ECLI:NL:HR:2026:1402

ECLI:NL:HR:2026:1402

Instantie Hoge Raad
Datum uitspraak 01-09-2026
Datum publicatie 28-08-2026
Zaaknummer 26/00836
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Cassatie
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:PHR:2026:657

Samenvatting

OM-cassatie en cassatie opgeëiste persoon. Vervolgingsuitlevering opgeëiste persoon (Montenegrijnse nationaliteit) naar Montenegro t.z.v. verdenking van oprichten van criminele organisatie, betrokkenheid bij uitvoer van 991,895 kilogram cocaïne van Ecuador naar België en betrokkenheid bij uitvoer van 272 kilogram cocaïne van Ecuador via België naar Nederland. Rb heeft uitlevering toelaatbaar verklaard t.z.v. oprichten van criminele organisatie en uitvoer van 991,895 kilogram cocaïne van Ecuador naar België en uitlevering voor het overige ontoelaatbaar verklaard. 1. OM-cassatie. Ne bis in idem-beginsel t.a.v. tweede drugsfeit, art. 9.1 EUV en 9.1 UW. Kon Rb oordelen dat niet kan worden uitgesloten dat opgeëiste persoon in Nederland al (onherroepelijk) is berecht voor ditzelfde feit? 2. Cassatie opgeëiste persoon. Beroep op ne bis in idem-beginsel t.a.v. eerste drugsfeit en toelaatbaarverklaring van uitlevering t.a.v. oprichten van criminele organisatie. Ad 1. Uit stukken volgt dat opgeëiste persoon door autoriteiten van Montenegro wordt verdacht van verkoop van partij cocaïne van 272 kilogram, afkomstig uit Ecuador, die op 14-12-2020 in Antwerpen is aangekomen en die vervolgens op 19-12-2020 naar Nederland is vervoerd en daar aan opgeëiste persoon is overhandigd, waarna verkoop van partij door opgeëiste persoon heeft plaatsgevonden in periode van medio december 2020 tot en met begin februari 2021. Uit stukken volgt verder dat opgeëiste persoon in Nederland is vervolgd en (onherroepelijk) berecht i.v.m. gedragingen m.b.t. partij cocaïne die op 17-12-2020 in Antwerpen is aangekomen. Rb heeft uitlevering van opgeëiste persoon aan Montenegro ontoelaatbaar verklaard voor strafvervolging voor “ongeoorloofde productie, in bezit hebben en in het verkeer brengen van verdovende middelen, v.zv. dit feit ziet op verkoop van partij cocaïne in Nederland in periode van december 2020 tot en met februari 2021”. Daartoe heeft Rb overwogen dat “niet kan worden uitgesloten” dat opgeëiste persoon in Nederland al (onherroepelijk) is berecht voor hetzelfde feit als waarvoor uitlevering is verzocht. Dat oordeel is niet begrijpelijk. O.g.v. wat in CAG is vermeld, moet worden aangenomen dat feit waarvoor opgeëiste persoon in Nederland onherroepelijk is berecht niet hetzelfde feit is als een van feiten waarvoor zijn uitlevering is verzocht, met uitzondering van gedragingen t.a.v. (minimaal) 1 blok cocaïne op of omstreeks 29-12-2020 en (minimaal) 4 blokken cocaïne op of omstreeks 4-2-2021. Nu verder niet is gebleken van bestaan van feiten en omstandigheden die (behalve m.b.t. gedragingen t.a.v. (minimaal) 1 blok cocaïne op of omstreeks 29-12-2020 en (minimaal) 4 blokken cocaïne op of omstreeks 4-2-2021) aan toelaatbaarheid van verzochte uitlevering in de weg zouden staan, kan HR de zaak zelf afdoen. HR doet wat Rb had moeten doen en verklaart uitlevering ook toelaatbaar voor betrokkenheid bij uitvoer van 272 kilogram cocaïne van Ecuador via België naar Nederland. Ad 2. HR: art. 81.1 RO.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

STRAFKAMER

Nummer 26/00836 U

Datum 1 september 2026

ARREST

op het beroep in cassatie tegen een uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 17 februari 2026, nummer UTL-l-2023021113, op verzoek van de Republiek Montenegro tot uitlevering

van

[de opgeëiste persoon] ,

geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1989,

hierna: de opgeëiste persoon.

1. Procesverloop in cassatie

2. Beoordeling van de cassatiemiddelen die namens de opgeëiste persoon zijn voorgesteld

3. Beoordeling van het cassatiemiddel dat door het openbaar ministerie is voorgesteld

De beroepen zijn ingesteld door de opgeëiste persoon en het openbaar ministerie.

Namens de opgeëiste persoon heeft de advocaat S.N. de Jager bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld. Ook het openbaar ministerie heeft bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld.

De raadsvrouw van de opgeëiste persoon heeft het beroep van het openbaar ministerie tegengesproken.

De advocaat-generaal V.M.A. Sinnige heeft geconcludeerd tot:

- vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend voor wat betreft de beslissing van de rechtbank dat de uitlevering “voor het overige” ontoelaatbaar is,

- toelaatbaarverklaring van de uitlevering ter strafvervolging van: de ongeoorloofde productie, in bezit hebben en in het verkeer brengen van verdovende middelen, voor zover dit feit ziet op de verkoop van 267 kilo cocaïne in Nederland in de periode van medio december 2020 tot en met begin februari 2021;

- ontoelaatbaarverklaring van de uitlevering voor het overige, en

- verwerping van het beroep voor het overige.

De raadsvrouw van de opgeëiste persoon heeft daarop schriftelijk gereageerd.

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van de rechtbank beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).

Het cassatiemiddel klaagt over de gedeeltelijke ontoelaatbaarverklaring van de verzochte uitlevering door de rechtbank op de grond dat, kort gezegd, niet kan worden uitgesloten dat uitlevering een schending van het ne bis in idem-beginsel oplevert.

Het verzoek tot uitlevering en het procesverloop zijn weergegeven in de conclusie van de advocaat-generaal onder 3 en 4.

De uitspraak van de rechtbank houdt onder meer in:

“2.2 Het standpunt van de opgeëiste persoon

Namens de opgeëiste persoon is primair bepleit dat de verzochte uitlevering ontoelaatbaar moet worden verklaard. (...)

De raadsvrouw heeft zich daarnaast op het standpunt gesteld dat de uitlevering ontoelaatbaar moet worden verklaard omdat sprake is van een schending van het ne bis in idem-beginsel. Hiertoe heeft de raadsvrouw aangevoerd dat de verdenking in Montenegro is gebaseerd op datasets die verkregen zijn uit een tweetal Sky-accounts die aan de opgeëiste persoon worden toegeschreven. Diezelfde datasets en Sky-accounts zijn reeds in een Nederlandse onderzoek door het Openbaar Ministerie doorzocht en beoordeeld, waarna een tenlastelegging is opgesteld. De opgeëiste persoon is vervolgens op basis van die tenlastelegging onherroepelijk berecht zoals blijkt uit het in de betreffende zaak gewezen vonnis van de rechtbank Amsterdam van 10 maart 2023. De feiten waarvoor thans de uitlevering wordt verzocht, zijn door het Openbaar Ministerie niet op de Nederlandse tenlastelegging opgenomen. Hieruit vloeit voort dat het Openbaar Ministerie heeft besloten om de opgeëiste persoon voor deze feiten niet te vervolgen. Met dit besluit is de vervolging van de opgeëiste persoon voor deze feiten in Nederland geëindigd, zodat sprake is van een situatie zoals bedoeld in artikel 9 lid 1 onder b UW en de uitlevering dus ontoelaatbaar moet worden verklaard. De raadsvrouw heeft verder aangevoerd dat op basis van de door Montenegro overgelegde stukken niet kan worden uitgesloten dat er overlap bestaat tussen de feiten waarvoor Montenegro de uitlevering heeft verzocht en de feiten die aan de opgeëiste persoon ten laste zijn gelegd in de zaak die heeft geleid tot het onherroepelijke vonnis van de rechtbank Amsterdam van 10 maart 2023, zodat sprake is van een situatie zoals bedoeld in artikel 9 lid 1 onder c of d UW.

(...)

3. Beoordeling van de toelaatbaarheid van de gevraagde uitlevering

(...)

Ne bis in idem

Met betrekking tot de door de raadsvrouw gevoerde verweren overweegt de rechtbank als volgt.

Blijkens de door Montenegro overgelegde stukken wordt de opgeëiste persoon in Montenegro verdacht van het oprichten van een criminele organisatie en twee strafbare feiten van ongeoorloofde productie, in bezit hebben en in het verkeer brengen van verdovende middelen. Het eerste drugsfeit ziet op een partij cocaïne (991,895 kg) die op 22 november 2020 in Ecuador in een container is aangetroffen. De container, met bestemming Antwerpen (België), is onderschept door de Narcoticabrigade van Ecuador. Het tweede drugsfeit betreft de verkoop van een partij cocaïne (272 kg) die in de periode november 2020 tot halverwege december 2020 vanuit Ecuador via de haven van Antwerpen (België) naar Nederland is vervoerd. Vanaf halverwege december 2020 tot begin februari 2021 zou deze partij cocaïne in Nederland door de opgeëiste persoon zijn verkocht voor een totaalbedrag van € 7.616.500.

In Nederland is de opgeëiste persoon bij onherroepelijk vonnis van 10 maart 2023 door de rechtbank Amsterdam veroordeeld voor – kort gezegd – tweemaal het voorbereiden van de invoer van cocaïne naar Nederland in juli 2020, het aanwezig hebben van een partij cocaïne in september 2020 en de uitvoer van een partij heroïne naar Oostenrijk in de periode van 25 februari 2021 tot en met 1 maart 2021. De opgeëiste persoon is vrijgesproken voor – kort gezegd – het opzettelijk in-/uitvoeren of aanwezig hebben van:

- (minimaal) 3 blokken/kilogram cocaïne op of omstreeks 28 juli 2020;

- (minimaal) 20 blokken/kilogram cocaïne in of omstreeks de periode van 12 december 2020 tot en met 18 december 2020;

- (minimaal) 1 blok/kilogram cocaïne op of omstreeks 29 december 2020;

- (minimaal) 15 blokken/kilogram cocaïne op of omstreeks 2 februari 2021;

- (minimaal) 22 blokken/kilogram cocaïne in of omstreeks de periode van 1 maart 2021 tot en met 2 maart 2021.

(...)

De raadsvrouw heeft voorts betoogd dat sprake is van een situatie zoals bedoeld in artikel 9, eerste lid onder c UW, nu niet kan worden uitgesloten dat er overlap bestaat tussen de feiten waarvoor de uitlevering wordt verzocht en de feiten waarvoor de opgeëiste persoon in Nederland is vervolgd en berecht.

Op grond van artikel 9 lid 1 onder c en d UW is de uitlevering van de opgeëiste persoon niet toegestaan indien hij voor het feit waarvoor de uitlevering wordt verzocht reeds door de Nederlandse rechter onherroepelijk is vrijgesproken of veroordeeld en de opgelegde straf of maatregel reeds is ondergaan.

Ten aanzien van het eerste drugsfeit waarvoor de uitlevering door Montenegro is verzocht (een partij cocaïne die op 22 november 2020 in Ecuador is aangetroffen), stelt de rechtbank vast dat er geen sprake is van een overlap in de tijd of het handelen van de opgeëiste persoon met de feiten waarvoor de opgeëiste persoon door de Nederlandse rechter bij genoemd vonnis van 10 maart 2023 (onherroepelijk) is vrijgesproken of veroordeeld. Van een situatie zoals bedoeld in artikel 9 lid 1 onder c of d UW is naar het oordeel van de rechtbank dan ook geen sprake. In zoverre wordt het verweer van de raadsvrouw verworpen.

Ten aanzien van het tweede drugsfeit waarvoor de uitlevering door Montenegro is verzocht, overweegt de rechtbank het volgende. Op basis van de door Montenegro overgelegde stukken en het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 10 maart 2023 ziet de rechtbank een zodanig verband met betrekking tot de gelijktijdigheid van het handelen en de schuld van de opgeëiste persoon dat niet kan worden uitgesloten dat de opgeëiste persoon in Nederland reeds (onherroepelijk) is berecht voor hetzelfde feit als waarvoor de uitlevering is verzocht. Uit het vonnis van de rechtbank Amsterdam blijkt immers dat verdachte (onder meer) is vrijgesproken van – kort gezegd – het opzettelijk in-/uitvoeren of aanwezig hebben van meerdere blokken cocaïne in de periode van 12 december 2020 tot en met 2 februari 2021, terwijl het feitencomplex waarvoor de uitlevering is verzocht ziet op een partij cocaïne die in de periode van november 2020 tot en met begin februari 2021 vanuit Ecuador, via Antwerpen, naar Nederland is vervoerd en aldaar door de opgeëiste persoon zou zijn verkocht. Ook op basis van de aanvullende informatie van de Montenegrijnse autoriteiten van 24 oktober 2025 kan niet worden uitgesloten dat sprake is van een situatie zoals bedoeld in artikel 9 lid 1 onder c UW. Gelet op voorgaande overwegingen slaagt het verweer van de raadsvrouw, in die zin dat het verzoek tot uitlevering ontoelaatbaar dient te worden verklaard voor zover het betrekking heeft op het tweede strafbare feit van ongeoorloofde productie, in bezit hebben en in het verkeer brengen van verdovende middelen.

Montenegro heeft tot slot de uitlevering van de opgeëiste persoon verzocht wegens het oprichten van een criminele organisatie. Uit vaste jurisprudentie van de Hoge Raad volgt dat het ne bis in idem-beginsel aan een vervolging voor deelname aan een criminele organisatie in de weg staat, als de deelneming van de opgeëiste persoon aan die criminele organisatie op niets anders betrekking heeft dan het begaan van een concreet delict waarvoor de opgeëiste persoon al (onherroepelijk) is vervolgd. Vervolging voor deelname aan een criminele organisatie is volgens de Hoge Raad wel mogelijk als de tenlastelegging ook ziet op andere (deelnemings)gedragingen dan die waarvoor de opgeëiste persoon al is vervolgd. Naar het oordeel van de rechtbank doet deze laatste situatie zich in onderhavige zaak voor. Uit de door Montenegro overgelegde stukken blijkt immers dat de verdenking van betrokkenheid bij een criminele organisatie (mede) berust op twee verschillende feitencomplexen. De omstandigheid dat de rechtbank voor één van deze feitencomplexen ne bis in idem heeft aangenomen, betekent derhalve niet dat ook voor het oprichten van een criminele organisatie sprake is van een situatie zoals bedoeld in artikel 9 lid 1 onder c UW. In zoverre wordt het verweer van de raadsvrouw dan ook verworpen.

Gelet op voorgaande overwegingen acht de rechtbank geen gronden aanwezig om nader onderzoek te laten doen naar de feiten waarvoor Montenegro de opgeëiste persoon wenst te vervolgen noch om garanties te verkrijgen dat het ne bis in idem-beginsel niet wordt geschonden. De rechtbank ziet in het voorgaande evenmin aanleiding om de minister conform het bepaalde in artikel 9, eerste lid, tweede volzin, EUV te adviseren om uitlevering te weigeren wegens een gerechtvaardigd vertrouwen van de opgeëiste persoon dat hij voor de feiten waarvoor de uitlevering wordt gevraagd, niet (verder) zou worden vervolgd.

(...)

Conclusie

Gelet op vorenstaande overwegingen en het feit dat ook overigens niet is gebleken van een beletsel voor de toelaatbaarheid van de verzochte uitlevering, zal de rechtbank de uitlevering aan Montenegro van de opgeëiste persoon toelaatbaar verklaren ten aanzien van:

- het oprichten van een criminele organisatie; en

- de ongeoorloofde productie, in bezit hebben en in het verkeer brengen van verdovende middelen, voor zover dit feit ziet op het voorgenomen transport van een partij cocaïne (991,895 kg) van Ecuador naar België in november 2020.

De rechtbank zal voorts de uitlevering aan Montenegro van de opgeëiste persoon ontoelaatbaar verklaren ten aanzien van:

- de ongeoorloofde productie, in bezit hebben en in het verkeer brengen van verdovende middelen, voor zover dit feit ziet op de verkoop van een partij cocaïne in Nederland in de periode van december 2020 tot en met februari 2021.

(...)

5. Beslissing

De rechtbank:

- verklaart toelaatbaar de uitlevering aan de autoriteiten van Montenegro van [de opgeëiste persoon] , geboren op [geboortedatum] 1989 te [geboorteplaats] , ter strafvervolging van

- het oprichten van een criminele organisatie; en

- de ongeoorloofde productie, in bezit hebben en in het verkeer brengen van verdovende middelen, voor zover dit feit ziet op de voorgenomen uitvoer van een partij cocaïne (991,895 kg) van Ecuador naar België in november 2020,

zoals vermeld in het bevel tot het verrichten van een onderzoek van 17 maart 2023, uitgevaardigd door het Speciaal Parket van Montenegro, in samenhang beschouwd met het opsporingsbevel van 30 maart 2023 dat is uitgevaardigd door de rechter-commissaris van de Hoge Rechtbank in Podgorica te Montenegro;

- verklaart de uitlevering voor het overige ontoelaatbaar.”

Volgens het proces-verbaal van de behandeling van het verzoek tot uitlevering van 15 januari 2026 heeft de officier van justitie daar het woord gevoerd overeenkomstig zijn schriftelijk aanvullend standpunt. Dat standpunt houdt onder meer in:

“Het tweede feitencomplex waarvoor Montenegro de uitlevering verzoekt heeft betrekking op een lading cocaïne (272 kg) die in november 2020 in Ecuador is geladen, op 15 december 2020 in Antwerpen is gelost en op 19 december 2020 in Nederland aan [de opgeëiste persoon] zou zijn overgedragen waarna hij tot begin februari 2021 die partij zou hebben verkocht. In de Nederlandse strafzaak zien de bewezenverklaring en vrijspraken voor het overgrote deel op de periode vóór november 2020. Voor een klein deel niet; daar is dan sprake van mogelijke overlap met het tweede feitencomplex zoals omschreven in de stukken bij het uitleveringsverzoek van Montenegro. Ik ga hier nader op in.

Uit de combinatie van het requisitoir en het vonnis in de Nederlandse strafzaak is te halen dat de vrijspraak m.b.t. het feit dat is gepleegd van 12 tot en met 18 december 2020 ziet op de coördinatie door verdachte van het uithalen van een hoeveelheid cocaïne van minimaal 20 blokken van een schip dat op 12 december 2020 is vertrokken en op 17 december 2020 is aangekomen in Antwerpen. Dit is gelet op de data een andere lading dan de cocaïne die in de Montenegrijnse zaak per schip in Antwerpen is aangekomen op 14 december 2020. Geen ne bis in idem.

Het overige deel van de telastelegging waarvan is vrijgesproken en die vallen in de Montenegrijnse periode en delictsomschrijving gaat blijkens het requisitoir in de Nederlandse strafzaak om:

- een door verdachte verstuurde foto op 29 december 2020 van 1 blok cocaïne;

- een door verdachte verzonden korte chat met foto’s op 4 februari 2021 betrekking hebbend op 2 of 4 blokken cocaïne (...).

Mogelijk betreft dit blokken cocaïne uit het transport waar Montenegro verdachte nog voor wenst te vervolgen. De verdenking in Montenegro ziet echter mede op het ongeoorloofd produceren, bezitten en in het verkeer brengen van een hoeveelheid van 272 pakketten vanuit Ecuador (met als pleegplaats op de Nederlandse telastelegging opgenomen) via Antwerpen naar Nederland en beslaat dus een veel ruimer feitencomplex dan de beschreven feiten waarvan verdachte is vrijgesproken.

Gelet op het voorgaande luidt het subsidiaire standpunt dat de uitlevering toelaatbaar kan worden verklaard met uitzondering van:

het ongeoorloofd produceren, bezitten en het in het verkeer brengen van

1 blok cocaïne op 29 december 2020,

4 blokken cocaïne op 4 februari 2021 (...).

Voor die feiten dient de ontoelaatbaarheid uitgesproken te worden.”

Uit de stukken volgt dat de opgeëiste persoon door de autoriteiten van Montenegro wordt verdacht van de verkoop van een partij cocaïne van 272 kilogram, afkomstig uit Ecuador, die op 14 december 2020 in Antwerpen is aangekomen en die vervolgens op 19 december 2020 naar Nederland is vervoerd en daar aan de opgeëiste persoon is overhandigd, waarna de verkoop van de partij door de opgeëiste persoon heeft plaatsgevonden in de periode van medio december 2020 tot en met begin februari 2021. Uit de stukken volgt verder dat de opgeëiste persoon in Nederland is vervolgd en (onherroepelijk) berecht in verband met gedragingen met betrekking tot een partij cocaïne die op 17 december 2020 in Antwerpen is aangekomen.

De rechtbank heeft de uitlevering van de opgeëiste persoon aan Montenegro ontoelaatbaar verklaard voor strafvervolging voor “de ongeoorloofde productie, in bezit hebben en in het verkeer brengen van verdovende middelen, voor zover dit feit ziet op de verkoop van een partij cocaïne in Nederland in de periode van december 2020 tot en met februari 2021”. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat “niet kan worden uitgesloten” dat de opgeëiste persoon in Nederland al (onherroepelijk) is berecht voor hetzelfde feit als waarvoor de uitlevering is verzocht. Dat oordeel is niet begrijpelijk. Op grond van wat in de conclusie van de advocaat-generaal onder 7.2 tot en met 7.9 is vermeld, moet worden aangenomen dat het feit waarvoor de opgeëiste persoon in Nederland onherroepelijk is berecht niet hetzelfde feit is als een van de feiten waarvoor zijn uitlevering is verzocht, met uitzondering van gedragingen ten aanzien van (minimaal) één blok cocaïne op of omstreeks 29 december 2020 en (minimaal) vier blokken cocaïne op of omstreeks 4 februari 2021.

Het cassatiemiddel is terecht voorgesteld. De Hoge Raad zal de uitspraak van de rechtbank vernietigen ten aanzien van de ontoelaatbaarverklaring van de uitlevering “voor het overige” en doen wat de rechtbank had moeten doen.

Nu verder niet is gebleken van het bestaan van feiten en omstandigheden die – behalve met betrekking tot de gedragingen ten aanzien van (minimaal) één blok cocaïne op of omstreeks 29 december 2020 en (minimaal) vier blokken cocaïne op of omstreeks 4 februari 2021 – aan de toelaatbaarheid van de verzochte uitlevering in de weg zouden staan, kan de Hoge Raad de zaak zelf afdoen. De Hoge Raad zal de uitlevering daarom toelaatbaar verklaren zoals hierna onder 4 is omschreven.

4. Beslissing

De Hoge Raad:

- vernietigt de uitspraak van de rechtbank, maar uitsluitend voor wat betreft de beslissing van de rechtbank dat de uitlevering “voor het overige” ontoelaatbaar is;

- verklaart de uitlevering toelaatbaar voor de ongeoorloofde productie, in bezit hebben en in het verkeer brengen van verdovende middelen, voor zover dit feit ziet op de verkoop van 267 kilogram cocaïne in Nederland in de periode van medio december 2020 tot en met begin februari 2021;

- verklaart de uitlevering voor het overige ontoelaatbaar, en

- verwerpt de beroepen voor het overige.

Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren T. Kooijmans en F. Posthumus, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 1 september 2026.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand