HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 24/03834
Datum 1 september 2026
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 9 oktober 2024, nummer 21-000158-24, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1979,
hierna: de verdachte.
1. Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft de advocaat F. Visser bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.
De advocaat-generaal P.H.P.H.M.C. van Kempen heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
De raadsman van de verdachte heeft daarop schriftelijk gereageerd.
2. Bewezenverklaring, bewijsvoering, strafoplegging en strafmotivering
Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:
“zij op 20 oktober 2023 te [plaats] , uit een woning gelegen aan de [a-straat 1] tezamen en in vereniging met een ander een geldbedrag en sierraden en toiletpapier en schuursponsjes en een fles Glassex en een usb-stick en kleding die aan [benadeelde] toebehoorden heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en haar mededader zich de toegang tot de plaats van het misdrijf hebben verschaft en die weg te nemen goederen onder hun bereik hebben gebracht door middel van een valse sleutel, te weten de deur van die woning heeft geopend met een stuk plastic (flipperen) en/of een ander voorwerp.”
De bewijsvoering van het hof is weergegeven in de conclusie van de advocaat-generaal onder 3.3 en 3.5.
Het hof heeft het bewezenverklaarde gekwalificeerd als diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van een valse sleutel.
Het hof heeft aan de verdachte een gevangenisstraf van acht maanden opgelegd. De motivering daarvan houdt in:
“De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.
Het hof heeft bij de straftoemeting in het bijzonder in aanmerking genomen - en vindt daarin de redenen die tot de keuze van een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van de hierna aan te geven duur leiden - dat verdachte zich in vereniging met een ander heeft schuldig gemaakt aan een brutale insluiping. Op schaamteloze wijze is zij met een ander de woning van aangeefster binnengegaan. Een woning is bij uitstek de plek waar iemand zich veilig moet kunnen voelen. Niet alleen zijn er vele kostbare sieraden met emotionele waarde weggenomen, ook is er een forse inbreuk gemaakt op het gevoel van veiligheid van aangeefster. Dat het feit grote impact op haar heeft gehad blijkt wel uit haar slachtofferverklaring en hetgeen zij ter terechtzitting van het hof naar voren heeft gebracht. Door de insluiping was aangeefster erg emotioneel en verdrietig. Huilbuien, slecht slapen en in paniek wakker worden waren het gevolg. Ze voelde zich somber en haar vertrouwen in de mens heeft een deuk opgelopen. Het heeft haar veel tijd, verdriet en energie gekost om alles wat gestolen was te beschrijven en zij kon zich als ZZP-er tijdelijk niet (goed) concentreren op haar werk.
Uit het Uittreksel uit de Justitiële Documentatie blijkt dat verdachte in het verleden vaker is veroordeeld. Onder meer wegens soortgelijke feiten. Kennelijk hebben deze eerdere veroordelingen verdachte er niet van weerhouden zich opnieuw aan dergelijke feiten schuldig te maken.
De door de raadsman aangevoerde omstandigheden maken niet dat het hof tot een andere straf komt dan een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Het hof acht, met name gelet op de ernst van het feit en de grote gevolgen voor aangeefster, de door de advocaat-generaal gevorderde straf passend en geboden.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Wetboek van Strafvordering, aan de orde is.”
3. Beoordeling van het eerste cassatiemiddel
Het cassatiemiddel klaagt over (de motivering van) de bewezenverklaring. Het klaagt in het bijzonder over het gebruik voor het bewijs van de processen-verbaal van herkenning en de DNA-match.
Het cassatiemiddel leidt niet tot cassatie. De redenen daarvoor staan vermeld in de conclusie van de advocaat-generaal onder 3.4, 3.6 tot en met 3.12 en 3.15 tot en met 3.17.
4. Beoordeling van het tweede cassatiemiddel
Het cassatiemiddel klaagt over (de motivering van) de bewezenverklaring van de strafverzwarende omstandigheid dat het medeplegen van diefstal ‘door middel van een valse sleutel’ heeft plaatsgevonden.
De klacht is terecht voorgesteld. De redenen daarvoor staan vermeld in de conclusie van de advocaat-generaal onder 4.2 en 4.3. Dit leidt echter bij gebrek aan belang niet tot cassatie. Bij weglating uit de bewezenverklaring van het gedeelte dat ziet op ‘door middel van een valse sleutel’, worden de aard en de ernst van het bewezenverklaarde niet wezenlijk aangetast, gelet op de onder 2.3 weergegeven strafmotivering van het hof en mede in aanmerking genomen dat ook is bewezenverklaard dat de diefstal is begaan onder de strafverzwarende omstandigheid ‘door twee of meer verenigde personen’ en dat die door het hof opgelegde straf ver onder het strafmaximum van artikel 311 lid 1 van het Wetboek van Strafrecht ligt.
5. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren M. Kuijer en T.B. Trotman, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 1 september 2026.