HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 24/03787
Datum 8 september 2026
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 11 oktober 2024, nummer 21-005419-23, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1978,
hierna: de verdachte.
1. Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben de advocaten R.J. Baumgardt en M.J. van Berlo bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.
De advocaat-generaal V.M.A. Sinnige heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend voor zover het hof heeft beslist tot de onttrekking aan het verkeer van het inbeslaggenomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten: een computer (omschrijving: […] , zwart, merk: Sharkoon), en tot verwerping van het beroep voor het overige.
2. Beoordeling van het eerste cassatiemiddel
Het cassatiemiddel klaagt over (de motivering van) de bewezenverklaring in de zaak met parketnummer 05/235763-21 onder 1 en voert daartoe aan dat niet is voldaan aan het bewijsminimum van artikel 342 lid 2 van het Wetboek van Strafvordering.
Het cassatiemiddel leidt niet tot cassatie. De redenen daarvoor staan vermeld in de conclusie van de advocaat-generaal onder 2.2 tot en met 2.12.
3. Beoordeling van het tweede cassatiemiddel
Het cassatiemiddel klaagt over de beslissing van het hof tot onttrekking aan het verkeer van de inbeslaggenomen computer.
Het vonnis van de rechtbank in deze zaak houdt als haar beslissing onder meer in de onttrekking aan het verkeer van de in het cassatiemiddel bedoelde computer, omdat met betrekking tot dit voorwerp het (in de gevoegde zaak met parketnummer 05/235763-21) onder 4 bewezenverklaarde feit is begaan. Het hof heeft over de omvang van het hoger beroep overwogen dat alleen de beslissingen ten aanzien van het in de zaak met parketnummer 05/235763-21 onder 1 tenlastegelegde aan zijn oordeel zijn onderworpen. Dat betekent dat de beslissing van de rechtbank tot onttrekking aan het verkeer van de computer in verband met het onder 4 bewezenverklaarde feit niet aan het oordeel van het hof was onderworpen, en al onherroepelijk is geworden. Die beslissing van de rechtbank is dus ook niet aan het oordeel van de Hoge Raad onderworpen. Als gevolg hiervan heeft de verdachte geen belang bij de klacht over de beslissing van het hof dat (ook) in verband met het onder 1 bewezenverklaarde de computer (nogmaals) aan het verkeer wordt onttrokken. Immers, ook als deze klacht zou slagen en die laatstgenoemde beslissing zou worden vernietigd, blijft de onherroepelijk geworden beslissing van de rechtbank tot onttrekking aan het verkeer van de computer (in verband met het onder 4 bewezenverklaarde) in stand.
4. Beoordeling van het derde cassatiemiddel
Het cassatiemiddel klaagt dat in de cassatiefase de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden omdat de stukken te laat door het hof zijn ingezonden.
Het cassatiemiddel is gegrond. In het licht van de beperkte mate van overschrijding van de redelijke termijn volstaat de Hoge Raad met het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden, en is er geen aanleiding om aan dat oordeel enig ander rechtsgevolg te verbinden.
5. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren T.B. Trotman en R. Kuiper, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 8 september 2026.