HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CIVIELE KAMER
Nummer 25/02605
Datum 17 juli 2026
ARREST
In de zaak van
1. [de maatschap] ,
gevestigd te [plaats] ,
hierna: [de maatschap] ,
2. [vennoot 1] ,
wonende te [plaats] ,
3. [vennoot 2] ,
wonende te [plaats] ,
4. [vennoot 3] ,
wonende te [plaats] ,
1 tot en met 4 hierna: [de maatschap en vennoten 1-3] ,
5. [vennoot 4] ,
wonende te [plaats] ,
hierna: [vennoot 4] ,
6. [BV van vennoot 4] ,
gevestigd te [plaats] ,
5 en 6 hierna: [vennoot 4 en diens BV] ,
EISERS tot cassatie,
advocaat: F.E. Vermeulen,
tegen
1. [BV van de klanten 1] ,
gevestigd te [plaats] ,
2. [BV van de klanten 2] ,
gevestigd te [plaats] ,
3. [klant 1] ,
wonende te [plaats] ,
hierna: [klant 1] ,
4. [klant 2] ,
wonende te [plaats] ,
hierna: [klant 2] ,
VERWEERDERS in cassatie,
hierna: [de klanten] ,
niet verschenen.
1. Procesverloop
Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar:
a. de vonnissen in de zaak C/01/353575/ HA ZA 19-783 van de rechtbank Oost-Brabant van 25 maart 2020, 16 juni 2021, 11 augustus 2021, 18 augustus 2021 en 5 april 2023;
b. de arresten in de zaak 200.329.535/01 van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 22 april 2025 en 29 juli 2025 (herstelarrest).
[de maatschap en vennoten 1-3] en [vennoot 4 en diens BV] hebben tegen het arrest van het hof beroep in cassatie ingesteld.
Tegen [de klanten] is verstek verleend.
De conclusie van de Advocaat-Generaal W.L. Valk strekt tot vernietiging van het bestreden arrest en tot verwijzing.
2. Uitgangspunten en feiten
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
(i) [de klanten] hebben om fiscale redenen boekwinst ondergebracht in een herinvesteringsreserve. [adviseur van klanten] (hierna: [adviseur van klanten] ) heeft hen geadviseerd over eventuele investeringen in landbouw- en veeteeltprojecten in Canada.
(ii) Rond de herinvestering hebben [de klanten] zich ook laten adviseren door [vennoot 4] , een bekende van [adviseur van klanten] , die toen verbonden was aan [de maatschap] .
(iii) [de klanten] hebben de herinvesteringsreserve vervolgens geïnvesteerd in drie agrarische projecten in Canada, waaronder het project ‘ [betrokkene 1] - [plaats 1] ’.
(iv) In het kader van de investering in [betrokkene 1] - [plaats 1] is aan [de klanten] een hypotheekrecht verleend. Dat hypotheekrecht is op 14 april 2009 doorgehaald, waartoe gebruik is gemaakt van een op 8 april 2009 gedateerde royementsvolmacht waarop handtekeningen staan bij de namen van [de klanten] en waarop de handtekening staat van [vennoot 4] als ‘witness’.
Voor zover in cassatie van belang vorderen [de klanten] in dit geding primair betaling van diverse bedragen door [de maatschap en vennoten 1-3] en [vennoot 4 en diens BV] en subsidiair een verklaring voor recht dat deze partijen onrechtmatig hebben gehandeld dan wel toerekenbaar zijn tekortgeschoten en hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de schade die [de klanten] daardoor hebben geleden en nog lijden, nader op te maken bij staat.
De rechtbank heeft de vorderingen afgewezen.
Het hof heeft het vonnis van de rechtbank vernietigd voor zover de vorderingen van [de klanten] ten aanzien van het project [betrokkene 1] - [plaats 1] zijn afgewezen, en heeft voor recht verklaard dat [vennoot 4 en diens BV] en [de maatschap en vennoten 1-3] jegens [de klanten] onrechtmatig hebben gehandeld en hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de daardoor zijdens [de klanten] geleden schade. Hiertoe heeft het hof onder meer het volgende overwogen:
“omvang hoger beroep
Door [vennoot 4 en diens BV] en [de maatschap en vennoten 1-3] is geen incidenteel hoger beroep ingesteld. Door [de klanten] zijn geen grieven gericht tegen de beslissingen van de rechtbank ten aanzien van de verjaring en de klachtplicht, zodat in hoger beroep vaststaat dat de vordering van [de klanten] niet is verjaard en [de klanten] tijdig heeft geklaagd.”
Verder heeft het hof over het project [betrokkene 1] - [plaats 1] onder meer het volgende overwogen.
[de klanten] komen op tegen de beslissingen van de rechtbank ten aanzien van de bewijslastverdeling, (tegen)bewijsopdracht en bewijswaardering met betrekking tot de handtekeningen op de royementsvolmacht. In hoger beroep wordt niet langer betwist dat [de klanten] niet zelf de royementsvolmacht hebben ondertekend, met andere woorden dat de handtekeningen op de royementsvolmacht vals zijn. (rov. 4.4.1-4.4.2)
Partijen twisten wel over de betrokkenheid van [vennoot 4] bij het valselijk opmaken van de royementsvolmacht. De royementsvolmacht met de valse handtekeningen is verzonden vanaf het huisadres van [vennoot 4] en daarmee staat ook vast dat de fax met valse handtekeningen door of namens [vennoot 4] is verzonden. [vennoot 4 en diens BV] en [de maatschap en vennoten 1-3] hebben daarmee onrechtmatig gehandeld jegens [de klanten] en zijn tekortgeschoten in de op hen rustende verplichtingen jegens [de klanten] (rov. 4.4.3-4.4.12)
Het oordeel over de aannemelijkheid van de mogelijkheid van schade als gevolg van het valselijk opmaken en verzenden van de royementsvolmacht en van het causaal verband is toereikend voor verwijzing naar de schadestaatprocedure. (rov. 4.4.13)
3. Beoordeling van het middel
Onderdeel 1 van het middel klaagt onder meer dat het hof met zijn oordeel in rov. 4.3.4 de devolutieve werking van het hoger beroep heeft miskend.
Deze klacht slaagt. De devolutieve werking van het hoger beroep brengt mee dat het hof, na gegrondbevinding van een deel van de grieven van [de klanten] tegen de afwijzing van hun vorderingen, ambtshalve acht diende te slaan op alle door [de maatschap en vennoten 1-3] en [vennoot 4 en diens BV] in eerste aanleg aangevoerde stellingen en verweren, ook voor zover deze door de rechtbank waren verworpen of buiten behandeling waren gelaten. Dat geldt derhalve ook voor het beroep dat in eerste aanleg was gedaan op verjaring en op de klachtplicht, nu het hof niet heeft vastgesteld dat [de maatschap en vennoten 1-3] en [vennoot 4 en diens BV] het beroep daarop in hoger beroep hebben prijsgegeven.
Onderdeel 2 klaagt over het oordeel van het hof in rov. 4.4.12 dat, nu vaststaat dat de fax met valse handtekeningen door of namens [vennoot 4] is verzonden, [vennoot 4 en diens BV] en [de maatschap en vennoten 1-3] onrechtmatig hebben gehandeld jegens [de klanten] en zijn tekortgeschoten in de op hen rustende verplichtingen jegens [de klanten] Dit oordeel is onjuist, voor zover het hof daarmee de devolutieve werking van het hoger beroep miskent, dan wel onvoldoende gemotiveerd, aldus het onderdeel.
De klacht slaagt. Het hof is niet ingegaan op het in eerste aanleg aangevoerde verweer van [de maatschap en vennoten 1-3] dat zij hoe dan ook niets met de verwijten van [de klanten] te maken hadden. Aldus heeft het hof hetzij de devolutieve werking van het door [de klanten] ingestelde hoger beroep miskend, hetzij zijn oordeel dat [de maatschap en vennoten 1-3] onrechtmatig hebben gehandeld en zijn tekortgeschoten in de op hen rustende verplichtingen, onvoldoende gemotiveerd.
Onderdeel 3 van het middel kan niet tot cassatie leiden. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie art. 81 lid 1 RO).
4. Beslissing
De Hoge Raad:
- vernietigt het arrest van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 22 april 2025;
- verwijst het geding naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden ter verdere behandeling en beslissing;
- veroordeelt [de klanten] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [de maatschap en vennoten 1-3] en [vennoot 4 en diens BV] begroot op € 8.634,92 aan verschotten en € 2.600, voor salaris.
Dit arrest is gewezen door de vicepresident M.J. Kroeze als voorzitter en de raadsheren C.E. du Perron en F.R. Salomons, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer F.R. Salomons op 17 juli 2026.