HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 24/04319
Datum 1 september 2026
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 13 november 2024, nummer 21-004396-23, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1973,
hierna: de verdachte.
1. Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft de advocaat P.D. Popescu bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.
De advocaat-generaal D.J.M.W. Paridaens heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, opdat de zaak opnieuw wordt berecht en afgedaan.
2. Beoordeling van het eerste cassatiemiddel
De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).
3. Beoordeling van het tweede cassatiemiddel
Het cassatiemiddel klaagt over het oordeel van het hof dat het door de verdachte ingestelde hoger beroep niet-ontvankelijk is omdat het te laat is ingesteld.
Het procesverloop in eerste aanleg is weergegeven in de conclusie van de advocaat-generaal onder 3.2. Samengevat houden de stukken het volgende in. De verdachte is in persoon gedagvaard voor de terechtzitting van de politierechter op 22 augustus 2014, waar de gemachtigde raadsvrouw van de verdachte is verschenen. Het onderzoek op de terechtzitting is door de politierechter voor bepaalde tijd geschorst tot de terechtzitting van 27 oktober 2014. Vervolgens hebben terechtzittingen plaatsgevonden op 27 oktober 2014 en 9 oktober 2015. De raadsvrouw van de verdachte heeft bij deze terechtzittingen telkens op voorhand aan de rechtbank laten weten niet te zullen verschijnen. Van de terechtzittingen van 27 oktober 2014 en 9 oktober 2015 is geen proces-verbaal opgemaakt, zodat niet kan worden vastgesteld of de verdachte daar is verschenen. De politierechter heeft op 9 oktober 2015 uitspraak gedaan. Daarbij is volstaan met een aantekening mondeling vonnis als bedoeld in artikel 378a van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv), die inhoudt dat het vonnis op tegenspraak is gewezen. Namens de verdachte is op 25 september 2023 hoger beroep ingesteld tegen dit vonnis.
Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep houdt onder meer in:
“Op vragen van het hof merkt de raadsman - zakelijk weergegeven - het volgende op:
(...)
U, voorzitter, houdt mij voor dat in het vonnis vermeld staat dat het vonnis op tegenspraak is gewezen en vraagt mij of ik daarover iets heb vernomen van cliënt. Cliënt was niet op de hoogte van de zitting. Dat staat zelfs in de machtiging voor het instellen van het hoger beroep. Voor het overige is het mij ook een raadsel. Het proces-verbaal van de zitting in oktober 2014 ontbreekt ook.
De advocaat-generaal merkt op dat hij ook geen (betekenings)stukken heeft van de zitting in oktober 2014.
De voorzitter geeft de advocaat-generaal de gelegenheid een standpunt in te nemen over de ontvankelijkheid van verdachte in zijn hoger beroep.
De advocaat-generaal merkt - zakelijk weergeven - het volgende op:
Ik stel mij primair op het standpunt dat verdachte niet-ontvankelijk verklaard moet worden in het hoger beroep. Het vonnis is op tegenspraak gewezen. Dat betekent dat verdachte in persoon aanwezig was dan wel dat zijn gemachtigd raadsman is verschenen. De termijn is vanaf dat moment gaan lopen. Verdachte heeft vervolgens veel te laat hoger beroep ingesteld.
De raadsman merkt - zakelijk weergegeven - het volgende op:
We weten niet hoe het is gelopen. In dat geval moet het in het voordeel van cliënt worden geïnterpreteerd, vooral ook omdat het proces-verbaal van de zitting van 27 oktober 2014 ontbreekt. We kunnen niet reconstrueren of er iemand bij die zitting aanwezig is geweest en of op dat moment is besloten om een nieuwe datum voor de inhoudelijke behandeling te plannen.
De oudste raadsheer merkt - zakelijk weergegeven - het volgende op:
In het dossier zit een mail van 8 oktober 2015 van de raadsman van verdachte, waarin hij laat weten niet op de zitting te zullen verschijnen. Het enige alternatief is dan dat verdachte in persoon is verschenen. We stellen vast dat in de aantekening van het mondeling vonnis staat dat het vonnis op tegenspraak is gewezen.
(...)
De voorzitter onderbreekt de zitting voor beraad. Na hervatting verklaart de voorzitter het onderzoek gesloten.
De voorzitter deelt als beslissing van het hof - zakelijk weergegeven - het volgende mee:
Het hof stelt vast dat de oproeping van verdachte voor de zitting van 9 oktober 2015 op de juiste wijze is geschied. Ten aanzien van de vraag of verdachte tijdig hoger beroep heeft ingesteld, is het hof van oordeel dat de vermelding op de aantekening van het mondeling vonnis tot uitgangspunt moet worden genomen. Hierop is aangegeven dat het vonnis op tegenspraak is gewezen. Door of namens verdachte zijn geen omstandigheden aangevoerd op grond waarvan het hof aanleiding heeft om aan de juistheid van deze vermelding in het vonnis te twijfelen. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat verdachte op grond van de wet gedurende veertien dagen na de uitspraak van het vonnis hoger beroep kon instellen. Het hoger beroep is pas op 25 september 2023, dus na het verstrijken van die termijn, ingesteld. Daarom zal verdachte niet-ontvankelijk worden verklaard in het hoger beroep.
De voorzitter deelt mede dat deze beslissing in het eindarrest nog uitgebreider zal worden gemotiveerd.”
Het hof heeft het door de verdachte ingestelde hoger beroep niet-ontvankelijk verklaard en daartoe overwogen:
“Uit de stukken volgt dat op 17 september 2015 tevergeefs is geprobeerd de dagvaarding voor de zitting van 9 oktober 2015 aan verdachte te betekenen op het adres [a-straat 1] in [plaats] . Door de koerier is ter plaatse een bericht van aankomst achtergelaten, waarin is vermeld dat de oproeping binnen de gestelde termijn kan worden afgehaald op het in de brief genoemde (post)kantoor of politiebureau. Daarnaast is op 6 oktober 2015 een afschrift van de oproeping naar voornoemd adres in [plaats] verzonden. Het hof is gelet op het voorgaande van oordeel dat de dagvaarding in eerste aanleg in overeenstemming met de toepasselijke wettelijke voorschriften is betekend.
Het hof stelt vast dat het proces-verbaal en het vonnis in eerste aanleg niet is uitgewerkt. Uit de aantekening van het mondeling vonnis van 9 oktober 2015 volgt dat de uitspraak van de politierechter in de zaak tegen verdachte op tegenspraak is gewezen. Door of namens verdachte zijn geen omstandigheden aangevoerd op grond waarvan het hof aanleiding heeft om aan de juistheid van deze vermelding in het vonnis te twijfelen. Zo kan aan het feit dat het proces-verbaal van de terechtzitting op 9 oktober 2015 niet is uitgewerkt ook niet de conclusie worden verbonden dat de zaak tegen verdachte, anders dan is vermeld in het vonnis, bij verstek is afgedaan. Uit de memo van de rechtbank Overijssel volgt immers dat het proces-verbaal ter terechtzitting niet is uitgewerkt, omdat “de zaak ouder is dan drie maanden”.
Het voorgaande leidt tot de conclusie dat verdachte op grond van de wet gedurende veertien dagen na de uitspraak van het vonnis hoger beroep kon instellen. Het hoger beroep is pas op 25 september 2023, dus na het verstrijken van die termijn, ingesteld. Daarom zal verdachte niet-ontvankelijk worden verklaard in het hoger beroep.”
De volgende bepalingen zijn van belang.
- Artikel 279 Sv:
“1. De verdachte die niet is verschenen, kan zich ter terechtzitting laten verdedigen door een advocaat die verklaart daartoe uitdrukkelijk te zijn gemachtigd. De rechtbank stemt daarmee in, onverminderd het bepaalde in artikel 278, tweede lid.
2. De behandeling van de zaak tegen de verdachte die zijn advocaat tot zijn verdediging heeft gemachtigd, geldt als een procedure op tegenspraak.”
