ECLI:NL:HR:2026:1405

ECLI:NL:HR:2026:1405

Instantie Hoge Raad
Datum uitspraak 01-09-2026
Datum publicatie 31-08-2026
Zaaknummer 24/00368
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Cassatie
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:PHR:2026:593
Formele relatie: ECLI:NL:GHSHE:2024:263

Samenvatting

Profijtontneming, w.v.v. uit medeplegen mensenhandel door slachtoffers in prostitutie te laten werken. Hoofdelijke betalingsverplichting ex art. 36e.7 Sr. Kon hof aan betrokkene betalingsverplichting opleggen voor geheel bedrag aan w.v.v.? HR herhaalt relevante overwegingen uit HR:2015:878 m.b.t. opleggen hoofdelijke betalingsverplichting bij ‘gemeenschappelijk voordeel’. Tegen deze achtergrond is ’s hofs oordeel dat betalingsverplichting hoofdelijk moet worden opgelegd, niet toereikend gemotiveerd. Daarbij is van belang dat uit bewijsvoering in strafzaak volgt dat opbrengst van mensenhandel van slachtoffer A deels is overgeboekt naar bankrekeningen van medebetrokkene, terwijl hof in ontnemingsprocedure niet heeft vastgesteld dat betrokkene en medebetrokkene daarover gezamenlijk beschikking hebben of gedurende zekere tijd gezamenlijk beschikking hebben gehad. Aan die bewijsvoering kan daarom niet zonder meer worden ontleend dat betrokkene daadwerkelijk gezamenlijk met medebetrokkene de beschikking heeft of gedurende zekere tijd de beschikking heeft gehad over gehele opbrengst van bewezenverklaarde feiten en dat op die grond wederrechtelijk voordeel voor geheel als gemeenschappelijk voordeel aan betrokkene kan worden toegerekend. Volgt vernietiging en terugwijzing. Samenhang met 24/00367.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

STRAFKAMER

Nummer 24/00368 P

Datum 1 september 2026

ARREST

op het beroep in cassatie tegen een uitspraak van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 26 januari 2024, nummer 20-000377-22, op een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel ten laste

van

[betrokkene] ,

geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1993,

hierna: de betrokkene.

1. Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de betrokkene. Namens deze heeft de advocaat L.E.G. van der Hut bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.

De advocaat-generaal P.M. Frielink heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof ’s-Hertogenbosch, opdat de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.

2. Beoordeling van het eerste cassatiemiddel

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).

3. Beoordeling van het tweede cassatiemiddel

Het cassatiemiddel klaagt over de oplegging door het hof van een hoofdelijke betalingsverplichting aan de betrokkene voor het gehele bedrag aan wederrechtelijk verkregen voordeel.

In de strafzaak die met deze ontnemingsprocedure verband houdt, is bewezenverklaard dat de betrokkene zich schuldig heeft gemaakt aan, kort gezegd, 1. mensenhandel, gepleegd door twee of meer verenigde personen, van [benadeelde 1] en 2. mensenhandel, gepleegd door twee of meer verenigde personen, van [benadeelde 2] .

De bewezenverklaring van het onder 1 tenlastegelegde feit steunt op onder meer de volgende bewijsmiddelen:

“2. Het proces-verbaal van aangifte d.d. 14 september 2020 (...), voor zover inhoudende als verklaring van aangeefster [benadeelde 1] ;

(...)

[betrokkene 1] had mijn bankpas, dus al het geld dat op mijn rekening binnenkwam ging naar [betrokkene 1] . Dat haalde ze eraf met mijn bankpas, contant pinnen. Soms deed ze het via internetbankieren, dat stond op mijn en op haar telefoon. Ze maakte het 5, 6, 7 keer over via internetbankieren. Dan hebben we het over 1.000 tot 2.000 euro. De omschrijving die ze erbij zette was dan: etentje, teruggave, avondje uit, dat soort dingen. Ik heb haar mijn bankpas gegeven, omdat ik anders klappen kreeg. Ik gaf hem haar toen we bij [betrokkene] kwamen, begin februari.

(...)

6. Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 26 juli 2021 (...), voor zover inhoudende als relaas van [verbalisant] ;

(...)

Uit verstrekte iRVI (infobox Rapportage Vermogen en Inkomsten) is gebleken dat [benadeelde 1] gebruik maakt van de bankrekeningen met nummers [rekeningnummer 1] , [rekeningnummer 2] en [rekeningnummer 3] bij respectievelijk de ABN AMRO bank en de Volksbank. De onderstaande bevindingen zijn gerelateerd aan de periode die [benadeelde 1] bij [betrokkene 2] heeft doorgebracht, namelijk van juli 2019 tot en met juni 2020.

(...)

Overboekingen naar en van bankrekeningen van [betrokkene 2] .

Ik, verbalisant, zag in de transactiegegevens van [rekeningnummer 1] 21 overboekingen van en naar de bankrekeningen [rekeningnummer 4] , [rekeningnummer 5] en [rekeningnummer 6] , allen op naam van [betrokkene 2] . Het totaal van overboekingen naar de bankrekeningen van [betrokkene 2] (dus afschrijvingen) bedroeg € 851,15.”

Het hof heeft het door de betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel geschat op € 19.258 en aan de betrokkene een hoofdelijke betalingsverplichting opgelegd ter ontneming van dat bedrag. Het hof heeft over de oplegging van een hoofdelijke betalingsverplichting overwogen:

“Toerekening aan de betrokkene en medebetrokkene

Indien het dossier en het verhandelde ter terechtzitting zodanige duidelijke aanwijzingen bevatten dat het vermoeden gerechtvaardigd is dat twee of meer, bekende of onbekende daders gezamenlijk de beschikking hebben of gedurende zekere tijd de beschikking hebben gehad over de gehele opbrengst van het strafbare feit of de strafbare feiten en de betrokkene als een van die daders geen, dat vermoeden ontzenuwende, gegevens daaromtrent verschaft kan de rechter het wederrechtelijk verkregen voordeel als gemeenschappelijk voordeel voor het geheel aan de betrokkene toerekenen.

Uit de bewijsmiddelen blijkt dat betrokkene [betrokkene] en medebetrokkene [betrokkene 2] gezamenlijk de beschikking hebben gehad over de gehele wederrechtelijke opbrengst. Daarbij acht het hof het volgende van belang.

De betrokkene en de medebetrokkene hebben de – voor het berekende wederrechtelijk verkregen voordeel relevante – strafbare feiten tezamen en in vereniging begaan.

Ten aanzien van de inkomsten uit de verdiensten van [benadeelde 1] overweegt het hof nog als volgt. Het door [benadeelde 1] verdiende contant geld moest worden afgestaan aan de medebetrokkene. De medebetrokkene legde het geld vervolgens in een kluis waarover de betrokkene en de medebetrokkene de beschikking hadden. Daarnaast werd het afgestane geld door beiden uitgegeven om onder andere in hun levensonderhoud te voorzien.

Ten aanzien van de inkomsten uit de verdiensten van [benadeelde 2] overweegt het hof als volgt. Uit de bewijsmiddelen is gebleken dat [benadeelde 2] haar verdiende geld moest afstaan. Zo werden door de betrokkene en de medebetrokkene van de ING-rekening van [benadeelde 2] contant gelden opgenomen met de pinpas (en pincode) van [benadeelde 2] die in het bezit was van zowel de betrokkene als de medebetrokkene. Verder is er van de ING-rekening van [benadeelde 2] geld overschreven naar de bankrekeningen van de betrokkene en de medebetrokkene. Hierover heeft [benadeelde 2] ook verklaard dat zowel de betrokkene als de medebetrokkene de beschikking hebben gehad over haar digitaal bankieren. Dat dit de intentie is geweest van de betrokkene en de medebetrokkene blijkt ook wel nu de betrokkene zich bij een medewerker van de ING-bank, de bank van [benadeelde 2] , zich in het telefoongesprek heeft voorgedaan als [benadeelde 2] om te proberen gegevens aan te passen. Dat er een deel van het wederrechtelijk verkregen voordeel op de rekening van de betrokkene en op die van de medebetrokkene is overgemaakt, maakt naar het oordeel van het hof niet dat ze niet gezamenlijk hebben kunnen beschikken over dit voordeel. Dit geldt temeer nu de betrokkene en de medebetrokkene in de periode van 1 januari 2021 tot en met 25 juni 2021 samen in de woning van de betrokkene woonden en een gemeenschappelijke (financiële) huishouding deelden.

Door de verdediging zijn geen ontzenuwende gegevens verschaft die het vermoeden dat de betrokkene en de medebetrokkene gezamenlijk de beschikking hadden over het wederrechtelijk verkregen voordeel ontkrachten. Deze omstandigheden maken samen dat het hof het wederrechtelijk verkregen voordeel als gemeenschappelijk voordeel voor het geheel aan de betrokkene toerekenen en dat de betrokkene en de medebetrokkene hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de gezamenlijke betalingsverplichting.

Op te leggen betalingsverplichting

Het hof zal aan de betrokkene hoofdelijk de verplichting opleggen tot betaling van na te melden bedrag aan de Staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel.”

Over de hoofdelijke aansprakelijkheid in de zin van artikel 36e lid 7 van het Wetboek van Strafrecht heeft de Hoge Raad in zijn arrest van 7 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:878 onder meer overwogen:

“2.4.8. Hoofdelijke aansprakelijkheid in de zin van art. 36e, zevende lid, Sr zal zich naar verwachting slechts in een beperkt aantal gevallen voordoen. In de situatie dat twee of meer daders van een strafbaar feit daarvan hebben geprofiteerd, maar aan het dossier en het verhandelde ter terechtzitting niet een indicatie valt te ontlenen voor de verdeling van de opbrengst, ligt pondspondsgewijze toerekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel meer voor de hand. In de gevallen dat niet kan worden vastgesteld met hoeveel mededaders het strafbare feit is gepleegd, kan op basis van de omstandigheden van het geval het daardoor verkregen voordeel ook voor een naar redelijkheid te bepalen gedeelte aan de betrokkene worden toegerekend. Indien het dossier en het verhandelde ter terechtzitting zodanige duidelijke aanwijzingen bevatten dat het vermoeden gerechtvaardigd is dat twee of meer, bekende of onbekende, daders gezamenlijk de beschikking hebben of gedurende zekere tijd de beschikking hebben gehad over de gehele opbrengst van het strafbare feit en de betrokkene als een van die daders geen, dat vermoeden ontzenuwende, gegevens daaromtrent verschaft - op welke situatie de wetgever bij invoering van het huidige art. 36e, zevende lid, Sr in het bijzonder oog had - kan de rechter het wederrechtelijk verkregen voordeel als gemeenschappelijk voordeel voor het geheel aan de betrokkene toerekenen. In zo een geval mag worden aangenomen dat het opleggen van de ontnemingsmaatregel voor het gemeenschappelijke geheel van het verkregen voordeel het met de ontnemingsmaatregel beoogde reparatoire karakter heeft.”

Tegen de achtergrond van wat onder 3.3 is weergegeven, is het oordeel van het hof dat de betalingsverplichting hoofdelijk moet worden opgelegd, niet toereikend gemotiveerd. Daarbij is van belang dat uit de onder 3.2.2 weergegeven bewijsvoering in de strafzaak volgt dat de opbrengst van de mensenhandel van [benadeelde 1] deels is overgeboekt naar bankrekeningen van de medebetrokkene, terwijl het hof in de ontnemingsprocedure niet heeft vastgesteld dat de betrokkene en de medebetrokkene daarover gezamenlijk de beschikking hebben of gedurende zekere tijd gezamenlijk de beschikking hebben gehad. Aan die bewijsvoering kan daarom niet zonder meer worden ontleend dat de betrokkene daadwerkelijk gezamenlijk met de medebetrokkene de beschikking heeft of gedurende zekere tijd de beschikking heeft gehad over de gehele opbrengst van de bewezenverklaarde feiten en dat op die grond het wederrechtelijk voordeel voor het geheel als gemeenschappelijk voordeel aan de betrokkene kan worden toegerekend.

Het cassatiemiddel slaagt in zoverre. Dat brengt mee dat bespreking van het restant van het cassatiemiddel niet nodig is.

4. Beslissing

De Hoge Raad:

- vernietigt de uitspraak van het hof;

- wijst de zaak terug naar het gerechtshof ’s-Hertogenbosch, opdat de zaak opnieuw wordt berecht en afgedaan.

Dit arrest is gewezen door de raadsheer C. Caminada als voorzitter, en de raadsheren T. Kooijmans en C.N. Dalebout, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 1 september 2026.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand