HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 24/03312
Datum 22 september 2026
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 19 augustus 2024, nummer 21-004969-23, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1994,
hierna: de verdachte.
1. Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft de advocaat D.L.A.M. Pluijmakers bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld.
De advocaat-generaal P.H.P.H.M.C. van Kempen heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de beslissing op de vordering tot tenuitvoerlegging van de eerder voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf, tot terugwijzing van de zaak naar het hof Arnhem-Leeuwarden teneinde in zoverre op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan, en tot verwerping van het beroep voor het overige.
2. Beoordeling van het cassatiemiddel
Het cassatiemiddel klaagt over (de motivering van) de beslissing van het hof tot toewijzing van de vordering tot tenuitvoerlegging. Het klaagt in het bijzonder over het oordeel van het hof dat het taakstrafverbod van artikel 22b van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) in de weg staat aan het omzetten van de eerder voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf van vier weken in een taakstraf.
Het hof heeft de verdachte voor – kort gezegd – een op 8 oktober 2023 gepleegde diefstal in vereniging met braak veroordeeld tot een gevangenisstraf van vijf weken. Verder heeft het hof de tenuitvoerlegging bevolen van het voorwaardelijke deel van de bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Midden-Nederland van 21 juli 2023 opgelegde gevangenisstraf van zes weken, waarvan vier weken voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.
Het hof heeft over deze vordering tot tenuitvoerlegging overwogen en beslist:
“Het openbaar ministerie heeft de tenuitvoerlegging gevorderd van de bij vonnis van de politierechter in de rechtbank te Midden-Nederland van 21 juli 2023 opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van vier weken, parketnummer 16-170288-23. Deze vordering is in hoger beroep opnieuw aan de orde.
Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt. Daarom kan de tenuitvoerlegging van die voorwaardelijk opgelegde straf worden bevolen.
De raadsman heeft bepleit om af te zien van de tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde straf. Hij heeft daartoe aangevoerd dat verdachte hoger beroep heeft ingesteld tegen het vonnis van de politierechter omdat hij het niet eens is met de hem opgelegde straf. Er is in eerste aanleg strafvermindering bepleit wegens – kort gezegd – politiegeweld bij de aanhouding van verdachte. De politie heeft tegen het been van verdachte op de rijdende fatbike getrapt, waardoor verdachte lelijk is gevallen. Dit verweer is door de politierechter verworpen. Nu verdachte de door de politierechter opgelegde straf reeds volledig heeft uitgezeten, heeft hij ten aanzien van de strafoplegging voor het overige geen belang meer bij het instellen van hoger beroep. De raadsman heeft verzocht om hiermee bij de beoordeling van de vordering tot tenuitvoerlegging rekening te houden.
(...)
Onder deze omstandigheden is naar het oordeel van het hof de toepassing van geweld door de politie geoorloofd en is die trap niet disproportioneel geweest. Het hof ziet om die reden op basis van hetgeen ter zitting van het hof naar voren is gebracht geen aanleiding om slechts een gedeelte van de voorwaardelijk opgelegde straf ten uitvoer te leggen.
Omzetting van de vier weken voorwaardelijke gevangenisstraf naar een taakstraf van overeenkomende duur is, gelet op het hier van toepassing zijnde taakstrafverbod van artikel 22b van het Wetboek van Strafrecht, niet mogelijk.
Daarom zal het hof de tenuitvoerlegging van die voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf bevelen.”
Bij de stukken bevindt zich een Uittreksel Justitiële Documentatie van 8 juli 2024 over de verdachte. Dat stuk houdt onder meer in dat de verdachte:
A. bij onherroepelijk vonnis van de politierechter in de rechtbank Gelderland van 8 oktober 2020 in de zaak met parketnummer 05-163791-20 voor, kort gezegd, diefstal in vereniging en diefstal in vereniging met valse sleutels – beide gepleegd op 21 juni 2020 – is veroordeeld tot onder meer een taakstraf van zestig uren, subsidiair dertig dagen hechtenis, en dat die vervangende hechtenis is tenuitvoergelegd van 6 april 2022 tot en met 3 mei 2022;
B. bij onherroepelijk vonnis van de politierechter in de rechtbank Midden-Nederland van 21 juli 2023 in de zaak met parketnummer 16-170288-23 voor, kort gezegd, een op 10 juli 2023 gepleegde poging tot diefstal met braak is veroordeeld tot een gevangenisstraf van zes weken, waarvan vier weken voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.
De volgende bepalingen zijn van belang.
- Artikel 22b Sr zoals dat luidde ten tijde van het feit waarvoor de verdachte is veroordeeld tot de onder 2.2.3 sub B bedoelde (deels) voorwaardelijke gevangenisstraf waarvan de tenuitvoerlegging is gevorderd, en dat daarna een voor deze zaak niet relevante wijziging heeft ondergaan:
“1. Een taakstraf wordt niet opgelegd in geval van veroordeling voor:
a. een misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van zes jaren of meer is gesteld en dat een ernstige inbreuk op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer ten gevolge heeft gehad;
b. een van de misdrijven omschreven in de artikelen 181, 240b, 248a, 248b, 248c en 250.
2. Een taakstraf wordt voorts niet opgelegd in geval van veroordeling voor een misdrijf indien:
1° aan de veroordeelde in de vijf jaren voorafgaand aan het door hem begane feit wegens een soortgelijk misdrijf een taakstraf is opgelegd, en
2° de veroordeelde deze taakstraf heeft verricht dan wel op grond van artikel 6:3:3 van het Wetboek van Strafvordering de tenuitvoerlegging van de vervangende hechtenis is bevolen.
3. Van het eerste en tweede lid kan worden afgeweken indien naast de taakstraf een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel wordt opgelegd.”
- Artikel 6:6:21 lid 1 en 2 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv):
“1. De rechter is bevoegd tot het op vordering van het openbaar ministerie bevelen van de tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk niet ten uitvoer gelegde straf of maatregel, of een gedeelte daarvan, al of niet onder instandhouding of wijziging van de voorwaarden.
2. In plaats van het op grond van het eerste lid bevelen van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf, kan de rechter de tenuitvoerlegging van een taakstraf gelasten. Artikel 22b van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 6:1:15, 6:3:1 tot en met 6:3:6, 6:3:14 en 6:6:23 van dit wetboek zijn van overeenkomstige toepassing.”
De rechter die beslist over een vordering van het openbaar ministerie tot tenuitvoerlegging van een eerder voorwaardelijk opgelegde straf kan op grond van artikel 6:6:21 lid 2 Sv de tenuitvoerlegging van een taakstraf gelasten, in plaats van het bevelen van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf. In artikel 6:6:21 lid 2, tweede volzin, Sv is artikel 22b Sr van overeenkomstige toepassing verklaard, zodat in de gevallen waarin artikel 22b Sr de oplegging van een taakstraf niet toeliet, ook geen taakstraf wordt gelast in plaats van een bevel tot tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf. Zo beoogt de wet te voorkomen dat een feit alsnog wordt bestraft met een taakstraf, in de situatie dat bij de veroordeling voor dat feit artikel 22b Sr in de weg zou hebben gestaan aan de oplegging van een taakstraf. De rechter die beslist over de vordering van het openbaar ministerie als bedoeld in artikel 6:6:21 lid 1 Sv moet daarom zo nodig nagaan of, als op grond van artikel 6:6:21 lid 2, eerste volzin, Sv een taakstraf wordt gelast, dat feitelijk leidt tot een bestraffing van het feit waarvoor de voorwaardelijke vrijheidsstraf is opgelegd die niet in overeenstemming is met artikel 22b Sr. Bij die beoordeling neemt de rechter op grond van artikel 22b Sr de eventuele andere straffen in aanmerking die voor dat feit aan de veroordeelde zijn opgelegd.
Dit betekent dat, voor zover bij de beslissing op de in artikel 6:6:21 lid 1 Sv bedoelde vordering de vraag aan de orde komt of aan de in artikel 22b lid 2 Sr genoemde voorwaarden wordt voldaan, onder “het door hem begane feit” moet worden verstaan het feit waarvoor de verdachte is veroordeeld tot de voorwaardelijk opgelegde straf waarvan de tenuitvoerlegging wordt gevorderd.(Vgl. HR 19 februari 2019, ECLI:NL:HR:2019:255, rechtsoverweging 2.5.)
Artikel 22b lid 3 Sr staat in de in artikel 22b lid 1 en 2 Sr vermelde gevallen de oplegging van een taakstraf toe, als naast de taakstraf ook een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel wordt opgelegd (vgl. HR 20 februari 2018, ECLI:NL:HR:2018:202).
Het hof heeft kennelijk geoordeeld dat de onder 2.2.3 sub A genoemde (veroordeling tot) taakstraf, op grond van artikel 22b lid 2 Sr eraan in de weg staat dat het voorwaardelijk deel van de onder 2.2.3 sub B genoemde gevangenisstraf op grond van artikel 6:6:21 lid 2, eerste volzin, Sv wordt omgezet in een taakstraf. In het licht van wat onder 2.4 is vooropgesteld, getuigt dat oordeel van een onjuiste rechtsopvatting. Voor de beantwoording van de vraag of het hof in plaats van een bevel tot tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf de tenuitvoerlegging van een taakstraf kon gelasten, is immers bepalend dat voor het door de verdachte in de strafzaak die is genoemd onder 2.2.3 sub B begane feit een gedeeltelijk onvoorwaardelijke gevangenisstraf is opgelegd. In zo’n geval maakt artikel 6:6:21 lid 2 Sv in samenhang met artikel 22b lid 3 Sr het mogelijk dat de rechter de tenuitvoerlegging van een taakstraf gelast in plaats van een bevel tot tenuitvoerlegging van het voorwaardelijke deel van de opgelegde gevangenisstraf.
Het cassatiemiddel slaagt.
3. Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof
De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden. In het licht van de beperkte mate van overschrijding van de redelijke termijn volstaat de Hoge Raad met het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden, en is er geen aanleiding om aan dat oordeel enig ander rechtsgevolg te verbinden.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de beslissing op de vordering tot tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Midden-Nederland van 21 juli 2023 (parketnummer 16-170288-23) voorwaardelijk opgelegde straf;
- wijst de zaak terug naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, opdat de zaak ten aanzien daarvan opnieuw wordt berecht en afgedaan;
- verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president C. Caminada als voorzitter, en de raadsheren T. Kooijmans en C.N. Dalebout, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 22 september 2026.