HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 25/01654 B
Datum 22 september 2026
BESCHIKKING
op het beroep in cassatie tegen een beschikking van de rechtbank Midden-Nederland van 18 februari 2025, nummer RK 24/029404, op een klaagschrift als bedoeld in artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering, ingediend
door
[klager],
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1992,
hierna: de klager.
1. Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de klager. Namens deze heeft de advocaat B.M.C.F. de Groen bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld.
De advocaat-generaal P.T.C. van Kampen heeft geconcludeerd tot vernietiging van de beschikking van de rechtbank en tot terugwijzing van de zaak naar de rechtbank Midden-Nederland, opdat de zaak opnieuw wordt behandeld en afgedaan.
2. Beoordeling van het cassatiemiddel
Het cassatiemiddel klaagt over de ongegrondverklaring van het klaagschrift dat strekt tot teruggave van de inbeslaggenomen auto waarin een kilometerblokker was aangetroffen.
De beschikking van de rechtbank houdt onder meer in:
“In een aparte beslissing beslist de raadkamer dat de vordering van het Openbaar Ministerie tot onttrekking aan het verkeer wordt toegewezen. Het belang van strafvordering verzet zich daarmee tegen opheffing van het beslag. Het beklag zal daarom ongegrond worden verklaard.”
In de met deze zaak samenhangende zaak 25/01653 B (ECLI:NL:HR:2026:1435) heeft de Hoge Raad vandaag geoordeeld dat het oordeel van de rechtbank dat de vordering tot onttrekking aan het verkeer van de inbeslaggenomen auto moet worden toegewezen op de grond dat het ongecontroleerde bezit van de auto in strijd is met de wet of het algemeen belang, ontoereikend is gemotiveerd. Daarom kan ook deze beslissing van de rechtbank niet in stand blijven.
Het cassatiemiddel slaagt.
3. Beslissing
De Hoge Raad:
- vernietigt de beschikking van de rechtbank;
- wijst de zaak terug naar de rechtbank Midden-Nederland, opdat de zaak opnieuw wordt behandeld en afgedaan.
Deze beschikking is gegeven door de vice-president C. Caminada als voorzitter, en de raadsheren T. Kooijmans en C.N. Dalebout, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 22 september 2026.