ECLI:NL:HR:2026:1428

ECLI:NL:HR:2026:1428

Instantie Hoge Raad
Datum uitspraak 08-09-2026
Datum publicatie 07-09-2026
Zaaknummer 24/03551
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Cassatie
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:PHR:2026:659

Samenvatting

Rijden met te lang samenstel van voertuigen (vrachtwagen en aanhangwagen) op snelweg, art. 5.18.11.2.a Regeling voertuigen. Vrijspraak in eerste aanleg. 1. Bewijsklacht. Kon hof oordelen dat bij bewezenverklaring moet worden uitgegaan van 18,75 meter als maximumlengte van het door verdachte bestuurde voertuig i.p.v. de in ontheffing toegestane lengte van 25,25 meter? 2. Bewijsklacht terminologie van typen voertuigen in bewezenverklaring en bewijsmiddelen. Volgt bewezenverklaring gelet op gebruikte terminologie uit b.m.? Ad 1. Uit toepasselijke regelgeving (art. 71.1.a, 149.1.a, 149a.2 en 150 WVW 1994 en art. 5.1.2 en 5.18.11.2.a Regeling voertuigen) volgt dat zonder ontheffing de maximumlengte van voertuig zoals door verdachte werd bestuurd, niet meer mag bedragen dan 18,75 meter. Hof heeft vastgesteld dat (i) verdachte voor dat voertuig een ontheffing had tot maximumlengte van 25,25 meter, (ii) verdachte volgens die ontheffing bij overschrijding van die maximumlengte wordt geacht te hebben gereden zonder ontheffing, en (iii) verdachte heeft gereden met voertuig van 25,48 meter. ’s Hofs oordeel dat bij bewezenverklaring daarom moet worden uitgegaan van maximumlengte van 18,75 meter, getuigt niet van onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk. Ad 2. HR: Om redenen vermeld in CAG leiden verder in middel aangevoerde klachten niet tot cassatie. CAG: Aan juistheid en begrijpelijkheid van ’s hofs oordeel doet niet af dat in b.m. termen als “vrachtauto”, “voertuig” en “LZV” worden gebruikt i.p.v. bewezenverklaarde “samenstel van bedrijfsauto en autonome aanhangwagen, middenasaanhangwagen of aanhangwagen met stijve dissel (niet zijnde samenstel van opleggertrekker en oplegger)”. In bewijsmiddelenoverzicht zijn (slechts) zakelijke weergaven opgenomen van p-v van overtreding en “Ontheffing LZV”. Blik over papieren muur leert dat “Ontheffing LZV” van toepassing is op motorrijtuig met kenteken A en met chassisnummer B. Voertuig met dat kenteken en dat chassisnummer is, zo blijkt uit p-v van overtreding en daarbij gevoegde RDW-bevraging, “bedrijfsauto, N3”. Verbalisanten constateerden verder dat er, met concrete verwijzing naar “art. 5.18.11 RV” is gereden met “samenstel van (motor)voertuigen” en dat lengte is gemeten van “bedrijfsauto met aanhangwagen”. Volgt verwerping.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

STRAFKAMER

Nummer 24/03551

Datum 8 september 2026

ARREST

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 17 september 2024, nummer 21-001362-23, in de strafzaak

tegen

[verdachte] ,

geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1987,

hierna: de verdachte.

1. Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft de advocaat P. van Dongen bij schriftuur en aanvullende schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.

De advocaat-generaal P.M. Frielink heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

2. Beoordeling van het eerste cassatiemiddel

Het cassatiemiddel klaagt onder meer over het oordeel van het hof dat bij de bewezenverklaring moet worden uitgegaan van 18,75 meter als maximumlengte van het door de verdachte bestuurde voertuig in plaats van de in de ontheffing toegestane lengte van 25,25 meter.

Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:

“hij, op 20 oktober 2020 te [plaats] ,

als bestuurder van een samenstel van bedrijfsauto en autonome aanhangwagen, middenasaanhangwagen of aanhangwagen met stijve dissel (niet zijnde een samenstel van opleggertrekker en oplegger)

heeft gereden op de voor het openbaar verkeer openstaande weg,

de Rijksweg (A50), terwijl dat voertuig (de lading daarbij niet inbegrepen) de maximumlengte van 18,75 meter heeft overschreden, immers bedroeg de gemeten lengte van het voertuig 25,48 meter.”

Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:

“1. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van overtreding van 1 december 2020, (...) voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

Overtredingsgegevens:

Datum: 20 oktober 2020

Plaats: [plaats]

Locatie: Rijksweg (A50)

Voertuig: Vrachtauto

Merk/type: Scania, R580

Kenteken: [kenteken] .

Wij verbalisanten zagen dat een voertuig, zijnde een LZV werd gereden over de voor het openbaar verkeer openstaande weg N50 (het hof begrijpt: A50). Wij zagen dat dit voertuig vermoedelijk te lang was. Wij hebben de lengte van het voertuig gemeten. Wij zagen dat de totale lengte 25,50 meter bedroeg. Na correctie blijkt 25,48 meter. Wij zagen dat het voertuig 6,73 meter te lang was.

Voertuig was in het bezit van ontheffing LZV, ontheffingsnummer […] geldig tot 2 januari 2021, voor een toegestane lengte tot 25,25 meter.

Verdachte werd staande gehouden en verstrekte mij desgevraagd de volgende personalia:

(...)

2. Een geschrift als bedoeld in artikel 344, eerste lid, aanhef en onder 5 van het Wetboek van Strafvordering, te weten een Ontheffing LZV, (...) voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

Geldigheid: vanaf 3 januari 2020 tot en met 2 januari 2021.

Trekkend motorrijtuig: [kenteken]

Afmeting: maximale lengte: 25,25 m.

Indien niet wordt voldaan aan de beperkingen in de ontheffing wordt geacht zonder ontheffing te worden gereden.”

Het hof heeft over de bewezenverklaring verder overwogen:

“Verdachte heeft de toegestane maximumlengte van zijn voertuig overschreden. De wet schrijft voor dat deze maximale toegestane lengte 18,75 meter bedraagt. Het moge zo zijn dat verdachte op deze bepaling een ontheffing heeft, waarbij de toegestane lengte is beperkt tot een maximale toegestane lengte van 25,48 meter (de Hoge Raad begrijpt: 25,25 meter), maar daarvoor geldt dat bij overschrijding van deze maximale lengte hij wordt geacht te hebben gereden zonder de ontheffing. Het hof is aldus met de advocaat-generaal van oordeel dat bij overtreding van een beperking op de ontheffing de overtreding worden beoordeeld aan de maatstaf dat de overtreder heeft gehandeld alsof de ontheffing niet is verleend. Het hof is van oordeel dat de door de raadsman aangehaalde uitspraak van dit hof van 5 april 2011 in die zin niet juist is. Zo volgt immers niet uit het systeem van de wet en zo staat het ook in de ontheffing zelf omschreven. Dat de tenlastelegging de toegestane maximumlengte overeenkomstig de wettekst hanteert (en niet die van de ontheffing) is dus juist.”

De volgende bepalingen zijn van belang.

- Artikel 71 lid 1, aanhef en onder a, van de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: WVW 1994):

“Bij ministeriële regeling worden regels gesteld omtrent:

a. de eisen waaraan voertuigen moeten voldoen waarmee over de weg wordt gereden, waarbij onderscheid kan worden gemaakt tussen verschillende wegen.”

- Artikel 149 lid 1, aanhef en onder a, WVW 1994:

“Van het bepaalde krachtens deze wet kan in de krachtens deze wet aangewezen gevallen overeenkomstig krachtens deze wet vastgestelde regels ontheffing worden verleend:

a. voor wegen onder beheer van het Rijk door Onze Minister.”

- Artikel 149a lid 2 WVW 1994:

“In afwijking van artikel 149, eerste lid, kan uitsluitend door de Dienst Wegverkeer ontheffing worden verleend of geweigerd van het bepaalde krachtens (...) artikel 71, in de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen gevallen overeenkomstig bij of krachtens algemene maatregel van bestuur vastgestelde regels.”

- Artikel 150 WVW 1994:

“1. Een vergunning, een vrijstelling en een ontheffing kan onder beperkingen worden verleend. Aan een vergunning, een vrijstelling en een ontheffing kunnen voorschriften worden verbonden.

2. Het is verboden te handelen in strijd met de aan een vergunning, een vrijstelling en een ontheffing verbonden voorschriften.”

- Artikel 5.1.2 van de Regeling voertuigen (hierna: Regeling):

“Het is de bestuurder van een voertuig of een samenstel van voertuigen verboden daarmee te rijden en de eigenaar of houder verboden daarmee te laten rijden, indien niet wordt voldaan aan de in afdeling 18 van dit hoofdstuk ten aanzien van het gebruik van voertuigen of samenstellen van voertuigen van de categorie of categorieën, waartoe die voertuigen behoren, gestelde eisen.”

- Artikel 5.18.11 lid 2, aanhef en onder a, Regeling:

“Van een samenstel van bedrijfsauto en autonome aanhangwagen, middenasaanhangwagen of aanhangwagen met een stijve dissel, niet zijnde een samenstel van opleggertrekker en oplegger, mag:

a. de lengte niet meer bedragen dan 18,75 m.”

Uit de hiervoor weergegeven regelgeving volgt dat zonder ontheffing de maximumlengte van een voertuig zoals door de verdachte werd bestuurd, niet meer mag bedragen dan 18,75 meter. Het hof heeft vastgesteld dat (i) de verdachte voor dat voertuig een ontheffing had tot een maximumlengte van 25,25 meter, (ii) de verdachte volgens die ontheffing bij overschrijding van die maximumlengte wordt geacht te hebben gereden zonder ontheffing, en (iii) de verdachte heeft gereden met een voertuig van 25,48 meter. Het oordeel van het hof dat bij de bewezenverklaring daarom moet worden uitgegaan van een maximumlengte van 18,75 meter getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk.

Voor zover het cassatiemiddel hierover klaagt, faalt het.

Ook de verder in het cassatiemiddel aangevoerde klachten leiden niet tot cassatie. De redenen daarvoor staan vermeld in de conclusie van de advocaat-generaal onder 3.9.

3. Beoordeling van het tweede cassatiemiddel

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).

4. Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren T.B. Trotman en F. Posthumus, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 8 september 2026.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand