ECLI:NL:HR:2026:1263

ECLI:NL:HR:2026:1263

Instantie Hoge Raad
Datum uitspraak 14-07-2026
Datum publicatie 10-07-2026
Zaaknummer 24/03133
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Cassatie
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:PHR:2026:595

Samenvatting

Bedreiging, art. 285.1 Sr. Vordering benadeelde partij t.z.v. immateriële schade (art. 6:106 BW) en oplegging schadevergoedingsmaatregel. Heeft hof aangegeven op welke in art. 6:106 BW vermelde grond de toewijzing van vordering b.p. is gebaseerd? Hof heeft vordering tot vergoeding van immateriële schade van b.p. als gevolg van bewezenverklaarde bedreiging toegewezen tot € 500, vermeerderd met wettelijke rente. Dat oordeel is ontoereikend gemotiveerd, mede in aanmerking genomen dat deze vordering namens verdachte gemotiveerd is betwist. Daarbij is van belang dat uit ’s hofs overwegingen niet kan worden afgeleid op welke in art. 6:106 BW vermelde grond en op welke door hof vastgestelde omstandigheden het hof de toewijzing van vordering b.p. heeft gebaseerd (vgl. HR:2026:822). Dat brengt mee dat ook oplegging van de in art. 36f Sr voorziene maatregel niet in stand kan blijven (vgl. HR:2019:901). Volgt (partiële) vernietiging en terugwijzing t.a.v. vordering b.p. en oplegging van schadevergoedingsmaatregel.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

STRAFKAMER

Nummer 24/03133

Datum 14 juli 2026

ARREST

op het beroep in cassatie tegen arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 29 juli 2024, nummer 21-004305-22, in de strafzaak

tegen

[verdachte] ,

geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1962,

hierna: de verdachte.

1. Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft de advocaat J. Kuijper bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.

De advocaat-generaal P.M. Frielink heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de beslissingen tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, teneinde de zaak enkel ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij en de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel opnieuw te berechten en af te doen, en tot verwerping van het cassatieberoep voor het overige.

2. Beoordeling van het eerste en het tweede cassatiemiddel

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).

3. Beoordeling van het derde cassatiemiddel

Het cassatiemiddel klaagt over de toewijzing door het hof van de vordering tot vergoeding van immateriële schade van de [benadeelde] en de in verband daarmee opgelegde schadevergoedingsmaatregel wegens het onder 1 bewezenverklaarde.

Ten laste van de verdachte is onder 1 bewezenverklaard dat:

“hij op 5 mei 2022 te [plaats] , [benadeelde] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door “sorry zeggen anders gaat het pijn doen” en door een gasdrukgeweer op die [benadeelde] te richten.”

Bij de stukken bevindt zich een ‘Verzoek tot Schadevergoeding’ van de benadeelde partij. Het bij dat verzoek gevoegde Schade-onderbouwingsformulier houdt onder meer in:

“Psychische gevolgen

Het gebeuren heeft een grote impact op het leven van benadeelde. Hij ervaart hierdoor stress, angst, en herbelevingen.

De nacht na het incident had benadeelde een nachtmerrie, benadeelde heeft normaal gesproken nooit last van nachtmerries. Hij is alert geworden in zijn dagelijkse leven en schrikt elke keer als hij dezelfde auto als verdachte voorbij ziet rijden.

Verdachte is erachter gekomen hoe benadeelde heet en heeft contact opgezocht met de werkgevers van benadeelde. Dat heeft ervoor gezorgd dat 1 van zijn werkgevers het contract opgezegd heeft. Benadeelde vindt dat heel vervelend en ook beangstigend. Vooral omdat benadeelde niet weet hoe verdachte aan deze informatie gekomen is.

Benadeelde hield zich groot na het incident maar sinds een paar weken lukt dat niet meer en gaat het niet goed met hem. Benadeelde loopt sinds 15 mei 2022 bij een psycholoog en er is een depressie geconstateerd. Hij heeft tot op heden elke week 1 sessie bij de psycholoog. In totaal heeft benadeelde 18 sessie achter de rug.

Benadeelde hoopt na de zitting rustig verder te gaan met zijn leven en deze gebeurtenis een plekje te geven.

Bijlage 2: verklaring psycholoog GGZ portaal

Immateriële schade

Wettelijke grondslag immateriële schadevergoeding

Bedreiging

Benadeelde maakt aanspraak op vergoeding van de geleden immateriële schade, omdat in artikel 6:106 sub a BW wordt gesproken over ‘het oogmerk zodanig nadeel toebrengen’. Uit het strafdossier blijkt dat verdachte met het uiten van de bedreiging zowel de bedoeling had (het oogmerk) om benadeelde vrees aan te jagen als het oogmerk om benadeelde immateriële schade toe te brengen. Benadeelde gebruikte een gasdrukgeweer om zijn bedreiging kracht bij te zetten. Hierdoor had benadeelde de angst dat verdachte daadwerkelijk van plan was om zijn bedreiging uit te voeren.

(...)

Dit leidt tot de conclusie dat de immateriële schade van benadeelde gezien de omstandigheden, de ernst en de gevolgen in billijkheid is te stellen op € 500,00 en thans opeisbaar is.

Totale immateriële schade € 500,00”

De bij het verzoek gevoegde bijlage 2 houdt onder meer in:

“Bijlage 2: verklaring psycholoog GGZ portaal

(...)

Vorige week incident met iemand op de weg, de ander trok uiteindelijk wapen, zette dit op zijn hoofd, toen wel bang maar daarna heel erg boos, is dit nog steeds. En sindsdien is hij ook erg alert en heeft hij een korter lontje. Slaapt ook slecht.

Kan niet normaal met agressie omgaan.

Zorgmelding gemaakt bij politie over pt.”

Volgens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 15 juli 2024 heeft de raadsvrouw van de verdachte daar het woord gevoerd overeenkomstig de bij de stukken gevoegde pleitnota. Deze pleitnota houdt onder meer in:

“29. Aangezien de verdediging vrijspraak heeft bepleit van het onder feit 1 ten laste gelegde verzoekt de verdediging Uw Hof om de vordering van de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren.

30. Subsidiair stelt de verdediging zich op het standpunt dat de vordering ter hoogte van € 500,-- onvoldoende is onderbouwd en om die reden eveneens niet-ontvankelijk dient te worden verklaard dan wel afgewezen. De benadeelde partij heeft zelf de eerste confrontatie met cliënt opgezocht en zodoende is er wat de verdediging betreft sprake van enige mate van eigen schuld waardoor de vordering op z’n minst genomen gematigd zou moeten worden.”

Het hof heeft over de vordering tot vergoeding van immateriële schade van de benadeelde partij onder meer overwogen:

“De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding ter hoogte van € 500,00. De vordering is door de politierechter toegewezen. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd.

(...)

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft primair verzocht de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren vanwege de bepleite vrijspraak ter zake feit 1 en vanwege een gebrekkige onderbouwing van de vordering. Subsidiair is verzocht om het gevorderde bedrag te matigen, nu sprake zou zijn van enige mate van eigen schuld van de benadeelde partij door zelf eerst de confrontatie te zoeken.

Oordeel van het hof

Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 1 bewezenverklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering integraal zal worden toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente.”

Artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) luidt:

“Voor nadeel dat niet in vermogensschade bestaat, heeft de benadeelde recht op een naar billijkheid vast te stellen schadevergoeding:

a. indien de aansprakelijke persoon het oogmerk had zodanig nadeel toe te brengen;

b. indien de benadeelde lichamelijk letsel heeft opgelopen, in zijn eer of goede naam is geschaad of op andere wijze in zijn persoon is aangetast;

c. indien het nadeel gelegen is in aantasting van de nagedachtenis van een overledene en toegebracht is aan de niet van tafel en bed gescheiden echtgenoot, de geregistreerde partner of een bloedverwant tot in de tweede graad van de overledene, mits de aantasting plaatsvond op een wijze die de overledene, ware hij nog in leven geweest, recht zou hebben gegeven op schadevergoeding wegens het schaden van zijn eer of goede naam.”

Het hof heeft de vordering tot vergoeding van immateriële schade van de benadeelde partij als gevolg van de onder 1 bewezenverklaarde bedreiging toegewezen tot een bedrag van € 500, vermeerderd met de wettelijke rente. Dat oordeel is ontoereikend gemotiveerd, mede in aanmerking genomen dat deze vordering namens de verdachte gemotiveerd is betwist. Daarbij is van belang dat uit de overwegingen van het hof niet kan worden afgeleid op welke in artikel 6:106 BW vermelde grond en op welke door het hof vastgestelde omstandigheden het hof de toewijzing van de vordering van de benadeelde partij heeft gebaseerd (vgl. HR 2 juni 2026, ECLI:NL:HR:2026:822).Dat brengt mee dat ook de oplegging van de in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht voorziene maatregel niet in stand kan blijven (vgl. HR 18 juni 2019, ECLI:NL:HR:2019:901).

Het cassatiemiddel slaagt.

4. Beslissing

De Hoge Raad:

- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de beslissing over de vordering van de benadeelde partij en de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel;

- wijst de zaak terug naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, opdat de zaak ten aanzien daarvan opnieuw wordt berecht en afgedaan;

- verwerpt het beroep voor het overige.

Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren T. Kooijmans en C.N. Dalebout, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 14 juli 2026.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl SR-Updates.nl 2026-0257 RvdW 2026/917
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand