HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer 25/02367
Datum 2 oktober 2026
ARREST
in de zaak van
[X] (hierna: belanghebbende)
tegen
de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Den Haag van 21 mei 2025, nr. BK-24/694, op het verzet van belanghebbende tegen een uitspraak van het Gerechtshof van 22 oktober 2024.
1. Geding in cassatie
Belanghebbende, vertegenwoordigd door A.F.M.J. Verhoeven, heeft tegen de uitspraak van het Hof op het verzet beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staatssecretaris, vertegenwoordigd door [P], heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.
2. Uitgangspunten in cassatie
Op 22 juli 2024 heeft A.F.M.J. Verhoeven van Hefna B.V. (hierna: Hefna) bij het Hof via het daartoe opengestelde webportaal “namens belanghebbende” hoger beroep ingesteld tegen een aan belanghebbende gerichte uitspraak van de rechtbank Den Haag (hierna: de Rechtbank) betreffende een aan belanghebbende opgelegde naheffingsaanslag in de belasting van personenauto's en motorrijwielen (hierna: bpm). Bij het hogerberoepschrift was een machtiging gevoegd die op 18 juni 2021 was ondertekend door belanghebbende.
Het hogerberoepschrift bevatte niet de gronden van het hoger beroep terwijl het die op grond van artikel 6:5, lid 1, letter d, Awb in samenhang gelezen met artikel 6:24 Awb wel moet bevatten. Verder was de bij het hogerberoepschrift overgelegde machtiging volgens het Hof niet voldoende recent door belanghebbende ondertekend om te dienen als een schriftelijke machtiging zoals bedoeld in artikel 8:24, lid 2, Awb in samenhang gelezen met artikel 8:108, lid 1, Awb. In overeenstemming met hetgeen is bepaald in artikel 6:6 Awb in samenhang gelezen met artikel 6:24 Awb heeft de griffier van het Hof op 22 juli 2024 Hefna de mogelijkheid gegeven om binnen een daartoe gestelde termijn (vier weken) de gronden van het hoger beroep in te dienen en binnen diezelfde termijn een op naam van belanghebbende gestelde machtiging over te leggen die niet ouder dan drie maanden is, gerekend vanaf het moment van indiening van het hogerberoepschrift. Daarbij heeft de griffier van het Hof erop gewezen dat indien deze verzuimen niet tijdig worden hersteld, het hoger beroep niet-ontvankelijk kan worden verklaard.
Op de laatste dag van de door de griffier van het Hof gestelde termijn (19 augustus 2024) heeft Hefna via het webportaal verzocht om verlenging van de hiervoor in 2.2 bedoelde termijn. Daags daarna, op 20 augustus 2024, heeft de griffier van het Hof Hefna via het webportaal bericht dat het Hof het verzoek afwijst wat betreft het indienen van de gronden van het hoger beroep, en toewijst wat betreft het overleggen van een recente machtiging en wel tot uiterlijk op 3 september 2024. Hefna heeft vervolgens op 6 september 2024 via het webportaal de gronden van het hoger beroep ingediend en daarbij een op 19 augustus 2024 door belanghebbende ondertekende machtiging gevoegd.
Het Hof heeft in een aan belanghebbende gerichte uitspraak het hoger beroep met toepassing van artikel 8:54 Awb in samenhang gelezen met artikel 8:108, lid 1, Awb niet-ontvankelijk verklaard. Het Hof heeft daartoe overwogen:
“Bij het hogerberoepschrift is geen recente machtiging gevoegd.
Belanghebbende is via een bericht verzonden aan de gemachtigde, te weten: Hefna B.V. t.a.v. A.F.M.J. Verhoeven, via het webportaal ‘Mijn Rechtspraak’ op 22 juli 2024 om 16.05 uur op het verzuim gewezen en is bij die gelegenheid uitgenodigd dit verzuim uiterlijk op 19 augustus 2024 te herstellen. Bij bericht van 20 augustus 2024 om 10.10 uur is de termijn op verzoek van de gemachtigde verlengd tot 3 september 2024. Belanghebbende heeft het verzuim op 6 september 2024, dus te laat, hersteld.
Nu het hogerberoepschrift niet aan de eisen van de wet voldoet en belanghebbende niet binnen de gestelde termijn het verzuim heeft hersteld, is het Hof van oordeel dat belanghebbende niet behoort te worden ontvangen in het hoger beroep.
Deze uitspraak is gegeven op grond van de artikelen 6:5, 6:6, 6:24, 8:54 en 8:108 van de Algemene wet bestuursrecht.”
Op de voet van artikel 8:55 Awb heeft Hefna namens belanghebbende tegen de hiervoor bedoelde uitspraak van het Hof verzet gedaan. Het Hof heeft het verzet ongegrond verklaard op de volgende gronden.
Omdat Hefna de hiervoor in 2.3 bedoelde machtiging heeft ingediend na afloop van de daarvoor gestelde termijn en Hefna geen redenen heeft gegeven voor een eventuele verschoonbaarheid van de te late indiening, is het hoger beroep naar het oordeel van het Hof terecht niet-ontvankelijk verklaard.
Het Hof heeft geoordeeld dat in de omstandigheden van het geval ook het Unierecht niet in de weg staat aan afwijzing van het verzoek om verlenging van de termijn voor het overleggen van een recente machtiging. Het Hof heeft gewezen op vaste rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie waaruit volgt dat het in Unierechtelijke zaken toepasselijke procesrecht, bij gebreke van Unierechtelijke voorschriften ter zake, wordt beheerst door de beginselen van gelijkwaardigheid, doeltreffendheid en effectieve rechtsbescherming. Deze beginselen houden in dat de desbetreffende nationale procedureregels voor vorderingen die worden ingediend ter bescherming van rechten die justitiabelen aan het Unierecht ontlenen, niet ongunstiger mogen zijn dan die voor soortgelijke nationale vorderingen (gelijkwaardigheidsbeginsel) en dat zij de uitoefening van de door Unierecht verleende rechten in de praktijk niet onmogelijk of uiterst moeilijk mogen maken (doeltreffendheidsbeginsel). In dit kader heeft het Hof verworpen de stelling van belanghebbende dat het Hof verplicht is prejudiciële vragen te stellen aan het Hof van Justitie.
3. Beoordeling van het middel
Het middel richt zich tegen de hiervoor in 2.5.1 tot en met 2.5.3 weergegeven oordelen van het Hof. Het middel herhaalt het voor het Hof gehouden betoog over het in artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: het Handvest) neergelegde recht van eenieder wiens door het recht van de Unie gewaarborgde rechten en vrijheden zijn geschonden, op een doeltreffende voorziening in rechte, dus op effectieve toegang tot de rechter. Dit recht kan slechts worden beperkt overeenkomstig het bepaalde in artikel 52 van het Handvest. Vanwege het volstrekt onnodig vasthouden aan gestelde termijnen voor het indienen van de gronden en/of het overleggen van een recente machtiging wordt niet aan de in laatstgenoemd artikel vermelde voorwaarden voldaan, en had het Hof het hoger beroep niet niet-ontvankelijk mogen verklaren, aldus het middel. In dat kader merkt het middel op dat de eis van het Hof dat “niet-advocaten” een schriftelijke machtiging moeten overleggen ten bewijze van vertegenwoordigingsbevoegdheid in gerechtelijke procedures geen wettelijke grondslag in het recht van de Unie kent.
Bij de beoordeling van het middel wordt het volgende vooropgesteld.
Op de nationale rechter rust de verplichting om de rechterlijke bescherming van de rechten die justitiabelen ontlenen aan het Unierecht, te verzekeren. Tot die rechten behoort het in artikel 47 van het Handvest neergelegde recht van justitiabelen op een doeltreffende voorziening in rechte, met inachtneming van de in dat artikel gestelde voorwaarden. De in artikel 47 van het Handvest bedoelde effectieve rechterlijke bescherming betreft de verschillende aspecten van de beroepsprocedure, waaronder het recht op toegang tot de rechter. Tenzij het Unierecht op specifieke rechtsgebieden daarover voorschriften bevat, behoort die inrichting tot de procedurele autonomie van de lidstaten. Dit betekent dat elke lidstaat zelf de procesregels mag vaststellen voor de administratieve procedure en de gerechtelijke procedure ter bescherming van de rechten die de justitiabelen aan het Unierecht ontlenen.
De door lidstaten vastgestelde procedureregels mogen niet ongunstiger zijn dan die welke voor soortgelijke situaties naar nationaal recht gelden (gelijkwaardigheidsbeginsel) en zij mogen de uitoefening van de door het Unierecht verleende rechten in de praktijk niet onmogelijk of uiterst moeilijk maken (doeltreffendheidsbeginsel). Verder volgt uit artikel 52, lid 1, van het Handvest dat beperkingen op het in artikel 47 van het Handvest bedoelde recht op een doeltreffende voorziening in rechte niet zijn uitgesloten. Met inachtneming van het evenredigheidsbeginsel kunnen volgens artikel 52, lid 1, van het Handvest beperkingen worden gesteld, indien deze noodzakelijk zijn en daadwerkelijk beantwoorden aan door de Unie erkende doelstellingen van algemeen belang of aan de eisen van de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen. Dergelijke beperkingen moeten bij wet worden gesteld en moeten het hiervoor bedoelde recht wezenlijk eerbiedigen.
