HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer 25/02299
Datum 18 september 2026
ARREST
in de zaak van
[X] B.V. (hierna: belanghebbende)
tegen
1. de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN
2. de STAAT (de MINISTER VAN JUSTITIE EN VEILIGHEID)
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Den Haag van 21 mei 2025, nr. BK-24/719, op het verzet van belanghebbende tegen een uitspraak van het Hof van 22 oktober 2024.
1. Geding in cassatie
Belanghebbende, vertegenwoordigd door A.F.M.J. Verhoeven, heeft tegen de uitspraak van het Hof op het verzet beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staatssecretaris, vertegenwoordigd door [P], heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.
2. Uitgangspunten in cassatie
Op 5 augustus 2024 heeft Hefna B.V. (hierna: Hefna), vertegenwoordigd door A.F.M.J. Verhoeven, bij het Hof via het daartoe opengestelde webportaal namens belanghebbende hoger beroep ingesteld tegen een uitspraak van de Rechtbank Den Haag betreffende een aan belanghebbende opgelegde naheffingsaanslag in de belasting van personenauto's en motorrijwielen.
Het hogerberoepschrift bevatte niet de gronden van het hoger beroep, terwijl het dat op grond van artikel 6:5, lid 1, aanhef en letter d, Awb in samenhang gelezen met artikel 6:24 Awb wel moet bevatten. De griffier van het Hof heeft Hefna op 5 augustus 2024 gelegenheid gegeven om dit verzuim te herstellen binnen een daartoe gestelde termijn en daarbij, in overeenstemming met hetgeen is bepaald in artikel 6:6 Awb in samenhang gelezen met artikel 6:24 Awb, erop gewezen dat indien het verzuim niet tijdig wordt hersteld, het hoger beroep niet-ontvankelijk kan worden verklaard.
Op de laatste dag van de door de griffier van het Hof gestelde termijn (op 2 september 2024) heeft Hefna via het webportaal verzocht om verlenging van de termijn voor het indienen van de gronden van het hoger beroep. Waarom Hefna deze verlenging wenste, heeft zij niet toegelicht.Nog diezelfde dag heeft de griffier van het Hof haar via het webportaal bericht dat het verzoek is afgewezen. Hefna heeft een dag na het verstrijken van de daartoe gestelde termijn de gronden van het hoger beroep via het webportaal ingediend. Het Hof heeft het hoger beroep met toepassing van artikel 8:54 Awb, in samenhang gelezen met artikel 8:108, lid 1, Awb, niet-ontvankelijk verklaard omdat de gronden van het hoger beroep niet binnen de daartoe gestelde termijn zijn ingediend.
Op de voet van artikel 8:55 Awb heeft belanghebbende tegen de uitspraak van het Hof verzet gedaan. Het Hof heeft het verzet ongegrond verklaard en daartoe het volgende overwogen.
Het Hof heeft vooropgesteld – onder verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad van 18 december 2009, ECLI:NL:HR:2009:BJ9616 – dat de in artikel 6:5, lid 1, aanhef en letter d, Awb neergelegde motiveringseis ertoe strekt om de rechter de in artikel 8:69, lid 1, Awb bedoelde grondslag voor zijn uitspraak te verschaffen en het bestuursorgaan in staat te stellen te bepalen waartegen het verweer voert. Om die reden is belanghebbende de hiervoor in 2.2 vermelde mogelijkheid van herstel van het verzuim geboden.Omdat de gronden van het hoger beroep na afloop van de geboden termijn voor herstel zijn ingediend en er geen redenen zijn gegeven voor een eventuele verschoonbaarheid van de te late aanlevering van die gronden, is het hoger beroep naar het oordeel van het Hof terecht niet-ontvankelijk verklaard.
Het Hof heeft geoordeeld dat in de omstandigheden van het geval ook het Unierecht niet in de weg staat aan afwijzing van het verzoek om verlenging van de termijn voor het indienen van de gronden. Het Hof heeft gewezen op vaste rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie waaruit volgt dat het in Unierechtelijke zaken toepasselijke procesrecht, bij gebreke van Unierechtelijke voorschriften ter zake, wordt beheerst door de beginselen van gelijkwaardigheid, doeltreffendheid en effectieve rechtsbescherming. Deze beginselen houden in dat de desbetreffende nationale procedureregels voor vorderingen die worden ingediend ter bescherming van rechten die justitiabelen aan het Unierecht ontlenen, niet ongunstiger mogen zijn dan die voor soortgelijke nationale vorderingen (gelijkwaardigheidsbeginsel) en dat zij de uitoefening van de door het Unierecht verleende rechten in de praktijk niet onmogelijk of uiterst moeilijk mogen maken (doeltreffendheidsbeginsel). In dit kader heeft het Hof verworpen de stelling van belanghebbende dat het Hof verplicht is prejudiciële vragen te stellen aan het Hof van Justitie.
3. Beoordeling van het middel
Het middel richt zich tegen de hiervoor in 2.4.1 en 2.4.3 weergegeven oordelen van het Hof. Het middel herhaalt het voor het Hof gehouden betoog over het in artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: het Handvest) neergelegde recht van eenieder wiens door het recht van de Unie gewaarborgde rechten en vrijheden zijn geschonden, op een doeltreffende voorziening in rechte, dus op effectieve toegang tot de rechter. Dit recht kan slechts worden beperkt overeenkomstig het bepaalde in artikel 52 van het Handvest. Door het volstrekt onnodig weigeren van uitstel voor het indienen van de gronden, wordt niet aan de in het laatstgenoemde artikel vermelde voorwaarden voldaan, en had het Hof het hoger beroep niet niet-ontvankelijk mogen verklaren, aldus het middel.
Bij de beoordeling van het middel wordt het volgende vooropgesteld.
Op de nationale rechter rust de verplichting om de rechterlijke bescherming van de rechten die justitiabelen ontlenen aan het Unierecht, te verzekeren. Tot die rechten behoort het in artikel 47 van het Handvest neergelegde recht van justitiabelen op een doeltreffende voorziening in rechte, met inachtneming van de in dat artikel gestelde voorwaarden. De in artikel 47 van het Handvest bedoelde effectieve rechterlijke bescherming betreft de verschillende aspecten van de beroepsprocedure, waaronder het recht op toegang tot de rechter. Tenzij het Unierecht op specifieke rechtsgebieden daarover voorschriften bevat, behoort die inrichting tot de procedurele autonomie van de lidstaten. Dit betekent dat elke lidstaat zelf de procesregels mag vaststellen voor de administratieve procedure en de gerechtelijke procedure ter bescherming van de rechten die de justitiabelen aan het Unierecht ontlenen.
De door lidstaten vastgestelde procedureregels mogen niet ongunstiger zijn dan die welke voor soortgelijke situaties naar nationaal recht gelden (gelijkwaardigheidsbeginsel) en zij mogen de uitoefening van de door het Unierecht verleende rechten in de praktijk niet onmogelijk of uiterst moeilijk maken (doeltreffendheidsbeginsel). Verder volgt uit artikel 52, lid 1, van het Handvest dat beperkingen op het in artikel 47 van het Handvest bedoelde recht op een doeltreffende voorziening in rechte niet zijn uitgesloten. Met inachtneming van het evenredigheidsbeginsel kunnen volgens artikel 52, lid 1, van het Handvest beperkingen worden gesteld, indien deze noodzakelijk zijn en daadwerkelijk beantwoorden aan door de Unie erkende doelstellingen van algemeen belang of aan de eisen van de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen. Dergelijke beperkingen moeten bij wet worden gesteld en moeten het hiervoor bedoelde recht wezenlijk eerbiedigen.
