ECLI:NL:HR:2026:1351

ECLI:NL:HR:2026:1351

Instantie Hoge Raad
Datum uitspraak 18-08-2026
Datum publicatie 17-08-2026
Zaaknummer 24/02907
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Cassatie
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:PHR:2026:599
Formele relatie: ECLI:NL:GHAMS:2024:3035

Samenvatting

Economische zaak. Witwassen van geldbedrag (art. 420bis.1.b Sr), medeplegen voorhanden hebben van grote hoeveelheden professioneel vuurwerk bestemd voor particulier gebruik (art. 1.2.2.1 Vuurwerkbesluit jo. 9.2.2.1 Wet milieubeheer), voorhanden hebben van munitie (art. 26.1 WWM) en voorhanden hebben van jammer (art. 10.9.1 (oud) Telecommunicatiewet). Cumulatie van straffen. Strafoplegging in strijd met art. 9.4 Sr, nu aan verdachte gevangenisstraf van 20 maanden, waarvan 10 maanden voorwaardelijk, is opgelegd in combinatie met taakstraf van 240 uren? Opvatting dat bij beantwoording van vraag of combinatie van straffen in strijd is met art. 9.4 Sr niet van belang is hoe lang verdachte in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, is juist. Onder “onvoorwaardelijk ten uitvoer te leggen deel” wordt verstaan onvoorwaardelijk deel van de door rechter opgelegde gevangenisstraf. Voor het bepalen of “onvoorwaardelijk ten uitvoer te leggen deel” ten hoogste 6 maanden bedraagt, is dus niet van belang of en, zo ja, in hoeverre bij tul van dat onvoorwaardelijke deel o.g.v. art. 27.1 Sr tijd die eventueel in inverzekeringstelling of voorlopige hechtenis is doorgebracht, in mindering zal worden gebracht. Hof heeft aan verdachte een gevangenisstraf van 20 maanden opgelegd, waarvan 10 maanden voorwaardelijk. Daarnaast heeft hof de verdachte een taakstraf van 240 uren opgelegd. Totale strafoplegging is in strijd met art. 9.4 Sr. Volgt (partiële) vernietiging en terugwijzing t.a.v. strafoplegging. Samenhang met 24/02906 P en 24/02853 P.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

STRAFKAMER

Nummer 24/02907 E

Datum 18 augustus 2026

ARREST

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam, economische kamer, van 16 juli 2024, nummer 23-001007-22, in de strafzaak

tegen

[verdachte],

geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1983,

hierna: de verdachte.

1. Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft de advocaat S.J. van der Aart bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.

De advocaat-generaal P.M. Frielink heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de strafoplegging en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Amsterdam, opdat de zaak ten aanzien daarvan opnieuw wordt berecht en afgedaan, en tot verwerping van het beroep voor het overige.

2. Beoordeling van het eerste en het tweede cassatiemiddel

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).

3. Beoordeling van het derde cassatiemiddel

Het cassatiemiddel klaagt dat het hof een wettelijk niet toegestane combinatie van straffen heeft opgelegd.

Artikel 9 lid 4 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) luidt:

“In geval van veroordeling tot gevangenisstraf of tot hechtenis, vervangende hechtenis daaronder niet begrepen, waarvan het onvoorwaardelijk ten uitvoer te leggen deel ten hoogste zes maanden bedraagt, kan de rechter tevens een taakstraf opleggen.”

Het cassatiemiddel berust onder meer op de opvatting dat bij de beantwoording van de vraag of een combinatie van straffen in strijd is met artikel 9 lid 4 Sr niet van belang is hoe lang de verdachte in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht.

Deze opvatting is juist. Onder ‘het onvoorwaardelijk ten uitvoer te leggen deel’ wordt verstaan het onvoorwaardelijke deel van de door de rechter opgelegde gevangenisstraf. Voor het bepalen of ‘het onvoorwaardelijk ten uitvoer te leggen deel’ ten hoogste zes maanden bedraagt, is dus niet van belang of en, zo ja, in hoeverre bij de tenuitvoerlegging van dat onvoorwaardelijke deel op grond van artikel 27 lid 1 Sr de tijd die eventueel in (onder meer) inverzekeringstelling of voorlopige hechtenis is doorgebracht, in mindering zal worden gebracht.

Het hof heeft aan de verdachte een gevangenisstraf van twintig maanden opgelegd, waarvan tien maanden voorwaardelijk. Daarnaast heeft het hof de verdachte een taakstraf van 240 uren opgelegd. De totale strafoplegging is in strijd met artikel 9 lid 4 Sr.

Het cassatiemiddel slaagt.

4. Beslissing

De Hoge Raad:

- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de strafoplegging;

- wijst de zaak terug naar het gerechtshof Amsterdam, opdat de zaak ten aanzien daarvan opnieuw wordt berecht en afgedaan;

- verwerpt het beroep voor het overige.

Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren A.L.J. van Strien en R. Kuiper, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 18 augustus 2026.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand