HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer 25/02711
Datum 11 september 2026
ARREST
op het door [X] (hierna: belanghebbende) ingestelde verzoek om herziening van het arrest van de Hoge Raad der Nederlanden van 6 juni 2025, nr. 24/03602, ECLI:NL:HR:2025:878.
1. Beoordeling van de ontvankelijkheid van het verzoek om herziening
De griffier van de Hoge Raad heeft belanghebbende bij aangetekende brief van 8 april 2026 gewezen op de verschuldigdheid van griffierecht ter zake van het verzoek om herziening en voor de betaling daarvan een termijn van vier weken gesteld. Deze brief is volgens de gegevens van Track&Trace van PostNL afgeleverd op het door belanghebbende opgegeven adres. Het griffierecht is niet voldaan.
De griffier van de Hoge Raad heeft belanghebbende bij aangetekende brief van 17 juni 2026 in de gelegenheid gesteld binnen vier weken mee te delen waarom het griffierecht niet tijdig is betaald. Belanghebbende heeft van deze gelegenheid geen gebruik gemaakt.
Het verzoek om herziening moet daarom op grond van artikel 8:41, lid 6, Awb in samenhang gelezen met artikel 29 AWR en artikel 8:119, leden 2 en 3, Awb niet-ontvankelijk worden verklaard.
2. Proceskosten
De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
3. Beslissing
De Hoge Raad verklaart het verzoek om herziening niet-ontvankelijk.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J.A.R. van Eijsden als voorzitter, en de raadsheren A.E.H. van der Voort Maarschalk en W.A.P. van Roij, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier J.P.J. van Kampen, en in het openbaar uitgesproken op 11 september 2026.