HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer 26/02117
Datum 11 september 2026
ARREST
op het door [X] (hierna: belanghebbende) ingediende verzoek om herziening van het arrest van de Hoge Raad der Nederlanden van 24 april 2026, nr. 25/03916.
1. Beoordeling van de ontvankelijkheid van het verzoek om herziening
Bij arrest van 24 april 2026, nr. 25/03916, ECLI:NL:HR:2026:724 (hierna: het arrest van 24 april 2026), heeft de Hoge Raad het verzoek van belanghebbende om herziening van het arrest van 10 oktober 2025, nr. 25/02442, ECLI:NL:HR:2025:1537 (hierna: het arrest van 10 oktober 2025), met toepassing van artikel 80a van de Wet op de rechterlijke organisatie niet-ontvankelijk verklaard.
Belanghebbende heeft vervolgens een verzoek om herziening gedaan van de hiervoor in 1.1 vermelde arresten.
Voor zover belanghebbende verzoekt om herziening van het arrest van 24 april 2026, moet dat verzoek niet-ontvankelijk worden verklaard.Op grond van artikel 29 AWR in samenhang gelezen met artikel 8:119 Awb kan op verzoek van een partij een uitspraak van de Hoge Raad als bedoeld in artikel 29e AWR worden herzien indien zich feiten of omstandigheden zoals bedoeld in artikel 8:119, lid 1, Awb voordoen die tot een andere uitspraak hadden kunnen leiden. Zelfs indien sprake zou zijn van dergelijke feiten en omstandigheden, heeft het daarom geen zin om met een beroep daarop te verzoeken om herziening van een uitspraak die is gedaan op een verzoek om herziening.
Voor zover belanghebbende opnieuw verzoekt om herziening van het arrest van 10 oktober 2025, heeft het volgende te gelden. Als grond voor herziening van een arrest van de Hoge Raad als bedoeld in artikel 29e AWR kunnen op grond van artikel 29 van die wet in samenhang gelezen met artikel 8:119, lid 1, Awb slechts dienen feiten of omstandigheden die hebben plaatsgevonden vóór dat arrest, die tevens bij de indiener van het verzoekschrift om herziening vóór dat arrest niet bekend waren en redelijkerwijs niet bekend konden zijn, en die voorts, waren zij bij de Hoge Raad eerder bekend geweest, tot een andere uitspraak zouden hebben kunnen leiden.Het onderhavige verzoek om herziening behelst geen feiten of omstandigheden als hiervóór bedoeld. Daarom moet het hiervoor bedoelde verzoek worden afgewezen.
2. Proceskosten
De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
3. Beslissing
De Hoge Raad:
- verklaart het verzoek om herziening van het arrest van 24 april 2026 niet-ontvankelijk, en
- wijst het verzoek om herziening van het arrest van 10 oktober 2025 af.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.E. van Hilten als voorzitter, en de raadsheren E.N. Punt en M.A. Fierstra, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 11 september 2026.