ECLI:NL:HR:2026:1377

ECLI:NL:HR:2026:1377

Instantie Hoge Raad
Datum uitspraak 01-09-2026
Datum publicatie 27-08-2026
Zaaknummer 24/01590
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Cassatie
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:GHAMS:2024:899
Formele relatie: ECLI:NL:PHR:2026:518

Samenvatting

Diefstal, art. 310 Sr. Eventuele opname in zorginstelling als bijzondere voorwaarde, art. 14c.2.10 en 14c.2.11 Sr en art. 6:6:19.1.b Sv. Is gestelde bijzondere voorwaarde dat verdachte zich “na goedkeuring door rechter” laat opnemen in zorginstelling voor kortdurende klinische opname als reclassering daartoe indicatie aanvraagt en deze verkrijgt, verenigbaar met art. 14c.2.10 Sr? O.g.v. art. 14c.2.10 Sr kan als bijzondere voorwaarde bij (gedeeltelijk) voorwaardelijke straf de opneming van veroordeelde in zorginstelling worden gesteld. Beslissing of zich noodzaak voordoet van opneming van veroordeelde in zorginstelling en voor welke duur, is voorbehouden aan rechter (vgl. HR:2018:946). Dat is niet anders als rechter als onderdeel van bijzondere voorwaarde van ambulante behandelverplichting (a.b.i. art. 14c.2.11 Sr) heeft bepaald dat in geval bij verdachte sprake is van terugval in middelengebruik of verslechtering van psychiatrisch ziektebeeld, hij zich kortdurend klinisch moet laten opnemen. Ook in zo’n geval is beslissing of zich noodzaak van zo’n opneming voordoet, voorbehouden aan rechter. Daarvoor is dan in art. 6:6:19 Sv bedoelde procedure aangewezen, waarin rechter alsnog opneming van veroordeelde in zorginstelling als bijzondere voorwaarde kan stellen. In de door hof gestelde bijzondere voorwaarde ligt besloten dat, als reclassering een indicatiestelling voor kortdurende klinische opname aanvraagt en verkrijgt, die opname pas kan plaatsvinden als bijzondere voorwaarden door rechter o.g.v. art. 6:6:19 Sv in die zin zijn gewijzigd dat opneming van veroordeelde in zorginstelling als bijzondere voorwaarde wordt gesteld. Gelet hierop is door hof gestelde bijzondere voorwaarde, v.zv. deze inhoudt dat verdachte zich gedurende proeftijd bij terugval in middelengebruik of verslechtering van psychiatrisch ziektebeeld voor duur van maximaal 7 weken (of zo veel korter als reclassering nodig vindt) laat opnemen in geïndiceerde zorginstelling “na goedkeuring door rechter”, niet onverenigbaar met art. 14c.2.10 Sr. Dat neemt niet weg dat formulering van die voorwaarde aan bepaaldheid zou winnen als daarin uitdrukkelijk wordt verwezen naar procedure van art. 6:6:19 Sv. Volgt verwerping. CAG: anders.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

STRAFKAMER

Nummer 24/01590

Datum 1 september 2026

ARREST

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam van 9 april 2024, nummer 23-001619-23, in de strafzaak

tegen

[verdachte] ,

geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1985,

hierna: de verdachte.

1. Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft de advocaat J. Kuijper bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld.

De advocaat-generaal D.J.C. Aben heeft geconcludeerd tot vernietiging van de uitspraak van het hof, maar uitsluitend voor wat betreft de bijzondere voorwaarde die strekt tot een behandelverplichting, voor zover deze inhoudt “Bij een terugval in middelengebruik of verslechtering van het psychiatrische ziektebeeld kan de reclassering een indicatiestelling aanvragen voor een kortdurende opname voor detoxificatie. Als de voor indicatie verantwoordelijke instantie een kortdurende opname indiceert, zal veroordeelde zich, na goedkeuring door de rechter, laten opnemen in een zorginstelling voor zeven weken of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. De justitiële instantie die verantwoordelijk is voor plaatsing in forensische zorg, bepaalt in welke zorginstelling de opname plaatsvindt. Veroordeelde houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorginstelling geeft voor de behandeling. Gelet op de problematiek kan hieronder ook het innemen van medicijnen vallen, als de zorginstelling dat nodig vindt”, en tot verwerping van het beroep voor het overige.

2. Beoordeling van het cassatiemiddel

Het cassatiemiddel klaagt onder meer dat de door het hof gestelde bijzondere voorwaarde, voor zover die kort gezegd inhoudt dat de verdachte zich “na goedkeuring door de rechter” laat opnemen in een zorginstelling voor een kortdurende klinische opname als de reclassering daartoe een indicatie aanvraagt en deze verkrijgt, onverenigbaar is met artikel 14c lid 2 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr).

Het hof heeft de verdachte veroordeeld voor diefstal. De uitspraak van het hof bevat ten aanzien van de strafoplegging onder meer de volgende beslissingen:

“Het hof:

(...)

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 (acht) weken.

Bepaalt dat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte (...) de hierna te noemen bijzondere voorwaarde(n) niet heeft nageleefd.

(...)

