ECLI:NL:HR:2026:147

ECLI:NL:HR:2026:147

Instantie Hoge Raad
Datum uitspraak 03-02-2026
Datum publicatie 30-01-2026
Zaaknummer 23/04890
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Cassatie
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:PHR:2025:1291

Samenvatting

Belaging (art. 285b.1 Sr) en smaadschrift (art. 261.2 Sr). Motivering oplegging schadevergoedingsmaatregel t.a.v. vergoeding van immateriële schade, art. 36f Sr en art. 6:106.b BW. Heeft hof zijn beslissing voldoende gemotiveerd, nu uit zijn overwegingen niet kan worden afgeleid o.b.v. welke in art. 6:106 BW vermelde grond en welke omstandigheden het hof zijn oordeel heeft gebaseerd dat verdachte naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de door slachtoffer geleden immateriële schade? Zoals in HR:2026:73 is overwogen, moet rechter de oplegging van schadevergoedingsmaatregel motiveren. HR herhaalt relevante overwegingen uit HR:2019:793 m.b.t. aantasting in persoon “op andere wijze” a.b.i. art. 6:106.b BW en vereisten voor oplegging van schadevergoedingsmaatregel. Hof heeft bewezenverklaard dat verdachte het slachtoffer gedurende ruim 13 maanden heeft belaagd en zich schuldig heeft gemaakt aan smaadschrift door haar “op verschillende manieren het leven zuur te maken”, te weten door haar veelvuldig (anoniem) te bellen en op social media beledigende teksten en (bewerkte) foto’s van slachtoffer te plaatsen met daarbij berichten als “Bel mij, ik ben een hoer, ik verkoop kleine meisjes”, “stuk stront” en “vieze pedofiel”, met verwijzing naar zakelijk Instagram-account van slachtoffer, en door bij haar woning langs te gaan en poep in portiek van haar woning achter te laten. Hof heeft verder vastgesteld dat verdachte met bewezenverklaard handelen de grens van toelaatbare ver heeft overschreden en stelselmatig ernstige inbreuk heeft gemaakt op persoonlijke levenssfeer van slachtoffer, en dat zij moedwillig “naam en goede eer” van slachtoffer en haar bedrijf heeft geschonden. Verder heeft hof overwogen dat dit soort feiten als buitengewoon beangstigend en bedreigend wordt ervaren, zoals ook blijkt uit slachtofferverklaring, en dat impact van handelen van verdachte op slachtoffer en haar gezin zo groot is geweest dat slachtoffer “tot op dag van vandaag” daarvan nog last en angstgevoelens ondervindt en dat zij daarvoor psychische hulp heeft gezocht. ‘s Hofs hierop gebaseerde oordeel dat verdachte jegens slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor schade die door strafbare feiten is toegebracht, getuigt niet van onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk, gelet op wat hiervoor is vooropgesteld en in aanmerking genomen dat o.g.v. art. 6:106.b BW voor vergoeding van immateriële schade o.m. plaats is als, gelet op aard en ernst van normschending en nadelige gevolgen daarvan voor benadeelde, sprake is van aantasting in persoon op andere wijze of als benadeelde in zijn eer of goede naam is geschaad. Dat geldt ook voor de door hof toegewezen vergoeding van kosten voor de door slachtoffer gezochte psychische hulp. Volgt verwerping. CAG: anders.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

STRAFKAMER

Nummer 23/04890

Datum 3 februari 2026

ARREST

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam van 30 november 2023, nummer 23-000431-22, in de strafzaak

tegen

[verdachte] ,

geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1975,

hierna: de verdachte.

1. Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft de advocaat G. Spong bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld.

Namens [benadeelde] heeft de advocaat L. Scheffer een verweerschrift ingediend.

De advocaat-generaal M.E. van Wees heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de strafoplegging, tot vermindering van de straf volgens de gebruikelijke maatstaf, tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Amsterdam opdat de zaak enkel wat betreft de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel opnieuw zal worden berecht en afgedaan en tot verwerping van het beroep voor het overige.

2. Beoordeling van het cassatiemiddel

Het cassatiemiddel klaagt over de (motivering van de) door het hof opgelegde schadevergoedingsmaatregel ter zake van het onder 1 en 2 primair bewezenverklaarde.

Ten laste van de verdachte is onder 1 en 2 primair bewezenverklaard dat:

“1.

zij in de periode van 17 juli 2020 tot en met 4 september 2021 te [plaats] , althans in Nederland, wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op eens anders persoonlijke levenssfeer, te weten die van [benadeelde] door

- die [benadeelde] (gedurende de nacht) (veelvuldig) (anoniem) te bellen en

- Instagramaccounts aan te maken waarbij (een deel van) de profielgegevens (sterk) gelijkend zijn op de gegevens van die [benadeelde] , onder andere

* het account ‘ [accountnaam 1] ’ met het bijschrift ‘ […] ’ en

* het account ‘ [accountnaam 2] ’ en/of het account ‘ [accountnaam 3] ’ met het bijschrift ‘My name is […] . I do child trafficking.. I fuck grandpa’s en phedophiles so please contact me.

[internetsite] ’, en

* het account ‘ [accountnaam 4] ’ met het bijschrift ‘Ik heb escort [A] en neuk en maak kids met lelijke opa’s.. ik heb daddy issues en ben een golddigger’, waarbij zij, verdachte, eenmaal of meermalen gebruik maakt van (een) (bewerkte) foto/foto’s van het hoofd, althans het lichaam [benadeelde] en (vervolgens)

- eenmaal of meermalen (op voornoemde) Instagramaccounts foto’s (afkomstig van de Instagram) van die [benadeelde] en/of berichten plaatst (met verwijzingen naar die [benadeelde] ), met onder andere de teksten:

* (op het Instagramaccount ’ [accountnaam 5] ’) ‘Dit is mijn nieuwe neger lul die ik kan neuken’ en/of ‘kijk mijn vieze lelijke kop en vieze tanden.. vinden opa’s en pedo’s lekker’ en/of ‘One of my girls.. this one is so fucking ugly no one wants to fuck her’ en

* (op het Instagramaccount ‘ [accountnaam 6] ’) ‘Poephoofd verkoopt kids’ en

- een of meerdere berichten en/of uitnodigingen via Instagram naar de ex-partner van die [benadeelde] te sturen en/of de ex-partner van die [benadeelde] te ‘taggen’ in een of meerdere berichten (vanaf voornoemde door verdachte aangemaakte Instagramaccount(s)), met onder andere de tekst(en):

* (vanaf het Instagramaccount ' [accountnaam 7] ') ‘vieze pedo’ en ‘vieze pedofiel’ en

* (vanaf het Instagramaccount ‘ [accountnaam 8] ’) ‘Pedofiel #pedohunter pedofiel’ (waarbij een of meerdere berichten worden vergezeld door meerdere poepemoticons) en

* (vanaf het Instagramaccount ‘ [accountnaam 9] ’) ‘Hallo opa, mijn naam is […] Poephoofd, ik heb begrepen dat je het leuk vindt om kleine meisjes te neuken, ik ben een golddigger en ik zoek een sugardaddy en heb allemaal poep op mijn hoofd en kan kindjes maken.. wil je komen neuken” en

* (vanaf het Instagramaccount ‘ [accountnaam 10] ’) ‘I would like to thank my grandpa [naam] . He is always mindful but brainless’ en

- eenmaal of meermalen te reageren middels berichten onder foto’s op het persoonlijke en/of zakelijke Instagramaccount van die [benadeelde] , (vanaf voornoemde door verdachte aangemaakte Instagramaccount(s)), met onder andere de tekst(en):

* (vanaf het Instagramaccount ‘ [accountnaam 7] ’) ‘Je nagels zijn vies en je kop is lelijk met veel poep en je tanden zijn smerig.. sletje opa en pedo’s neuken’ en/of ‘Vies, zoveel poep je hoofd en dan nog denken dat je mooi bent’ en/of ‘Boerenslet lekker opa’s neuken’ (waarbij een of meerdere berichten worden vergezeld door meerdere poepemoticons) en/of

* (vanaf het Instagramaccount ‘ [accountnaam 11] ’) ‘Own ur poephoofd boeren lelijke sletjes neuken, uit boerendorpen, willen graag snel komen’ en/of

* (vanaf het Instagramaccount ‘ [accountnaam 12] ’) ‘Ik heb een grote neger lul wil je neuken” en/of

* (vanaf het Instagramaccount ‘ [accountnaam 13] ’) ‘ [naam] en ik willen graag komen neuken heb je leuke meisjes vannacht’ en/of

* (vanaf het Instagramaccount ‘ [accountnaam 14] ’ en/of ‘ [accountnaam 15] ’ en/of ‘ [accountnaam 16] ’) ‘Sletje ben je opa’s aan het neuken’ Ik wil ook voor je komen werken hierbij mijn sollicitatie: ik wil ook opa’s neuke ik ben heel goed met kleine lelijke neger opa’s .. hebben vaak grote lul’ en/of

* (vanaf het Instagramaccount ‘ [accountnaam 17] ’) ‘Ben je lekker opa’s aan het neuken’ Met je vieze tanden en je escort profiel’ en/of

- (mensen)poep voor de deur van de woning van die [benadeelde] neer te leggen en

- eenmaal of meermalen langs de woning van die [benadeelde] te rijden en/of lopen

met het oogmerk die [benadeelde] , te dwingen iets te doen, niet te doen, te dulden en/of vrees aan te jagen;

2 primair

zij in de periode van 17 juli 2020 tot en met 4 september 2021 in Nederland, (telkens) opzettelijk, de eer en de goede naam van [benadeelde] heeft aangerand, door tenlastelegging van een of meer bepaalde feiten, met het kennelijke doel om daaraan ruchtbaarheid te geven, door middel van geschriften en/of afbeeldingen verspreid, immers heeft verdachte met voormeld doel

- Instagramaccount(s) aangemaakt waarbij (een deel van) de profielgegevens (sterk) gelijkend zijn op de gegevens van die [benadeelde] , en (vervolgens) de bijschriften geplaatst:

* (op het account ‘ [accountnaam 2] ’ en/of het account ‘ [accountnaam 3] ’) ‘My name is […] . I do child trafficking.. I fuck grandpa’s en phedophiles so please contact me. [internetsite] ', en

* (op het account ' [accountnaam 4] ') ‘Ik heb escort [A] en neuk en maak kids met lelijke opa’s.. ik heb daddy issues en ben een golddigger’, en

- eenmaal of meermalen (op voornoemde) Instagramaccounts foto’s (afkomstig van de Instagram) van die [benadeelde] en/of berichten geplaatst (met verwijzingen naar die [benadeelde] ), met onder andere de tekst(en):

* (op het Instagramaccount ‘ [accountnaam 5] ’) ‘Dit is mijn nieuwe neger lul die ik kan neuken’ en/of ‘kijk mijn vieze lelijke kop en vieze tanden.. vinden opa’s en pedo’s lekker’ en

* (op het Instagramaccount ‘ [accountnaam 6] ’) ‘Poephoofd verkoopt kids’ en

- eenmaal of meermalen gereageerd middels berichten onder foto’s op het persoonlijke en/of zakelijke Instagramaccount van die [benadeelde] , (vanaf voornoemde door verdachte aangemaakte Instagramaccount(s)), met onder andere de tekst(en):

* (vanaf het Instagramaccount ‘ [accountnaam 13] ’) ‘ [naam] en ik willen graag komen neuken heb je leuke meisjes vannacht” en

* (vanaf het Instagramaccount ‘ [accountnaam 14] ’ en/of ‘ [accountnaam 15] ’ en/of ‘ [accountnaam 16] ’) ‘Sletje ben je opa’s aan het neuken? Ik wil ook voor je komen werken hierbij mijn sollicitatie: ik wil ook opa’s neuke ik ben heel goed met kleine lelijke neger opa’s .. hebben vaak grote lul’ en

* (vanaf het Instagramaccount ' [accountnaam 17] ') ‘Ben je lekker opa’s aan het neuken? Met je vieze tanden en je escort profiel’.”

De bewezenverklaring steunt op onder meer de volgende bewijsmiddelen:

“- Een proces-verbaal van aangifte met nummer PL1300-2021023147-2 van 1 februari 2021, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 1] (inclusief bijlagen), doorgenummerde pag. 1 t/m 5;

Dit proces-verbaal houdt onder meer in als verklaring van [benadeelde] , zakelijk weergegeven:

Ik ben de eigenaresse van een modellenbureau genaamd [B] te [plaats] . Ik houd kantoor in mijn woonhuis, [a-straat 1] , [plaats] . Sinds juli 2020 word ik wekelijks bestookt met berichten op mijn instagramaccounts van een mij onbekend iemand. Mijn persoonlijke instagramaccount heet [accountnaam 18] . Het account van het modellenbureau heet [accountnaam 19] . Deze berichten zijn beledigend, haatdragend en lasterlijk. Voor deze berichten zijn telkens nieuwe accounts aangemaakt met namen als: […] , […] , […] of soms wat willekeurige letters achter elkaar. In de berichten staan teksten als: neuken met opa’s voor geld, vuile vieze pedolovers, boerenslet, poeppower, pedohunters, je bent echt lelijk, lelijk shitmens, golddigger, sugardaddy to play, stuk stront, you sell kids to pedofiles, enz. Steeds vergezeld van poepicoontjes. De berichten werden geplaatst onder foto's van mij. Bij de account stonden bewerkte foto's van mij met teksten als: “Bel mij, ik ben een hoer, ik verkoop kleine meisjes”. Voornamelijk in Nederlands, soms in Engels.

Op 18 december 2020 ben ik verhuisd naar de [a-straat] . Sinds half januari 2021 ligt er telkens poep voor de deur. Dit lijkt op mensenpoep. Dit is een gedeelde portiek. Dit heeft grote impact op mijn leven. Het geeft veel negativiteit.

- Een proces-verbaal van aangifte met nummer PL1300-2021047037-2 van 5 maart 2021, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 2] , doorgenummerde pag. 8 t/m 12;

Dit proces-verbaal houdt onder meer in als verklaring van [benadeelde] , zakelijk weergegeven:

Eerder heb ik aangifte gedaan van belediging, smaad en laster. Gezien het feit dat de beledigende en lasterende berichten op mijn Instagram account aan blijven houden, doe ik bij deze aangifte van stalking. Het speelt namelijk al sinds juli 2020 en dit geeft een behoorlijke druk op mij als persoon en op mijn bedrijf.

Sinds juli 2020 wordt er onder foto’s van zowel mijn privé- als mijn bedrijfs-Instagram account gereageerd met lasterende en beledigende teksten. Telkens wordt dit door andere accounts gedaan. Aan de hand van de manier van schrijven, de woordkeuze en de telkens terugkerende poep emoticon lijkt dit of het telkens afkomstig is van dezelfde persoon. Dit ondanks dat het keer op keer andere instagram accounts zijn.

(...)

Er zijn verschillende incidenten geweest. Onder andere op 2 februari 2021 heeft de dader poep en urine in het portiek gedeponeerd.

(...)

- Een proces-verbaal van bevindingen met nummer PL1300-2021024400-2 van 11 februari 2021, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 3] en [verbalisant 4] , doorgenummerde pag. 17 t/m 20;

Dit proces-verbaal houdt onder meer in als bevindingen van voornoemde opsporingsambtenaren, zakelijk weergegeven:

Op 2 februari 2021 gingen wij naar de [a-straat 2] te [plaats] . Daar hoorden wij [betrokkene 1] verklaren dat hij had gezien dat een vrouw een zakje met poep door de brievenbus van zijn woning aan de [a-straat 2] wilde stoppen. Uiteindelijk zit nu de voordeur en de wand ernaast onder de poep. [betrokkene 1] had de betreffende vrouw gevolgd en dit bleek te zijn [verdachte] .”

Bij de stukken bevindt zich een ‘Verzoek tot schadevergoeding’ van [benadeelde] . Dit verzoek houdt onder meer in:

“4B Immateriële schade (smartengeld)

Omschrijving immateriële schade

psychische klachten en onrust voor mij en indirect kinderen (psycholoog en heel veel verlies slaap, werktijd, focus, tijd v. kinderen en levensplezier. Constant onder druk en poep/vernielingen aantreffen), niet veilig in eigen huis, social media schade imago + klanten + modellen. In de basis dus mijn bedrijf compleet aangetast, mij persoonlijk, mijn buren en huis en het ergste: levenskwaliteit van mijn kinderen. Zeer lastig in geld uit te drukken.

± misgelopen per maand in uren/hulp/imagoschade focus/psychische hulp (met doorwerkende kracht klantenverlies, schade voor modellen)

Per maand € 2000 x 12 maanden = 24.000

Totaal niet-vergoede schade € 24.000”

Volgens het proces-verbaal van de terechtzitting in eerste aanleg heeft de benadeelde partij daar onder meer naar voren gebracht:

“Ik heb hulp gezocht. Ik ben doorverwezen naar een psycholoog en ik heb het hele traject daar afgemaakt. Ik heb weinig tijd gehad om nog verder te gaan, maar ik zou eigenlijk door moeten gaan naar de specialistische GGZ. (...) De kosten van de psycholoog zijn vergoed. Ik heb alleen eigen risico betaald. Als ik nu verder wil met coaching of ander soort hulp, dan is dat wel voor mijn eigen rekening. Het bedrag dat ik vorder is aan mijn werk gerelateerd. Ik heb niet kunnen werken zoals ik normaal kon doen. Ik kon op dat moment niet verdienen wat ik op dit moment verdien met mijn bedrijf. Ik was mezelf niet. (...) Ik kan u stukken overhandigen die onder andere betrekking hebben op de doorverwijzing naar de psycholoog en de afspraak bij de psycholoog. Ook heb ik nog berichten aan de recherche en correspondentie met de buren, als onderbouwing van mijn immateriële schade. Opmerking griffier: deze stukken worden aan dit proces-verbaal gehecht.

Al met al heb ik toen niet normaal voor mijn bedrijf kunnen werken en zijn mijn werkzaamheden tegengewerkt door verdachte.”

De rechtbank heeft de vordering van de benadeelde partij toegewezen tot een bedrag van € 10.000 aan immateriële schade.

Bij de stukken bevindt zich een brief van de advocaat van de benadeelde partij aan het hof van 6 november 2023. Deze brief houdt onder meer in:

“Ten aanzien van de hieronder te noemen nieuw opgekomen en verhoogde posten wordt uitdrukkelijk verzocht, voor zover deze in eerste aanleg niet zijn gevorderd, en verhoging van de gevraagde schadevergoeding in het kader van alleen de voegingsprocedure niet is togestaan - in het geval deze posten overigens wel voor toewijzing gereed liggen - hiervoor alleen de schadevergoedingsmaatregel op te leggen. Ten aanzien van deze maatregel geldt immers niet de regel dat deze niet voor een hoger bedrag dan in eerste aanleg kan worden opgelegd. (...)

In de aangiftes en op de zitting van de rechtbank is uitgebreid aan de orde geweest wat in deze is gebeurd.

Kort samengevat kan worden gezegd dat cliënte lange tijd het slachtoffer is geweest van smaad, laster, belediging en stalking door in eerste instantie (en voor een lange periode) een onbekend persoon. Dit heeft haar een zeer groot gevoel van onveiligheid en onzekerheid gegeven. Zij maakte zich grote zorgen over haar eigen veiligheid en die van haar kinderen. Op haar adres werd zij geconfronteerd met onder meer poep door de brievenbus, in het portiek en in de bakfiets van haar buren. Op social media werd zij achtervolgd door zeer beledigende teksten die ook aan haar zakelijke contacten werden gestuurd of voor hen zichtbaar waren. Daardoor voelde zij zich met haar kinderen heel onveilig ook omdat de bron van deze berichten onbekend was. In haar eigen huis heeft zij zich lang niet veilig gevoeld. Ze heeft veel slapeloze nachten gehad en een tijd ook niet naar buiten gedurfd. Haar werk heeft er zeer onder geleden omdat ook haar zakelijke contacten werden lastiggevallen met de lasterlijke uitlatingen van de toen nog onbekende verdachte.

De strafbare feiten hebben zich over een lange periode afgespeeld zodat de emotionele en financiële schade steeds groter werd.

Lang heeft ze ook moeten vermoeden dat haar ex achter deze gedragingen zat zodat ze hem nog meer wantrouwde dan ze deed.

Bij de rechtbankzitting werd haar pas duidelijk dat de nog niet lang daarvoor ontmaskerde verdachte een relatie met haar ex had.

Al met al zijn deze gebeurtenissen zeer ingrijpend geweest in het leven van cliënte, haar kinderen, haar buren en haar zakelijke contacten. (...)

Materiele schade

(...)

Verder heeft cliënte drie jaar lang psychologische hulp gezocht voor de psychische hulp die zij nodig had onder meer door de stalking en bedreiging van de verdachte. Haar totale kosten daarvoor zijn in bijlage 3 uitgelegd door cliënte en bedroegen in totaal (inclusief delen van de betaalde eigen bijdrage aan haar zorgverzekering: € 2487,43 (...)

Immateriële schade

Aantasting in de persoon

HR 15 maart 2019 (NJ 2019/162) (EBI arrest):

“Daarnaast kunnen de aard en de ernst van de normschending en van de gevolgen daarvan voor de benadeelde meebrengen dat van de in art. 6:106 lid 1 onder b BW bedoelde aantasting in zijn persoon op andere wijze sprake is...

In beginsel zal degene die zich hierop beroept de aantasting in zijn persoon met concrete gegevens moeten onderbouwen. In voorkomend geval kunnen de aard en de ernst van de normschendingen meebrengen dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen....”

Gezien het voorgaande citaat is het ook in deze niet noodzakelijk dat een diagnose van een deskundige voorhanden is om aan te tonen dat cliënte grote emotionele schade heeft, veroorzaakt door de door de verdachte gepleegde feiten jegens haar. De alsmaar voortdurende handelingen die haar en haar gezin zo angstig maakten, haar in alle aspecten van haar leven onzeker maakte, zich onveilig liet voelen in haar eigen huis en haar carrière ondermijnden zijn dusdanig evident dat een diagnose niet noodzakelijk is om van aantasting in de persoon te kunnen spreken. Overigens is wel duidelijk dat cliënte lange tijd in behandeling is geweest van een psycholoog. Deze heeft helaas niet aan een verzoek tot het delen van de diagnose willen meewerken maar heeft cliënte wel haar behandelplan gestuurd waaruit de diagnose “andere gespecificeerde psychotrauma- of stressgerelateerde stoornis”. (bijlage 4)”

Volgens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 16 november 2023 heeft het slachtoffer gebruikgemaakt van haar spreekrecht, waarbij zij onder meer heeft verklaard:

“Tot op de dag van vandaag vraag ik mijn kinderen om niet zomaar de deur uit te lopen; ik wil altijd eerst een blik door de straat werpen. Overal waar ik ben neem ik de hele omgeving in me op.

Ik schrik wanneer de bel gaat of wanneer ik geluiden hoor voor de deur. Nog altijd kijk ik beneden uit automatisme of er niets voor de deur ligt. Elke dag voel ik weer een opluchting dat er geen poep, plas of maandverband te zien is. Dit is niet alleen een gevoel van opluchting, het is helaas een bevestiging dat ik er toch elke dag nog mee bezig ben.

Ik neem anonieme telefoontjes niet op. Überhaupt nummers die ik niet ken liever niet. Ik wacht eerst af totdat er gemaild wordt of er een voicemail ingesproken wordt, terwijl het vaak om werk gaat en ik kans heb om inkomsten mis te lopen. Ik neem ieder nummer op met ‘Hallo’, in plaats van ‘Met [benadeelde] van [B] ’. Niet professioneel, wel de enige manier waarop ik me veilig voel.

Het zijn maar enkele voorbeelden die elke dag opnieuw terugkeren. Het zijn gedachten en gewoonten die terugkeren ondanks dat ik er zo hard aan heb gewerkt om het achter me te laten. Twee trajecten bij de psycholoog verder, maken dat ik me minder angstig voel en weer vol durf te leven. Ik heb er keihard voor gewerkt om de angst achter me te laten. Toch laten deze paar kleine voorbeelden al zien dat ik niet meer onbevangen leef.

Wanneer ik teruglees wat er allemaal is gebeurd, wat er allemaal is gezegd en hoelang ik in overlevingsstand heb moeten functioneren, kan ik bijna niet bevatten dat ik overeind ben gebleven. Ik was bang en voelde me vernederd. Ik voelde me extreem kwetsbaar. Ik was niet lang ervoor alleenstaande moeder geworden en had al mijn energie en tijd nodig om voor mijn kinderen te zorgen die destijds pas net 1 en 2 waren, en om mijn bedrijf op te bouwen. Die tijd en energie werden me niet gegund. Ik was druk met dag en nacht de meest verschrikkelijke reacties verwijderen, Instagramprofielen blokkeren en rapporteren, contact met de politie en ondertussen proberen te doen alsof er niets aan de hand was om de schade te beperken.”

Volgens dat proces-verbaal heeft de advocaat van de benadeelde partij ter toelichting op de vordering onder meer verklaard:

“Ik realiseer me dat verhoging van de vordering in hoger beroep in principe niet mogelijk is. Evenwel heeft [benadeelde] in eerste aanleg zonder hulp of bijstand zelf het schadevergoedingsformulier ingevuld. (...) Het bedrag van € 10.000,00 aan immateriële schade is een reëel bedrag; het gaat hier om langdurige stalking met een enorme impact op het slachtoffer.”

Volgens datzelfde proces-verbaal heeft de raadsman van de verdachte over de vordering van de benadeelde partij naar voren gebracht:

“De schadevergoedingsmaatregel is een strafrechtelijke sanctie. Het is niet de bedoeling om op deze manier het civiele recht te omzeilen. (...) Ook de medische kosten betwist ik, nu er ook sprake was van andere problematiek bij het slachtoffer. Ik vraag u de gehele vordering niet-ontvankelijk te verklaren en subsidiair de vordering gedeeltelijk toe te wijzen tot een bedrag van € 2.000.”

Het hof heeft over de strafoplegging, de vordering van de benadeelde partij en de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel overwogen:

“Oplegging van straffen

(...)

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan belaging, smaadschrift en het onbruikbaar maken van een portiek. Zij heeft het slachtoffer gedurende een periode van ruim 13 maanden op verschillende manieren het leven zuur gemaakt. Zij heeft veelvuldig met het slachtoffer geprobeerd contact te zoeken via diverse (sociale media) kanalen. Zij heeft daarbij onprettige en confronterende berichten en foto’s geplaatst. Daarnaast is zij langs de woning van het slachtoffer gegaan en heeft zij poep in het portiek van haar woning achtergelaten. Door aldus te handelen heeft de verdachte de grens van het toelaatbare ver overschreden en daarmee stelselmatig een ernstige inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van het slachtoffer en moedwillig de naam en goede eer van het slachtoffer en haar bedrijf geschonden. Dit soort feiten wordt als buitengewoon beangstigend en bedreigend ervaren, hetgeen ook blijkt uit de in hoger beroep voorgedragen indringende slachtofferverklaring waarin zij beschrijft dat de impact van het handelen van de verdachte en haar gezin zo groot is geweest dat zij tot op de dag van vandaag daarvan nog last en angstgevoelens ondervindt en dat zij daarvoor psychische hulp heeft gezocht.

(...)

Vordering van de benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 24.000,00 aan vergoeding van immateriële schade bestaande uit gemiste omzet, te vermeerderen met de wettelijke rente. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 10.000,00 aan immateriële schade en voor het overige is de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard in de vordering.

Voorafgaand aan de terechtzitting in hoger beroep heeft de advocaat van de benadeelde partij aanvullende stukken ter onderbouwing van de vordering ingediend. Hieruit volgt dat de benadeelde partij € 26.487,43 vordert aan materiële schade (bestaande uit € 24.000,00 gemiste omzet en € 2.487,43 kosten voor psychische hulp) en € 10.000,00 aan immateriële schade (bestaande uit emotionele schade). Het hof verstaat dit als een vermeerdering van de originele vordering met € 10.000,00 aan immateriële kosten en € 2.487,43 aan materiële kosten.

Standpunt van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk moet worden verklaard ten aanzien van de eerst in hoger beroep gevorderde kosten. De advocaat-generaal heeft geadviseerd om voor die kosten aan de verdachte de schadevergoedingsmaatregel op te leggen en de betalingsverplichting vast te stellen op € 12.487,43 te vermeerderen met de wettelijke rente.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft primair verzocht om de benadeelde partij in de gehele vordering niet-ontvankelijk te verklaren omdat de vordering ten onrechte in hoger beroep is verhoogd en voor het overige onvoldoende is onderbouwd. Subsidiair heeft de raadsman verzocht om de toewijzing te beperken tot een bedrag van € 2.000,00 aan immateriële schade.

Oordeel hof materiële schade € 24.000,00.

Het hof is van oordeel dat, gelet op de summiere onderbouwing van de vordering en op de betwisting ervan door de verdediging, de beoordeling van de schade een te complexe kwestie is om in het kader van dit strafgeding te beslechten en aldus een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. De vordering wordt ten aanzien van dit onderdeel niet-ontvankelijk verklaard.

Oordeel hof immateriële schade en kosten psychische hulp

Ten aanzien van de in hoger beroep opgevoerde kosten voor de immateriële schade en de kosten voor psychische hulp overweegt het hof dat gelet op het bepaalde in artikel 421, derde lid, Sv een benadeelde partij, voor zover de gevorderde schadevergoeding niet is toegewezen, zich binnen de grenzen van haar eerste vordering in hoger beroep kan voegen. De in deze wetsbepaling opgenomen beperking moet zo worden uitgelegd dat de benadeelde partij in hoger beroep geen schadeposten mag opvoeren die zij in eerste aanleg niet heeft opgevoerd en evenmin het bedrag van de in eerste aanleg wel opgevoerde schadeposten mag verhogen (vgl. HR 17 februari 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZD0945). Nu voornoemde schadeposten door de benadeelde partij voor het eerst in hoger beroep zijn opgevoerd kan zij derhalve in zoverre niet in de vordering worden ontvangen en zal het hof de benadeelde partij voor wat betreft de in hoger beroep opgevoerde schadeposten van de emotionele schade en de kosten voor de psychische hulp niet-ontvankelijk verklaren.

Wel kan de strafrechter ambtshalve, los van een door de benadeelde partij ingestelde vordering, de in artikel 36f, eerste lid, Sr bedoelde schadevergoedingsmaatregel opleggen indien en voor zover de verdachte jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het strafbare feit is toegebracht (vgl. HR 28 mei 2019, ECLI:NL:HR:2019:793). Artikel 36f Sr betreft een strafrechtelijke sanctie, die los van de beslissing in de voegingsprocedure kan worden opgelegd. Hieruit volgt dat de rechter niet is gehouden het bedrag van de betalingsverplichting als bedoeld in art. 36f Sr op hetzelfde bedrag te stellen als het bedrag waarvoor hij de daarmee verband houdende vordering van de benadeelde partij heeft toegewezen (vgl. HR 28 mei 2019, ECLI:NL:HR:2019:793, r.o. 2.9.2).

De schadevergoedingsmaatregel zal daarom ook worden opgelegd voor het bedrag van € 2.487,43 aan kosten voor psychische hulp en € 10.000,00 aan kosten voor de immateriële schade omdat de verdachte ook voor die schade naar burgerlijk recht aansprakelijk is. De verdachte heeft immers onrechtmatig gehandeld jegens de benadeelde partij, ten gevolge waarvan deze rechtstreeks ook die schade heeft geleden. Daarnaast komen deze kosten, die met stukken zijn onderbouwd, het hof ook op dit onderdeel niet onrechtmatig of ongegrond voor. Daarbij betrekt het hof dat de benadeelde partij in eerste aanleg geen juridische bijstand had en zelf de vordering heeft opgesteld en ingediend en pas in hoger beroep juridische bijstand heeft gekregen van een advocaat. Onder deze omstandigheden zou het tot een onbillijk resultaat leiden indien de schade van de benadeelde partij, mits in voldoende mate vast te stellen, niet vergoed zou kunnen worden. De schadevergoedingsmaatregel wordt daarom opgelegd voor een bedrag van € 12.487,43, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf het ontstaan van de schade.

(...)

BESLISSING

Het hof: (...)

Vordering van [benadeelde]

Verklaart [benadeelde] niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding en bepaalt dat de benadeelde partij de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Bepaalt dat de benadeelde partij en de verdachte ieder hun eigen kosten dragen.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde] , ter zake van het onder 1 en 2 primair bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 12.487,43 (twaalfduizend vierhonderdzevenentachtig euro en drieënveertig cent) bestaande uit € 2.487,43 (tweeduizend vierhonderdzevenentachtig euro en drieënveertig cent) aan materiële schade en € 10.000,00 (tienduizend euro) aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 97 (zevenennegentig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële en de immateriële schade op 17 juli 2020.”

Zoals in het arrest van de Hoge Raad van 20 januari 2026 met zaaknummer 24/02515 (ECLI:NL:HR:2026:73, rechtsoverweging 6.4) is overwogen, moet de rechter de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel motiveren.

De volgende bepalingen zijn van belang.

- Artikel 6:95 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW):

“De schade die op grond van een wettelijke verplichting tot schadevergoeding moet worden vergoed, bestaat in vermogensschade en ander nadeel, dit laatste voor zover de wet op vergoeding hiervan recht geeft.”

- Artikel 6:96 lid 1 BW:

“Vermogensschade omvat zowel geleden verlies als gederfde winst.”

- Artikel 6:106, aanhef en onder b, BW:

“Voor nadeel dat niet in vermogensschade bestaat, heeft de benadeelde recht op een naar billijkheid vast te stellen schadevergoeding:

b. indien de benadeelde lichamelijk letsel heeft opgelopen, in zijn eer of goede naam is geschaad of op andere wijze in zijn persoon is aangetast.”

- Artikel 36f lid 1 en 2 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr), zoals dat luidde ten tijde van het bewezenverklaarde:

“1. Aan degene die bij rechterlijke uitspraak wegens een strafbaar feit wordt veroordeeld tot een straf of aan wie bij rechterlijke uitspraak een maatregel (...) wordt opgelegd, of waarbij door de rechter bij de strafoplegging rekening is gehouden met een strafbaar feit, waarvan in de dagvaarding is meegedeeld dat het door de verdachte is erkend en ter kennis van de rechtbank wordt gebracht dan wel jegens wie een strafbeschikking wordt uitgevaardigd, kan de verplichting worden opgelegd tot betaling aan de staat van een som gelds ten behoeve van het slachtoffer of de personen genoemd in artikel 51f, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering. De staat keert een ontvangen bedrag onverwijld uit aan het slachtoffer of de personen genoemd in artikel 51f, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering.

2. De maatregel kan worden opgelegd indien en voor zover de verdachte jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het strafbare feit is toegebracht.”

In zijn arrest van 28 mei 2019, ECLI:NL:HR:2019:793 heeft de Hoge Raad onder meer overwogen:

“2.4.5 Van de [in art. 6:106, aanhef en onder b, BW] bedoelde aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ is in ieder geval sprake indien de benadeelde partij geestelijk letsel heeft opgelopen. Degene die zich hierop beroept, zal voldoende concrete gegevens moeten aanvoeren waaruit kan volgen dat in verband met de omstandigheden van het geval psychische schade is ontstaan. Daartoe is vereist dat naar objectieve maatstaven het bestaan van geestelijk letsel kan worden vastgesteld. Ook als het bestaan van geestelijk letsel in voornoemde zin niet kan worden aangenomen, is niet uitgesloten dat de aard en de ernst van de normschending en van de gevolgen daarvan voor de benadeelde, meebrengen dat van de in art. 6:106, aanhef en onder b, BW bedoelde aantasting in zijn persoon ‘op andere wijze’ sprake is. In zo een geval zal degene die zich hierop beroept de aantasting in zijn persoon met concrete gegevens moeten onderbouwen. Dat is slechts anders indien de aard en de ernst van de normschending meebrengen dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen. (...)

Art. 36f Sr bepaalt, kort gezegd, dat de rechter aan de verdachte de verplichting kan opleggen tot betaling aan de Staat van een geldbedrag ten behoeve van het slachtoffer of de personen genoemd in art. 51f, tweede lid, Sv, indien en voor zover de verdachte jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het strafbare feit is toegebracht. Ook voor het opleggen van de schadevergoedingsmaatregel is daarnaast vereist dat sprake is van (...) ‘rechtstreekse schade’.

Uit de bewoordingen alsmede de geschiedenis van de totstandkoming van art. 36f Sr volgt dat de in die bepaling bedoelde maatregel een strafrechtelijke sanctie is die los van de beslissing in de voegingsprocedure kan worden opgelegd. De schadevergoedingsmaatregel kan door de rechter ook worden opgelegd indien het slachtoffer geen schadevergoeding heeft gevorderd of niet in zijn vordering kan worden ontvangen. Hieruit volgt ook dat de rechter niet is gehouden het bedrag van de betalingsverplichting als bedoeld in art. 36f Sr op hetzelfde bedrag te stellen als het bedrag waarvoor hij de daarmee verband houdende vordering van de benadeelde partij heeft toegewezen.”

Het hof heeft bewezenverklaard dat de verdachte het slachtoffer gedurende ruim dertien maanden heeft belaagd en zich schuldig heeft gemaakt aan smaadschrift door haar “op verschillende manieren het leven zuur te maken”, te weten door haar veelvuldig (anoniem) te bellen en op social media beledigende teksten en (bewerkte) foto’s van het slachtoffer te plaatsen met daarbij berichten als “Bel mij, ik ben een hoer, ik verkoop kleine meisjes”, “stuk stront” en “vieze pedofiel”, met verwijzing naar het zakelijke Instagram-account van het slachtoffer, en door bij haar woning langs te gaan en poep in het portiek van haar woning achter te laten. Het hof heeft verder vastgesteld dat de verdachte met het bewezenverklaarde handelen de grens van het toelaatbare ver heeft overschreden en stelselmatig een ernstige inbreuk heeft gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van het slachtoffer, en dat zij moedwillig de “naam en goede eer” van het slachtoffer en haar bedrijf heeft geschonden. Verder heeft het hof overwogen dat dit soort feiten als buitengewoon beangstigend en bedreigend wordt ervaren, zoals ook blijkt uit de slachtofferverklaring, en dat de impact van het handelen van de verdachte op het slachtoffer en haar gezin zo groot is geweest dat het slachtoffer “tot op de dag van vandaag” daarvan nog last en angstgevoelens ondervindt en dat zij daarvoor psychische hulp heeft gezocht.

Het hierop gebaseerde oordeel van het hof dat de verdachte jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door de strafbare feiten is toegebracht, getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk, gelet op wat onder 2.4 en 2.5.2 is vooropgesteld en in aanmerking genomen dat op grond van artikel 6:106, aanhef en onder b, BW voor vergoeding van immateriële schade onder meer plaats is als, gelet op de aard en de ernst van de normschending en de nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde, sprake is van een aantasting in de persoon op andere wijze of als de benadeelde in zijn eer of goede naam is geschaad. Dat geldt ook voor de door het hof toegewezen vergoeding van kosten voor de door het slachtoffer gezochte psychische hulp.

Het cassatiemiddel faalt.

3. Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof

De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de opgelegde taakstraf van 150 uren, subsidiair 75 dagen hechtenis.

4. Beslissing

De Hoge Raad:

- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft het aantal uren te verrichten taakstraf en de duur van de vervangende hechtenis;

- vermindert het aantal uren taakstraf en de duur van de vervangende hechtenis in die zin dat de taakstraf 143 uren beloopt, subsidiair 71 dagen hechtenis;

- verwerpt het beroep voor het overige.

Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren C.N. Dalebout en F. Damsteegt, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 3 februari 2026.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?