HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CIVIELE KAMER
Nummer 25/00215
Datum 30 januari 2026
ARREST
In de zaak van
[de vader],
wonende te [woonplaats],
EISER tot cassatie,
hierna: [de vader],
advocaat: M.E. Bruning,
tegen
1. [zoon 1],
wonende te [woonplaats],
2. [zoon 2],
wonende te [woonplaats],
VERWEERDERS in cassatie,
hierna: [zoon 1] en [zoon 2],
advocaten: J.H.M. van Swaaij en R.J. ter Rele.
1. Procesverloop
Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar:
a. de vonnissen in de zaak C/18/213377/ HA ZA 22-99 van de rechtbank Noord-Nederland van 17 augustus 2022 en 19 april 2023;
b. het arrest in de zaken 200.329.923/01 en 200.330.690 van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 22 oktober 2024.
[de vader] heeft tegen het arrest van het hof beroep in cassatie ingesteld.
[zoon 1] en [zoon 2] hebben een verweerschrift tot verwerping ingediend.
De zaak is voor [zoon 1] en [zoon 2] toegelicht door hun advocaten.
De conclusie van de Advocaat-Generaal W.L. Valk strekt tot verwerping van het cassatieberoep. De advocaat van [de vader] heeft schriftelijk op die conclusie gereageerd.
2. Beoordeling van het middel
De Hoge Raad heeft de klachten over het arrest van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van dat arrest. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).
3. Beslissing
De Hoge Raad:
- verwerpt het beroep;
- veroordeelt [de vader] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [zoon 1] en [zoon 2] begroot op € 2.554,-- aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris, vermeerderd met de wettelijke rente over deze kosten indien [de vader] deze niet binnen veertien dagen na heden heeft voldaan.
Dit arrest is gewezen door de raadsheren H.M. Wattendorff, als voorzitter, F.J.P. Lock en F.R. Salomons, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer A.E.B. ter Heide op 30 januari 2026.