HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 25/00548
Datum 8 september 2026
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 31 januari 2025, nummer 20-002377-24, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1985,
hierna: de verdachte.
1. Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft de advocaat R.A.C. Frijns bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld.
De advocaat-generaal B.F. Keulen heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest en tot terugwijzing naar het gerechtshof ’s-Hertogenbosch teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.
2. Beoordeling van het cassatiemiddel
Het cassatiemiddel komt op tegen de bewezenverklaring en klaagt dat het hof de verwerping van het verweer dat de verdachte niet ‘wist of redelijkerwijs moest weten’ dat zijn rijbewijs ongeldig was verklaard, ontoereikend heeft gemotiveerd.
Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:
“hij op 23 januari 2024 te [plaats] terwijl hij wist of redelijkerwijs moest weten dat een op zijn naam gesteld rijbewijs voor een of meer categorieën van motorrijtuigen, te weten b, ongeldig was verklaard en aan hem daarna geen ander rijbewijs voor het besturen van een motorrijtuig van de betrokken categorie of categorieën was afgegeven, op de weg, [a-straat] , als bestuurder een motorrijtuig, (bedrijfsauto), van die categorie of categorieën heeft bestuurd.”
Het hof heeft het in het cassatiemiddel bedoelde verweer als volgt samengevat en verworpen:
“De verdediging heeft bepleit dat het hof de verdachte integraal vrijspreekt van het tenlastegelegde, nu niet is vast te stellen dat de verdachte redelijkerwijs moest weten dat een op zijn naam gesteld rijbewijs voor een of meer categorieën van motorrijtuigen, te weten b, ongeldig was verklaard. Ter onderbouwing van dat standpunt heeft de raadsman aangevoerd dat zijn client de brieven ten aanzien van het meewerken aan een onderzoek en het betalen van de onderzoekskosten niet heeft ontvangen. Het enkele feit dat zijn client zijn rijbewijs niet fysiek heeft teruggekregen, is onvoldoende om aan te nemen dat zijn rijbewijs ongeldig is verklaard.
Het hof overweegt dienaangaande als volgt.
Op 24 februari 2024 (de Hoge Raad begrijpt: 23 januari 2024) ziet [verbalisant] de verdachte rijden in een personenauto en is hij staande gehouden. Uit het uittreksel van het RDW-register blijkt dat het rijbewijs (categorie B) van de verdachte op 17 juni 2020 ongeldig verklaard is. Bij besluit van 10 juni 2020 (aangetekend verstuurd naar het adres van de verdachte zijnde [b-straat 1] , [postcode] te [plaats] ) van het CBR blijkt dat het rijbewijs van de verdachte per 17 juni 2020 ongeldig is verklaard. Verdachte heeft geen fysiek rijbewijs kunnen overhandigen. Op 30 november 2020 heeft de verdachte nog een brief van het C.V.O.M. ontvangen waarin staat dat het CBR een vordering op het rijbewijs heeft waardoor verdachte geen motorrijtuig mag besturen waarvoor een rijbewijs vereist is en dat het rijbewijs naar het CBR is gestuurd. Het CBR heeft het rijbewijs van de verdachte op 2 december 2020 van het C.V.O.M. ontvangen.
Het voorgaande leidt het hof tot het oordeel dat de verdachte op 24 januari 2024 wel degelijk wetenschap had van het feit dat zijn rijbewijs ongeldig was verklaard. Dat de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep heeft verklaard dat hij niet in de veronderstelling was dat hij niet mocht rijden, is daarmee in strijd en acht het hof ongeloofwaardig.
In tegenstelling tot wat de raadsman heeft betoogd, is derhalve aan alle vereisten neergelegd in ECLI:NL:HR:2019:1146 voldaan.
Het hof verwerpt het verweer van de verdediging in al zijn onderdelen.”
Overtreding van artikel 9 lid 2, eerste volzin, van de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: WVW 1994) is op grond van artikel 176 lid 2 en artikel 178 lid 1 WVW 1994 een misdrijf dat kan worden bestraft met een gevangenisstraf van ten hoogste een jaar of een geldboete van de vierde categorie.Om tot een bewezenverklaring van een op artikel 9 lid 2, eerste volzin, WVW 1994 toegesneden tenlastelegging te kunnen komen, moet uit de bewijsvoering onder meer kunnen worden afgeleid dat de verdachte ten tijde van het besturen van het motorrijtuig “wist of redelijkerwijs moest weten” dat zijn rijbewijs ongeldig was verklaard. Dit vereiste hangt ermee samen dat artikel 9 WVW 1994 een misdrijf oplevert; zo’n vereiste geldt bijvoorbeeld niet bij de overtreding van artikel 107 WVW 1994. De vraag of aan dit vereiste is voldaan kan bijzondere aandacht verdienen, in het bijzonder in die gevallen waarin daarover niets blijkt uit de verklaringen van de verdachte, en ook niet uit gedragingen zoals het voldoen aan de verplichting het ongeldig verklaarde rijbewijs in te leveren bij degene die het rijbewijs ongeldig heeft verklaard (vgl. artikel 124 lid 4 WVW 1994, in het geval de ongeldigverklaring heeft plaatsgevonden overeenkomstig artikel 124 lid 1 en 2 WVW 1994) dan wel bij het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (hierna: CBR) (vgl. artikel 132 lid 5 WVW 1994, in het geval dat het CBR het rijbewijs op grond van artikel 132 lid 2 WVW 1994 ongeldig heeft verklaard). In dat verband is van belang dat in de rechtspraak van de Hoge Raad meermalen is beslist dat uit de enkele omstandigheid dat het besluit tot ongeldigverklaring van het rijbewijs van de verdachte per aangetekende brief en als gewone brief naar de verdachte is verzonden en die brieven vervolgens niet als onbestelbaar retour zijn gekomen, niet zonder meer kan worden afgeleid dat de verdachte “wist of redelijkerwijs moest weten” dat zijn rijbewijs ongeldig was verklaard (vgl. bijvoorbeeld HR 25 januari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BO6762). Welke bijkomende of andere omstandigheden wel toereikend zijn, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Opmerking verdient dat de bewijsmotivering in dit opzicht wel toereikend is wanneer uit de bewijsvoering volgt dat een uitreiking van het besluit tot ongeldigverklaring in persoon heeft plaatsgevonden. (Vgl. HR 9 juli 2019, ECLI:NL:HR:2019:1146.)
De verdediging heeft aangevoerd dat de verdachte moet worden vrijgesproken omdat niet kan worden bewezen dat hij ‘wist of redelijkerwijs moest weten’ dat zijn rijbewijs ongeldig was verklaard. Het hof heeft dat verweer verworpen omdat (i) het besluit van het CBR tot ongeldigverklaring aangetekend is verstuurd naar het adres van de verdachte, (ii) de verdachte geen fysiek rijbewijs heeft kunnen overhandigen, (iii) de verdachte een brief van de Centrale Verwerking Openbaar Ministerie (hierna: CVOM) heeft ontvangen waarin onder meer staat dat hij geen motorrijtuig mag besturen waarvoor een rijbewijs is vereist en dat zijn rijbewijs naar het CBR is gestuurd en (iv) het CBR het rijbewijs van de verdachte heeft ontvangen van het CVOM.
Deze verwerping van het verweer is niet zonder meer begrijpelijk. Uit de omstandigheid dat het besluit van het CBR tot ongeldigverklaring van het rijbewijs van de verdachte per aangetekende brief is verzonden naar het adres van de verdachte en dat het CVOM een brief over zijn rijbewijs aan de verdachte heeft gericht, kan – gelet op wat onder 2.3 is vooropgesteld – niet worden afgeleid dat de verdachte redelijkerwijs moest weten dat zijn rijbewijs ongeldig was verklaard. Uit de bewijsmiddelen waarnaar het hof verwijst, volgt immers niet dat deze brieven daadwerkelijk door de verdachte in ontvangst zijn genomen, of dat de verdachte anderszins van de inhoud daarvan kennis heeft gekregen. Die gevolgtrekking kan daaraan ook niet worden verbonden in samenhang met wat het hof in de hiervoor weergegeven bewijsvoering voor het overige in aanmerking heeft genomen. Zo heeft het hof geen nadere vaststellingen gedaan over de reden waarom de verdachte zijn rijbewijs niet heeft kunnen overhandigen. Ook kan uit de enkele ontvangst door het CBR van het door het CVOM toegestuurde rijbewijs van de verdachte niet worden afgeleid dat de verdachte ‘wist of redelijkerwijs moest weten’ dat zijn rijbewijs ongeldig is verklaard (vgl. HR 1 juni 2021, ECLI:NL:HR:2021:786).
Het cassatiemiddel slaagt.
3. Beslissing
De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof;
- wijst de zaak terug naar het gerechtshof ’s-Hertogenbosch, opdat de zaak opnieuw wordt berecht en afgedaan.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren M. Kuijer en R. Kuiper, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 8 september 2026.