Stelt als bijzondere voorwaarde dat de veroordeelde zich laat behandelen door Forensisch psychiatrische polikliniek Fivoor of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering. De behandeling start na ingaan van de proeftijd. De behandeling duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. Veroordeelde houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling. Gelet op de problematiek kan hieronder ook het innemen van medicijnen vallen, als de zorgverlener dat nodig vindt. Bij een terugval in middelengebruik of verslechtering van het psychiatrische ziektebeeld kan de reclassering een indicatiestelling aanvragen voor een kortdurende opname voor detoxificatie. Als de voor indicatie verantwoordelijke instantie een kortdurende opname indiceert, zal veroordeelde zich, na goedkeuring door de rechter, laten opnemen in een zorginstelling voor zeven weken of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. De justitiële instantie die verantwoordelijk is voor plaatsing in forensische zorg, bepaalt in welke zorginstelling de opname plaatsvindt. Veroordeelde houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorginstelling geeft voor de behandeling. Gelet op de problematiek kan hieronder ook het innemen van medicijnen vallen, als de zorginstelling dat nodig vindt.”

De volgende bepalingen zijn van belang.

- Artikel 14c lid 2, aanhef en onder 10º en 11⁰, Sr:

“Bij toepassing van artikel 14a kunnen voorts de volgende bijzondere voorwaarden worden gesteld, waaraan de veroordeelde gedurende de proeftijd, of een bij de veroordeling te bepalen gedeelte daarvan, dan wel binnen een door de rechter te bepalen termijn, ten hoogste gelijk aan de proeftijd, heeft te voldoen:

(...)

10°. opneming van de veroordeelde in een zorginstelling;

11⁰. een verplichting zich onder behandeling te stellen van een deskundige of zorginstelling.”

- Artikel 6:6:19 lid 1, aanhef en onder b, van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv):

“Indien op grond van het Wetboek van Strafrecht of dit wetboek een proeftijd is verbonden aan een opgelegde straf of maatregel, of de tenuitvoerlegging daarvan, kan de rechter:

b. gedurende de proeftijd of gedurende de tijd dat deze is geschorst in de gestelde bijzondere voorwaarden of in de termijn waartoe deze voorwaarden in haar werking binnen de proeftijd zijn beperkt wijziging brengen, deze voorwaarden opheffen of alsnog bijzondere voorwaarden stellen.”

Op grond van artikel 14c lid 2, aanhef en onder 10º, Sr kan als bijzondere voorwaarde bij een (gedeeltelijk) voorwaardelijke straf de opneming van de veroordeelde in een zorginstelling worden gesteld. De beslissing of zich de noodzaak voordoet van opneming van de veroordeelde in een zorginstelling en voor welke duur, is voorbehouden aan de rechter (vgl. HR 19 juni 2018, ECLI:NL:HR:2018:946).

Dat is niet anders als de rechter als onderdeel van de bijzondere voorwaarde van een ambulante behandelverplichting (als bedoeld in artikel 14c lid 2, aanhef en onder 11°, Sr) heeft bepaald dat in het geval bij de verdachte sprake is van een terugval in middelengebruik of verslechtering van het psychiatrische ziektebeeld, hij zich kortdurend klinisch moet laten opnemen. Ook in zo’n geval is de beslissing of zich de noodzaak van zo’n opneming voordoet, voorbehouden aan de rechter. Daarvoor is dan de in artikel 6:6:19 Sv bedoelde procedure aangewezen, waarin de rechter alsnog de opneming van de veroordeelde in een zorginstelling als bijzondere voorwaarde kan stellen.

In de door het hof gestelde bijzondere voorwaarde ligt besloten dat, als de reclassering een indicatiestelling voor een kortdurende klinische opname aanvraagt en verkrijgt, die opname pas kan plaatsvinden als de bijzondere voorwaarden door de rechter op grond van artikel 6:6:19 Sv in die zin zijn gewijzigd dat de opneming van de veroordeelde in een zorginstelling als bijzondere voorwaarde wordt gesteld. Gelet hierop is de door het hof gestelde bijzondere voorwaarde, voor zover deze inhoudt dat de verdachte zich gedurende de proeftijd bij een terugval in middelengebruik of verslechtering van het psychiatrische ziektebeeld voor de duur van maximaal zeven weken (of zo veel korter als de reclassering nodig vindt) laat opnemen in een geïndiceerde zorginstelling “na goedkeuring door de rechter”, niet onverenigbaar met artikel 14c lid 2, aanhef en onder 10°, Sr. Dat neemt niet weg dat de formulering van die voorwaarde aan bepaaldheid zou winnen als daarin uitdrukkelijk wordt verwezen naar de procedure van artikel 6:6:19 Sv.

De klacht faalt.

De Hoge Raad heeft ook de verder in het cassatiemiddel aangevoerde klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat ook deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).

3. Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof

De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden. In het licht van de opgelegde geheel voorwaardelijke gevangenisstraf van acht weken volstaat de Hoge Raad met het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden, en is er geen aanleiding om aan dat oordeel enig ander rechtsgevolg te verbinden.

4. Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren M. Kuijer en T.B. Trotman, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 1 september 2026.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand