HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 24/02907 E
Datum 18 augustus 2026
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam, economische kamer, van 16 juli 2024, nummer 23-001007-22, in de strafzaak
tegen
[verdachte],
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1983,
hierna: de verdachte.
1. Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft de advocaat S.J. van der Aart bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.
De advocaat-generaal P.M. Frielink heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de strafoplegging en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Amsterdam, opdat de zaak ten aanzien daarvan opnieuw wordt berecht en afgedaan, en tot verwerping van het beroep voor het overige.
2. Beoordeling van het eerste en het tweede cassatiemiddel
De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).
3. Beoordeling van het derde cassatiemiddel
Het cassatiemiddel klaagt dat het hof een wettelijk niet toegestane combinatie van straffen heeft opgelegd.
Artikel 9 lid 4 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) luidt:
“In geval van veroordeling tot gevangenisstraf of tot hechtenis, vervangende hechtenis daaronder niet begrepen, waarvan het onvoorwaardelijk ten uitvoer te leggen deel ten hoogste zes maanden bedraagt, kan de rechter tevens een taakstraf opleggen.”
Het cassatiemiddel berust onder meer op de opvatting dat bij de beantwoording van de vraag of een combinatie van straffen in strijd is met artikel 9 lid 4 Sr niet van belang is hoe lang de verdachte in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht.
Deze opvatting is juist. Onder ‘het onvoorwaardelijk ten uitvoer te leggen deel’ wordt verstaan het onvoorwaardelijke deel van de door de rechter opgelegde gevangenisstraf. Voor het bepalen of ‘het onvoorwaardelijk ten uitvoer te leggen deel’ ten hoogste zes maanden bedraagt, is dus niet van belang of en, zo ja, in hoeverre bij de tenuitvoerlegging van dat onvoorwaardelijke deel op grond van artikel 27 lid 1 Sr de tijd die eventueel in (onder meer) inverzekeringstelling of voorlopige hechtenis is doorgebracht, in mindering zal worden gebracht.
Het hof heeft aan de verdachte een gevangenisstraf van twintig maanden opgelegd, waarvan tien maanden voorwaardelijk. Daarnaast heeft het hof de verdachte een taakstraf van 240 uren opgelegd. De totale strafoplegging is in strijd met artikel 9 lid 4 Sr.
Het cassatiemiddel slaagt.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de strafoplegging;
- wijst de zaak terug naar het gerechtshof Amsterdam, opdat de zaak ten aanzien daarvan opnieuw wordt berecht en afgedaan;
- verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren A.L.J. van Strien en R. Kuiper, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 18 augustus 2026.