In deze zaak stelt het middel specifiek aan de orde of de artikelen 47 en 52, lid 1, van het Handvest zich ertegen verzetten dat de rechter het beroep van een rechtzoekende niet in behandeling neemt omdat het beroepschrift de gronden van het beroep niet bevat en die rechtzoekende geen gebruik heeft gemaakt van de hem door de rechter geboden gelegenheid om binnen een daartoe gestelde termijn alsnog die gronden in te dienen en er geen aanleiding was om aan te nemen dat het niet herstellen van dit verzuim verschoonbaar was.
Het Unierecht bevat geen algemene regeling over de ontvankelijkheidseisen waaraan moet zijn voldaan voordat de nationale rechter overgaat tot het in behandeling nemen van het beroep. Bij het ontbreken van specifieke Unierechtelijke voorschriften ter zake is het vaststellen van regels hierover dan ook een nationale aangelegenheid, mits die regels voldoen aan de hiervoor in 3.2.3 vermelde beginselen van doeltreffendheid en gelijkwaardigheid. Voor zover die nationale regels beperkingen bevatten van het in artikel 47 van het Handvest bedoelde recht op een doeltreffende voorziening in rechte, moeten zij voldoen aan het bepaalde in artikel 52, lid 1, van het Handvest.
Op grond van artikel 6:5, lid 1, aanhef en letter d, Awb moet een beroepschrift de gronden van het beroep bevatten. Deze motiveringseis strekt ertoe de rechter de in artikel 8:69, lid 1, Awb bedoelde grondslag voor zijn uitspraak te verschaffen en ook dat het bestuursorgaan kan bepalen waartegen het verweer voert. Artikel 6:5, lid 1, letter d, Awb stelt geen eisen aan de gefundeerdheid van de motivering van een beroep. In belastingzaken volstaat een motivering waaruit de rechter kan afleiden waarom de rechtzoekende beroep heeft ingesteld.
Bevat het beroepschrift niet de vereiste motivering, dan is de rechter op grond van artikel 6:6, aanhef en letter a, Awb bevoegd het beroep niet-ontvankelijk te verklaren, op voorwaarde (zie de slotalinea van artikel 6:6 Awb) dat de indiener van het beroep de gelegenheid heeft gehad dat verzuim binnen een hem daartoe door de rechter gestelde termijn te herstellen en geen aanleiding bestaat om aan te nemen dat dit verzuim verschoonbaar is. De door de rechter voor het indienen van de gronden te stellen termijn dient redelijk te zijn. Aldus biedt deze regeling rechtzoekenden de mogelijkheid een beroep zonder opgave van gronden in te stellen (een zogeheten pro-forma beroep) en de gronden van het beroep op een later moment in te dienen.
De hiervoor in 3.5.1 en 3.5.2 weergegeven bepalingen zijn op grond van artikel 6:24 Awb van overeenkomstige toepassing indien hoger beroep, incidenteel hoger beroep, beroep in cassatie of incidenteel beroep in cassatie wordt ingesteld. Zij zijn op grond van artikel 8:55, lid 2, Awb van overeenkomstige toepassing indien verzet tegen een in artikel 8:54, lid 2, Awb bedoelde uitspraak wordt gedaan.
De hiervoor in 3.5.1 tot en met 3.5.3 beschreven regeling met betrekking tot het motiveringsvereiste maakt geen onderscheid naar gelang de rechtzoekende zijn vordering baseert op het nationale recht dan wel het Unierecht. Die regeling is daarom in overeenstemming met het Unierechtelijke gelijkwaardigheidsbeginsel.
Bij de beoordeling of een nationale procedurele bepaling het de rechtzoekende onmogelijk of uiterst moeilijk maakt om het in artikel 47 van het Handvest neergelegde recht van justitiabelen op een doeltreffende voorziening in rechte uit te oefenen, moet volgens vaste rechtspraak van het Hof van Justitie rekening worden gehouden met de plaats van die bepaling in de gehele procedure bij de verschillende nationale instanties en met het verloop en de bijzondere kenmerken van die procedure.
De in artikel 6:5, lid 1, aanhef en letter d, Awb voorgeschreven motivering is noodzakelijk om de bestuursrechter inzicht te verschaffen in de aard van het geschil dat de rechtzoekende beslecht wil zien. De eis dat het beroepschrift de gronden van het beroep bevat, en de eis dat bij het ontbreken van gronden deze alsnog binnen een daartoe door de rechter gestelde termijn worden ingediend, dragen eraan bij dat de bestuursrechter aan hem voorgelegde geschillen op een doeltreffende wijze kan beslechten binnen de in artikel 47 van het Handvest bedoelde redelijke termijn. Deze eisen beantwoorden daarmee aan door de Unie erkende doelstellingen van algemeen belang.
Met inachtneming van hetgeen hiervoor in 3.5.1 en 3.5.2 is overwogen, wordt met de in artikel 6:5, lid 1, aanhef en letter d, Awb en artikel 6:6, aanhef, letter a, en slotalinea, Awb neergelegde regeling het door artikel 47 van het Handvest gewaarborgde recht op een doeltreffende voorziening in rechte wezenlijk geëerbiedigd en wordt het in artikel 52, lid 1, van het Handvest bedoelde evenredigheidsbeginsel in acht genomen. Van een rechtzoekende die gebruik wil maken van het in artikel 47 van het Handvest neergelegde recht op een doeltreffende voorziening in rechte, mag in redelijkheid worden verlangd dat hij zich inspant om het door hem ingestelde beroep op een zo doeltreffend mogelijke wijze te doen behandelen door de rechter. Voor een rechtzoekende die een geschil met de Belastingdienst heeft dat met een uitspraak op bezwaar niet naar zijn tevredenheid is opgelost, en dat wil doen beslechten door de rechter, zal het in de regel niet onmogelijk of uiterst moeilijk zijn om de gronden van het door hem ingestelde beroep, zo niet direct bij het instellen van het beroep, dan toch binnen een redelijke termijn nadien, bij die rechter aan te leveren. Er bestaat redelijkerwijs geen ruimte voor twijfel dat in het geval die rechtzoekende de door de rechter gestelde termijn voor het aanvullen van het beroepschrift met gronden, zonder opgaaf van redenen laat verstrijken, artikel 47 van het Handvest niet meebrengt dat de rechter verplicht is deze termijn te verlengen. Aldus voldoet de in artikel 6:5, lid 1, aanhef en letter d, Awb en artikel 6:6, aanhef, letter a, en slotalinea, Awb neergelegde regeling aan het Unierechtelijke doeltreffendheidsbeginsel. In hetgeen het middel stelt over strijd met het in artikel 52, lid 1, van het Handvest bedoelde evenredigheidsbeginsel, ziet de Hoge Raad geen aanleiding voor het stellen van prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie.
Aangezien Hefna zonder opgaaf van redenen verzocht om uitstel van de haar door het Hof gestelde redelijke termijn voor het indienen van de gronden van het hoger beroep, betekent hetgeen hiervoor in 3.6.4 is overwogen dat het Unierecht zich niet ertegen verzet dat het Hof het hoger beroep niet-ontvankelijk heeft verklaard toen was vastgesteld dat de gronden niet binnen die termijn waren ingediend. Voor zover het middel berust op een andere opvatting, faalt het.
Voor zover het middel voor het overige is gericht tegen het hiervoor in 2.4.3, laatste alinea, weergegeven oordeel van het Hof, faalt het op de gronden die zijn vermeld in de rechtsoverwegingen 3.7.2 tot en met 3.7.4 van het arrest van de Hoge Raad van 12 juni 2026, ECLI:NL:HR:2026:915. Die gronden brengen mee dat de Hoge Raad geen aanleiding ziet om wat betreft dit geschilpunt prejudiciële vragen te stellen aan het Hof van Justitie.
4. Proceskosten
De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
5. Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.E. van Hilten als voorzitter, en de raadsheren E.N. Punt en M.A. Fierstra, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 18 september 2026.