HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 24/04829
Datum 25 augustus 2026
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag van 19 december 2024, nummer 22-001190-24, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1981,
hierna: de verdachte.
1. Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft de advocaat E.E.W.J. Maessen bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.
De advocaat-generaal P.T.C. van Kampen heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
2. Beoordeling van het vierde cassatiemiddel
Het cassatiemiddel klaagt over het oordeel van het hof dat de in de bewezenverklaring genoemde verpleegkundige die werkzaam was in een zorginstelling van [A] voor verplichte en gedwongen zorg, waar de verdachte was opgenomen op grond van een zorgmachtiging in het kader van de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (hierna: Wvggz), kan worden aangemerkt als ‘ambtenaar’ in de zin van artikel 304 lid 1, aanhef en onder 3°, van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr).
Ten laste van de verdachte is in de zaak met parketnummer 09-233790-23 overeenkomstig de tenlastelegging onder 4 bewezenverklaard dat:
“hij op 21 maart 2023 te [plaats] , een ambtenaar, [slachtoffer] (werkzaam als verpleegkundige bij [A] ) gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van haar bediening heeft mishandeld door die [slachtoffer] (met kracht) meermalen tegen het gezicht te slaan.”
Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:
“1. Een proces-verbaal van aangifte van [aangever] d.d. 8 april 2023 van de politie Eenheid Den Haag met nr. PL1500-2023087742-2, voor zover inhoudende (blz. 42) :
Plaats delict: [plaats]
Pleegdatum: 21 maart 2023
Ik, [aangever] , doe aangifte namens [slachtoffer] tegen [verdachte] . [slachtoffer] en ik zijn beiden werkzaam bij [A] . Op 21 maart 2023 sprak [slachtoffer] [verdachte] aan op het dragen van een muts tijdens het eten. Dit resulteerde in een discussie. Kort daarna spuugde [verdachte] naar [slachtoffer] . [verdachte] liep daarna direct weg. [slachtoffer] rende achter hem aan. [verdachte] stopte en er ontstond een duw- en trekwerk situatie op de gang. [verdachte] sloeg [slachtoffer] in haar gezicht.
[slachtoffer] is naar de dokter geweest. Haar kaak was niet ontwricht, maar het was wel beurs, stijf en opgezet, ook had zij veel pijn in haar gezicht.
2. Een proces-verbaal van verhoor getuige [slachtoffer] d.d. 9 juni 2023 van de politie Eenheid Den Haag met nr. PL1500-2023087742-3, voor zover inhoudende (blz. 44) :
Nadat hij mij had bespuugd ben ik achter hem aangerend en gaf ik hem een duw. Ik heb tegen hem gezegd: ‘Ik wil dat je naar je kamer gaat, ik ben helemaal klaar met jou’. We kwamen in een soort worsteling terecht en ik kreeg een klap, met zijn vuist, op mijn linkerwang. Kort daarna kreeg ik weer een klap, weer met zijn vuist, ook weer op mijn linkerwang. De worsteling hield op toen er andere collega’s kwamen helpen.
Mijn wang deed pijn, ik ben het daarna gelijk gaan koelen en ik heb een paracetamol genomen. Ik ben na het incident naar de huisarts gegaan. Daar werd mij verteld dat mijn kaakkopjes aangetast zijn en dat mijn kaak licht opgezwollen was. Op 22 maart 2023 kon ik mijn kaak amper open doen, het deel veel pijn. Ik merk nu wel dat de pijn met de dag afneemt.”
Het hof heeft over de bewezenverklaring verder overwogen:
“Nadere bewijsoverweging t.a.v. de bestanddelen ‘een ambtenaar werkzaam in de rechtmatige uitoefening van zijn bediening’ en ‘een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening’ (hierna kortweg ook: ‘ambtenaar in functie’)
Het hof ziet zich, evenals de rechtbank, gesteld voor de vraag of de in de tenlastelegging genoemde verpleegkundigen, in loondienst bij [A] dan wel daar als ZZP’er werkzaam, moeten worden aangemerkt als ambtenaren in de zin van de artikelen 180 en 304 Sr. In de rechtspraak wordt uitgegaan van een ruime opvatting voor het strafrechtelijke begrip van ambtenaar. Volgens de Hoge Raad wordt onder ‘ambtenaar’ ook begrepen ‘degene die onder toezicht en verantwoording van de overheid is aangesteld in een functie waaraan een openbaar karakter niet kan worden ontzegd’ (HR 17 januari 2023, ECLI:NL:HR:2023:32).
De verplichte en gedwongen zorg van een persoon die op grond van een rechterlijke beslissing in het kader van de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (hierna: Wvggz) is opgenomen in een zorginstelling is een overheidstaak. De verpleegkundigen die deze taak uitvoeren, zijn op het moment dat zij zich met deze specifieke zorgtaak bezighouden, aan te merken als ambtenaren in de zin van de artikelen 180 en 304 van het Wetboek van Strafrecht. Het hof acht van belang dat de inhoud en de reikwijdte van de taken van die verpleegkundigen in het kader van de Wvggz van overheidswege zijn bepaald. Hun werkzaamheden zijn onder meer gebaseerd op het maatschappelijk belang om ernstig nadeel voor de betrokkene (de verdachte) zelf te voorkomen en om te voorkomen dat door het gedrag van de opgenomen patiënten de algemene veiligheid van personen of goederen in gevaar komt. Hun werkzaamheden worden verder uitgevoerd onder toezicht en controle van de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (hierna: IGJ). Weliswaar is dit extern toezicht, die omstandigheid laat onverlet dat de IGJ over vergaande bevoegdheden beschikt betreffende het bestuur van en toezicht op een zorginstelling. De omstandigheid dat de arbeidsrelatie tussen deze verpleegkundigen en hun werkgever geen publiekrechtelijk, maar een privaatrechtelijk karakter heeft, doet, in lijn met de rechtspraak van de Hoge Raad, niet ter zake. De privaatrechtelijk georganiseerde wijze van het leveren van verplichte en gedwongen zorg is het gevolg van democratisch genomen besluiten over de uitoefening van overheidstaken. Aan de functie van een verpleegkundige die haar of zijn functie uitoefent in het kader van de Wvggz kan een openbaar karakter dan ook niet worden ontzegd.
Uit het strafdossier blijkt dat de rechtbank op 11 januari 2023 een aansluitende zorgmachtiging heeft verleend op grond van artikel 67 van de Wvggz en heeft bepaald dat deze machtiging geldt tot en met 14 januari 2024.
Gelet hierop kan voor de pleegdatum van 21 maart 2023 het bestanddeel ambtenaar in functie van de onder feit 4 in de zaak met parketnummer 09-233790-23 ten laste gelegde mishandeling bewezen worden verklaard.”
De tenlastelegging is toegesneden op artikel 300 lid 1 Sr in samenhang met artikel 304 lid 1, aanhef en onder 3°, Sr. Daarom moet worden aangenomen dat het in de tenlastelegging en de bewezenverklaring voorkomende begrip ‘ambtenaar’ is gebruikt in de betekenis die dat begrip heeft in die bepaling.
Artikel 304 lid 1, aanhef en onder 3°, Sr luidt:
“De in de artikelen 300-303 bepaalde gevangenisstraffen kunnen met een derde worden verhoogd:
(...)
3°. indien het misdrijf wordt gepleegd tegen een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening.”
De term ‘ambtenaar’ in deze bepaling moet zo worden uitgelegd dat daaronder ook is begrepen degene die onder toezicht en verantwoording van de overheid is aangesteld in een functie waaraan een openbaar karakter niet kan worden ontzegd (vgl. HR 13 oktober 2009, ECLI:NL:HR:2009:BJ6793).
Het hof heeft vastgesteld dat de in de bewezenverklaring bedoelde verpleegkundige ten tijde van het bewezenverklaarde feit werkzaam was in een zorginstelling van [A] voor verplichte en gedwongen zorg, waar de verdachte was opgenomen op grond van een zorgmachtiging in het kader van de Wvggz.
Het hof heeft het onder 2.3.3 weergegeven toetsingskader tot uitgangspunt genomen en geoordeeld dat de verpleegkundige kan worden aangemerkt als ‘ambtenaar’ in de zin van artikel 304 lid 1, aanhef en onder 3°, Sr. Het hof heeft daartoe onder meer overwogen dat de verplichte en gedwongen zorg voor een persoon die op grond van een rechterlijke beslissing in het kader van de Wvggz is opgenomen in een zorginstelling een overheidstaak is en dat de inhoud en de reikwijdte van de taken van de verpleegkundigen die deze taak uitvoeren in het kader van de Wvggz van overheidswege zijn bepaald. Het hof heeft verder bij zijn oordeel betrokken dat de werkzaamheden van die verpleegkundigen worden uitgevoerd onder toezicht en controle van de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd, die over vergaande bevoegdheden beschikt betreffende het bestuur van en toezicht op een zorginstelling waar die taak wordt uitgevoerd.
Dit oordeel van het hof getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk.
Het cassatiemiddel faalt in zoverre.
3. Beoordeling van het zesde cassatiemiddel
Het cassatiemiddel klaagt dat in de cassatiefase de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden omdat de stukken te laat door het hof zijn ingezonden.
Het cassatiemiddel is gegrond. Bovendien doet de Hoge Raad in deze zaak waarin de verdachte zich in voorlopige hechtenis bevindt, uitspraak nadat meer dan zestien maanden zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Omdat de opgelegde maatregel van terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging van overheidswege zich naar zijn aard niet voor vermindering leent, volstaat de Hoge Raad met het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden, en is er geen aanleiding om aan dat oordeel enig ander rechtsgevolg te verbinden.
4. Beoordeling van de cassatiemiddelen voor het overige
De Hoge Raad heeft ook de overige klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).
5. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren A.L.J. van Strien en F. Posthumus, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 25 augustus 2026.