HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer 24/01608
Datum 30 januari 2026
ARREST
in de zaak van
[X] (hierna: belanghebbende)
tegen
de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 12 maart 2024, nr. BK-ARN 23/1408, betreffende een aan belanghebbende opgelegde aanslag in de schenkbelasting.
1. Het eerste geding in cassatie
De Hoge Raad heeft bij arrest van 21 april 2023 (hierna: het verwijzingsarrest) de uitspraak van het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch vernietigd, met verwijzing van het geding naar het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (hierna: het Hof) ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met inachtneming van dat arrest.
2. Het tweede geding in cassatie
Belanghebbende, vertegenwoordigd door D.F. Anholts, heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staatssecretaris, vertegenwoordigd door [P] , heeft een verweerschrift ingediend.
De Advocaat-Generaal P.J. Wattel heeft op 25 oktober 2024 geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep in cassatie.
Belanghebbende heeft schriftelijk op de conclusie gereageerd.
3. Uitgangspunten in cassatie
De moeder van belanghebbende (hierna: schenker) hield in 2011 via [E] Beheer B.V. (hierna: [E] ) aanvankelijk een indirect aanmerkelijk belang van 49 procent in [D] B.V. (hierna: [D] ). De overige 51 procent werd indirect gehouden door een vennootschap waarin de neef van belanghebbende alle aandelen hield, [F] Beheer B.V. In een aantal dochtermaatschappijen van [D] werden activiteiten ontplooid bestaande uit het exploiteren van hoorcentra (hierna: ‘horen’) en optiekcentra (hierna: ‘zien’).
In 2011 heeft een juridische splitsing van [D] plaatsgevonden als bedoeld in artikel 2:334cc BW (‘ruziesplitsing’). Hierbij werden ‘horen’ en ‘zien’ verdeeld tussen schenker en de neef. Schenker verkreeg via een door de splitsing ontstane dochtermaatschappij van [E] ‘horen’, waarin begrepen de deelneming [C] B.V. en het bedrijfspand.
In 2012 heeft een afsplitsing plaatsgevonden van de dochtermaatschappij van [E] , waardoor de aandelen in [C] B.V. en het bedrijfspand werden verkregen door [B] Beheer B.V. (hierna: [B] Beheer), waarin schenker alle aandelen hield.
Op 25 september 2013 heeft schenker alle aandelen in [B] Beheer geschonken aan belanghebbende. In de aangifte is verzocht op deze schenking de bedrijfsopvolgingsregeling (hierna: de BOR) van artikel 35b van de Successiewet 1956 (hierna: de SW) toe te passen.
De Inspecteur heeft de aanslag in de schenkbelasting vastgesteld met toepassing van een voorwaardelijke vrijstelling wegens bedrijfsopvolging. Daarbij is de Inspecteur ervan uitgegaan dat slechts voor 49 procent van de waarde van de aandelen in [B] Beheer is voldaan aan de vijfjaarstermijn als bedoeld in artikel 35d, lid 1, aanhef en letter c, van de SW.
In het verwijzingsarrest heeft de Hoge Raad de zaak verwezen voor een nader onderzoek naar de vraag of de Inspecteur terecht heeft gesteld dat de dochtermaatschappijen van [D] voorafgaande aan de juridische splitsing minimaal twee objectieve ondernemingen dreven.
4. De oordelen van het Hof
Het Hof heeft vooropgesteld dat op belanghebbende de last rust om aannemelijk te maken dat de aan [D] toegerekende activiteiten van haar dochtermaatschappijen voorafgaande aan de ruziesplitsing één objectieve onderneming vormden. Het Hof heeft geoordeeld dat belanghebbende deze stelling niet aannemelijk heeft gemaakt.
Kennelijk op grond daarvan heeft het Hof, in overeenstemming met het verwijzingsarrest, tot uitgangspunt genomen dat een nieuwe bezitstermijn in de zin van artikel 35d van de SW aanvangt voor de uitbreiding van een subjectieve gerechtigdheid in een objectieve onderneming. Het Hof heeft belanghebbendes betoog verworpen dat inhield dat artikel 9, lid 2, van de Uitvoeringsregeling schenk- en erfbelasting (tekst 2013; hierna: de Uitvoeringsregeling) bij aanwezigheid van meer dan één onderneming meebrengt dat de hiervoor in 3.2 bedoelde dochtermaatschappij moet worden geacht de onderneming ‘horen’ al meer dan vijf jaren voor 100 procent te hebben gedreven.
Kennelijk op grond daarvan heeft het Hof in overeenstemming met het standpunt van de Inspecteur aangenomen dat de BOR in dit geval slechts kan worden toegepast op 49 procent van de waarde van de aandelen die aan belanghebbende zijn geschonken, zijnde het percentage waartoe schenker voorafgaand aan de hiervoor in 3.2 bedoelde splitsing indirect gerechtigd was tot de ondernemingsactiviteiten die tot ‘horen’ worden gerekend.
5. Beoordeling van de middelen
Bij de beoordeling van de hiertegen gerichte middelen moet het volgende worden vooropgesteld.
Uit artikel 35d, lid 1, aanhef en letter c, van de SW volgt dat voor toepassing van de BOR op een schenking van aanmerkelijkbelangaandelen is vereist dat de schenker deze aandelen ten minste vijf jaren voorafgaande aan de schenking onafgebroken in bezit heeft gehad (directebezitstermijn), en dat de vennootschap waarvan de aandelen worden geschonken ten minste vijf jaren een onderneming heeft gedreven (indirectebezitstermijn).
Zoals de Hoge Raad in rechtsoverweging 3.3 van het verwijzingsarrest heeft overwogen, moet per onderneming worden beoordeeld of is voldaan aan de indirectebezitseis. Die eis houdt immers in dat de betrokken vennootschap, zo nodig met inachtneming van de toerekeningsregel van het vijfde lid van artikel 35c van de SW, ten minste vijf jaren een onderneming moet hebben gedreven.
Indien de betrokken vennootschap is gerechtigd tot een evenredig deel van een onderneming in de zin van artikel 35c, lid 1, letter a, van de SW, en die gerechtigdheid wordt uitgebreid, begint in zoverre een nieuwe, eigen indirectebezitstermijn te lopen. De uitbreiding van de gerechtigdheid tot een onderneming, in de zin van een procentuele uitbreiding van het belang in die onderneming, heeft aldus andere gevolgen dan een uitbreiding van de onderneming terwijl de vennootschap daarin een even groot belang blijft houden. In het laatste geval begint namelijk geen nieuwe indirectebezitstermijn te lopen voor die uitbreiding, ook niet indien deze plaatsvond door overname van een zelfstandige onderneming, mits deze niet langer als zelfstandige onderneming is te identificeren op het moment van de schenking waarvoor de verkrijger toepassing van de BOR wenst.
Indien de aan [D] toegerekende activiteiten van haar dochtermaatschappijen één onderneming vormden, brengt het voorgaande mee dat belanghebbende voor zijn gehele verkrijging een beroep zou kunnen doen op de BOR. Met betrekking tot de door hem verkregen aandelen is dan volledig voldaan aan de indirectebezitseis, in aanmerking genomen dat de stukken van het geding geen aanwijzingen bevatten dat het procentuele (indirecte) belang van schenker in het geheel van die onderneming bij de juridische splitsing van [D] is toegenomen.
Voor het geval de aan [D] toegerekende activiteiten van haar dochtermaatschappijen meer dan één onderneming vormden, brengt het voorgaande mee dat belanghebbende slechts een beroep kan doen op de BOR voor zover schenker voorafgaand aan de splitsing van [D] al (indirect) gerechtigd was tot de onderneming(en) op het gebied van ‘horen’. Voor het meerdere is het procentuele (indirecte) belang van schenker in die onderneming(en) namelijk uitgebreid als gevolg van de splitsing van [D] , waarbij zij het volledige belang in die onderneming(en) verkreeg. In het geval sprake was van meer dan één onderneming is als gevolg daarvan in zoverre niet voldaan aan de indirectebezitseis, aangezien in zoverre een nieuwe indirectebezitstermijn is gaan lopen (zie hiervoor in 5.1.3). Indien sprake was van meer dan één onderneming, volgt daarom uit hetgeen hiervoor in 3.1 als uitgangspunt is vermeld, dat belanghebbende slechts voor 49 procent een beroep kan doen op de BOR.
De tegemoetkoming van artikel 9, lid 2, van de Uitvoeringsregeling is in dit verband niet van belang, aangezien het hier gaat om toepassing van de indirectebezitseis. Zoals de Advocaat-Generaal heeft uiteengezet in de onderdelen 6.18 en 6.19 van zijn conclusie, biedt deze tegemoetkoming alleen een verzachting van de directebezitseis. Deze regeling geldt naar haar bewoordingen en strekking namelijk alleen voor de directebezitseis met betrekking tot aandelen die worden gehouden door een natuurlijke persoon, en niet voor de indirectebezitseis, die betrekking heeft op het drijven van een onderneming door een lichaam.
Het vierde middel richt zich tegen de wijze waarop het Hof de bewijslast heeft verdeeld. Het middel faalt. Bij zijn onderzoek of de aan [D] toegerekende activiteiten van haar dochtermaatschappijen één onderneming vormden, heeft het Hof terecht de stelplicht en de bewijslast op belanghebbende gelegd. Het gaat hier namelijk om een element van de indirectebezitseis, die een van de voorwaarden vormt voor toepassing van de (voorwaardelijke) vrijstelling van de BOR op de volledige waarde van het verkregene. Daarom liggen de stelplicht en bewijslast bij de belanghebbende die zich op deze vrijstelling beroept.
Het derde middel bestrijdt het oordeel van het Hof dat bij ‘horen’ en ‘zien’ geen sprake was van één onderneming. Dat oordeel geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Het kan voor het overige, als verweven met waarderingen van feitelijke aard, door de Hoge Raad in de cassatieprocedure niet op juistheid worden onderzocht. Het is naar behoren gemotiveerd. Daarom faalt ook het derde middel.
Voor het geval sprake was van meer dan één onderneming in [D] , bestrijdt het eerste middel het hiervoor in 4.2 weergegeven uitgangspunt van het Hof, inhoudende dat voor een uitbreiding van de subjectieve gerechtigdheid in een objectieve onderneming een nieuwe bezitstermijn in de zin van artikel 35d van de SW aanvangt. Het middel faalt. Dit uitgangspunt van het Hof is juist, gelet op wat hiervoor in 5.1.3 is vooropgesteld.
Voor dat geval betoogt het tweede middel dat in dit geval toch aan de bezitseis is voldaan op grond van artikel 9, lid 2, van de Uitvoeringsregeling. Uit wat hiervoor in 5.3 is overwogen, volgt dat dit middel tevergeefs is voorgesteld.
De Hoge Raad heeft ook het vijfde middel beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat ook dit middel niet tot cassatie kan leiden. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van dit middel is het namelijk niet nodig antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie).
6. Proceskosten
De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
7. Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J.A.R. van Eijsden als voorzitter, en de raadsheren M.W.C. Feteris, M.T. Boerlage, A.E.H. van der Voort Maarschalk en W.A.P. van Roij, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier J.P.J. van Kampen, en in het openbaar uitgesproken op 30 januari 2026.