HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer 25/02365
Datum 18 september 2026
ARREST
in de zaak van
[X] B.V. (hierna: belanghebbende)
tegen
de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Den Haag van 21 mei 2025, nrs. BK-24/161 en BK-24/162, op het verzet van belanghebbende tegen een uitspraak van het Hof van 17 oktober 2024.
1. Geding in cassatie
Belanghebbende, vertegenwoordigd door A.F.M.J. Verhoeven, heeft tegen de uitspraak van het Hof op het verzet beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staatssecretaris, vertegenwoordigd door [P], heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.
2. Uitgangspunten in cassatie
Belanghebbende heeft op 5 februari 2024 hoger beroep ingesteld tegen een uitspraak van de Rechtbank Den Haag betreffende een op aangifte voldaan bedrag aan belasting van personenauto's en motorrijwielen. Het Hof heeft op 17 oktober 2024 met toepassing van artikel 8:54 Awb in samenhang gelezen met artikel 8:108, lid 1, Awb het hoger beroep niet-ontvankelijk verklaard omdat het hoger beroep niet binnen de daarvoor gestelde termijn is ingesteld en niet is gebleken van omstandigheden op grond waarvan redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat belanghebbende in verzuim is geweest.
Belanghebbende heeft tegen de hiervoor in 2.1 vermelde uitspraak van het Hof verzet gedaan. In het verzetschrift is het volgende vermeld:
“Hierbij tekenen wij pro forma verzet aan tegen de uitspraak van 17 oktober 2024 inzake de belasting BPM van het dossier met voormeld kenmerk. Belanghebbende komt voor de genoemde zaak op tegen de niet-ontvankelijk verklaring."
De griffier van het Hof heeft belanghebbende op 18 november 2024 bericht dat in het verzetschrift de gronden van het verzet ontbreken en haar uitgenodigd dit verzuim uiterlijk op 16 december 2024 te herstellen. Belanghebbende is daarbij erop gewezen dat indien van deze mogelijkheid geen gebruik wordt gemaakt, het verzet niet-ontvankelijk kan worden verklaard. Belanghebbende heeft niet op dit bericht gereageerd.
Het Hof heeft vervolgens belanghebbende uitgenodigd voor een zitting op 9 april 2025 om te worden gehoord over het gedane verzet. Voorafgaand aan die zitting heeft belanghebbende een pleitnota aan het Hof gezonden waarin zij heeft uiteengezet waarom haar gemachtigde niet in staat is geweest om tijdig hoger beroep in te stellen. Tijdens de zitting heeft het Hof belanghebbende erop gewezen dat zij de gronden van het verzet niet binnen de hiervoor in 2.3 bedoelde termijn heeft gegeven maar pas bij deze pleitnota. Belanghebbende heeft daarop verklaard dat haar gronden voor het verzet kunnen worden ingediend tot aan de zitting.
Het Hof heeft het verzet niet-ontvankelijk verklaard en daartoe het volgende overwogen.
Het verzetschrift bevat naar het oordeel van het Hof niet de gronden van het verzet. De enkele mededeling in het pro forma verzetschrift “Belanghebbende komt voor de genoemde zaak op tegen de niet-ontvankelijk verklaring” kan naar het oordeel van het Hof niet als een begin van motivering van het verzet worden gezien.
Belanghebbende heeft niet binnen de hiervoor in 2.3 bedoelde termijn de gronden van het verzet ingediend. Zij heeft geen feiten en omstandigheden gesteld die kunnen leiden tot de conclusie dat sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding. De in de hiervoor in 2.4 bedoelde pleitnota opgenomen feiten en omstandigheden en ter zitting nader gemotiveerde gronden van het verzet leiden niet tot verschoonbaarheid van de hiervoor in 2.3 bedoelde termijnoverschrijding, omdat die gronden uitsluitend zien op de periode van indiening van het hogerberoepschrift en niet op de periode van indiening van het verzetschrift en mogelijkheid tot herstel van het verzuim in verzet, aldus nog steeds het Hof.
3. Beoordeling van het middel
Het middel richt zich tegen de hiervoor in 2.5.1 tot en met 2.5.3 weergegeven oordelen van het Hof. Het middel voert aan dat het verzetschrift, zelfs volgens uitspraken van de Hoge Raad, de minimale gronden van het verzet bevatte om niet-ontvankelijkheid naar nationale bepalingen te voorkomen. Het middel betoogt verder dat het Hof met de hiervoor in 2.5.2 en 2.5.3 weergegeven oordelen artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: het Handvest) heeft geschonden. De in dit artikel neergelegde rechten mogen slechts worden beperkt overeenkomstig het bepaalde in artikel 52 van het Handvest. Aangezien aan geen van de in dit laatstgenoemde artikel vermelde voorwaarden is voldaan, had het Hof het verzet niet niet-ontvankelijk mogen verklaren, aldus het middel.
Voor zover het middel is gericht tegen het hiervoor in 2.5.2 weergegeven oordeel van het Hof , faalt het. In dit oordeel van het Hof ligt besloten het oordeel dat uit het verzetschrift niet valt af te leiden waarom belanghebbende verzet heeft gedaan tegen de beslissing het hoger beroep niet-ontvankelijk te verklaren. Dit oordeel geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en kan, als verweven met waarderingen van feitelijke aard, voor het overige door de Hoge Raad in de cassatieprocedure niet op juistheid worden onderzocht.
Voor zover het middel is gericht tegen de hiervoor in 2.5.3 weergegeven oordelen van het Hof, faalt het op de gronden die zijn vermeld in het arrest dat de Hoge Raad vandaag heeft uitgesproken in de zaak met nummer 25/02299, ECLI:NL:HR:2026:1414. Die gronden brengen mee dat de Hoge Raad geen aanleiding ziet om wat betreft dit geschilpunt prejudiciële vragen te stellen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie.
De Hoge Raad heeft ook de overige klachten over de uitspraak van het Hof op het verzet beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat ook deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie). Hierbij verdient opmerking dat wat betreft deze overige klachten het Unierecht niet relevant is voor de beslechting van het geschil in cassatie, dan wel voor zover het Unierecht dat wel is, al in voorgaande rechtsoverwegingen van dit arrest is uiteengezet waarom de Hoge Raad afziet van het stellen van prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie.
4. Proceskosten
De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
5. Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.E. van Hilten als voorzitter, en de raadsheren E.N. Punt en M.A. Fierstra, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 18 september 2026.