- Artikel 280 lid 1 Sv:
“In het geval dat de verdachte niet op de terechtzitting verschijnt en de rechtbank geen aanleiding ziet voor
a. het nietig verklaren van de dagvaarding op grond van artikel 278, eerste lid of
b. het verlenen van een bevel tot medebrenging van de verdachte, bedoeld in artikel 278, tweede en derde lid,
beveelt zij dat tegen de verdachte verstek wordt verleend en dat de behandeling van de zaak buiten zijn aanwezigheid wordt voortgezet, tenzij zij heeft ingestemd met verdediging op de voet van artikel 279.”
- Artikel 408 lid 1, 2 en 4 Sv:
“1. Het hoger beroep moet binnen veertien dagen na de einduitspraak worden ingesteld indien:
a. de dagvaarding of oproeping om op de terechtzitting te verschijnen of de aanzegging of oproeping voor de nadere terechtzitting aan de verdachte in persoon is gedaan of betekend;
b. de verdachte op de terechtzitting of nadere terechtzitting is verschenen;
c. zich anderszins een omstandigheid heeft voorgedaan waaruit voortvloeit dat de dag van de terechtzitting of van de nadere terechtzitting de verdachte tevoren bekend was;
(...)
2. In andere gevallen dan de in het eerste lid genoemde moet het hoger beroep worden ingesteld binnen veertien dagen nadat zich een omstandigheid heeft voorgedaan waaruit voortvloeit dat de einduitspraak de verdachte bekend is.
4. Indien het onderzoek op de terechtzitting voor onbepaalde tijd is geschorst en de aanzegging of oproeping voor de nadere terechtzitting niet in persoon is gedaan of betekend, dan is de termijn bedoeld in het tweede lid van toepassing, tenzij
a. de verdachte op de nadere terechtzitting is verschenen of
b. zich anderszins een omstandigheid heeft voorgedaan waaruit voortvloeit dat de dag van de nadere terechtzitting de verdachte tevoren bekend was.
Indien een van deze twee uitzonderingen zich voordoet, is de termijn genoemd in de aanhef van het eerste lid van toepassing.”
Het hof heeft geoordeeld dat het hoger beroep binnen veertien dagen na de einduitspraak in eerste aanleg had moeten worden ingesteld, nu op de aantekening van het mondeling vonnis van de politierechter is vermeld dat het vonnis op 9 oktober 2015 “op tegenspraak” is gewezen. Daarmee heeft het hof kennelijk tot uitdrukking gebracht dat uit die vermelding volgt dat zich een van de in artikel 408 lid 1 Sv bedoelde omstandigheden heeft voorgedaan. Dit oordeel is niet begrijpelijk. Uit de enkele vermelding dat het vonnis op 9 oktober 2015 “op tegenspraak” is gewezen, volgt niet dat zich een in artikel 408 lid 1 Sv bedoelde omstandigheid heeft voorgedaan waaruit voortvloeit dat de dag van de terechtzitting van 9 oktober 2015 tevoren aan de verdachte bekend was. Met het verschijnen van de gemachtigde raadsvrouw op de terechtzitting van 22 augustus 2014 gold de behandeling van de zaak immers al voor de gehele procesfase in eerste aanleg als een procedure op tegenspraak, ongeacht of de verdachte dan wel een gemachtigd raadsvrouw of raadsman op (één van) de latere terechtzittingen is verschenen (vgl. HR 9 december 2003, ECLI:NL:HR:2003:AG3022, rechtsoverweging 3.4). Ook anderszins kan uit het onder 3.2.1 weergegeven procesverloop niet worden afgeleid dat zich een van de in artikel 408 lid 1 Sv bedoelde omstandigheden heeft voorgedaan.
Het cassatiemiddel slaagt.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof;
- wijst de zaak terug naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, opdat de zaak opnieuw wordt berecht en afgedaan.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren M. Kuijer en C.N. Dalebout, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 1 september 2026.