogenoemde ontnemende verbeurdverklaring). Die veronderstelling berust op een onjuiste lezing van het strafvonnis. Uit dat vonnis volgt namelijk dat de verbeurdverklaring is opgelegd op de grond dat met betrekking tot die voorwerpen de bewezenverklaarde feiten zijn begaan, als bedoeld in artikel 33a, lid 1, aanhef en letter b, Sr. Reeds daarom faalt het middel. Of de aftrekbeperking van artikel 3.14 Wet IB 2001 met betrekking tot ontnemende verbeurdverklaringen in strijd is met het verbod van discriminatie, kan daarom in dit geval in het midden blijven.
De Hoge Raad heeft ook de overige klachten over de uitspraak van het Hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat ook deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie).
5. Proceskosten
De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
6. Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J.A.R. van Eijsden als voorzitter, en de raadsheren M.W.C. Feteris, M.T. Boerlage, T. Kooijmans en W.A.P. van Roij, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier J.A.J. Lafleur, en in het openbaar uitgesproken op 10 juli 2026.