Het middel stelt aan de orde of, en zo ja in hoeverre de artikelen 47 en 52, lid 1, van het Handvest zich ertegen verzetten dat de rechter een ingesteld beroep niet inhoudelijk in behandeling neemt, omdat degene die in het beroepschrift verklaart het beroep namens een ander in te stellen, bij dat beroepschrift een niet-recente machtiging heeft overgelegd, en hij een recente machtiging pas na het verstrijken van de daartoe door de rechter gestelde termijn overlegt terwijl er geen aanleiding is aan te nemen dat het na afloop van de termijn overleggen van die machtiging verschoonbaar was.
Het Unierecht bevat geen algemene regeling over de ontvankelijkheidseisen waaraan moet zijn voldaan voordat de nationale rechter overgaat tot een inhoudelijke behandeling van het beroep. Bij het ontbreken van specifieke Unierechtelijke voorschriften ter zake is het vaststellen van regels hierover dan ook een nationale aangelegenheid, mits die regels voldoen aan de hiervoor in 3.2.3 vermelde beginselen van doeltreffendheid en gelijkwaardigheid. Voor zover die nationale regels beperkingen bevatten van het in artikel 47 van het Handvest bedoelde recht op een doeltreffende voorziening in rechte, moeten zij voldoen aan het bepaalde in artikel 52, lid 1, van het Handvest.
Vooropgesteld wordt dat volgens artikel 26a, lid 1, aanhef en letter a, AWR, in afwijking van artikel 8:1 Awb, slechts beroep kan worden ingesteld door de belanghebbende aan wie de belastingaanslag – in dit geval een naheffingsaanslag in de bpm – is opgelegd. Tegen een uitspraak van de rechtbank kunnen de belanghebbende en de inspecteur op de voet van artikel 27h, lid 1, AWR hoger beroep instellen.
Op grond van artikel 8:24, lid 1, Awb kunnen partijen zich in een beroepszaak bij de bestuursrechter door een gemachtigde doen vertegenwoordigen. Volgens het tweede lid van dat artikel kan de bestuursrechter van een gemachtigde een schriftelijke machtiging verlangen waarbij in het derde lid van dat artikel een uitzondering wordt gemaakt voor het geval die gemachtigde advocaat is. Dit onderscheid tussen advocaten en niet-advocaten houdt ermee verband dat een advocaat op grond van de wet is gebonden aan specifiek voor zijn beroep geldende voorschriften, en daardoor in een andere positie verkeert dan een rechtsbijstandverlener die niet de hoedanigheid van advocaat heeft.
Bij het gebruik van de bevoegdheid een schriftelijke machtiging te verlangen mag de bestuursrechter met het oog op een goede rechtspleging in redelijkheid eisen stellen aan de machtiging. Hij wordt daarin niet beperkt door de wijze waarop een rechter in een vorige instantie de bevoegdheid van artikel 8:24, lid 2, Awb heeft gebruikt, noch door de wijze waarop die rechter een aan hem overgelegde schriftelijke machtiging heeft beoordeeld. De hiervoor bedoelde bevoegdheid houdt onder meer in dat de bestuursrechter mag vragen om een recente machtiging. Hij mag eveneens vragen om een machtiging die is gegeven na de bestreden uitspraak. Ook mag hij om een machtiging vragen die specifiek ziet op de procedure die zich afspeelt voor zijn gerecht.
De bestuursrechter is niet verplicht te motiveren waarom hij een recente machtiging en/of legitimatie van de volmachtgever vraagt, noch waarom hij de hiervoor bedoelde eisen stelt. Indien degene die zich bij het instellen van het beroep als gemachtigde heeft gesteld, niet een machtiging overlegt die voldoet aan de door de rechter gestelde eisen, is de rechter op grond van artikel 6:6, aanhef en letter a, Awb bevoegd het beroep niet-ontvankelijk te verklaren, op voorwaarde (zie de slotalinea van artikel 6:6 Awb) dat de indiener van het beroep de gelegenheid heeft gehad dat verzuim te herstellen binnen een hem daartoe door de rechter gestelde redelijke termijn, en geen aanleiding bestaat om aan te nemen dat dit verzuim verschoonbaar is.
Op grond van de schakelbepalingen van de artikelen 6:24 en 8:108, lid 1, Awb en artikel 29 AWR geldt hetgeen hiervoor in 3.5.2 tot en met 3.5.4 is overwogen eveneens in hoger beroep en cassatie.
De hiervoor in 3.5.1 tot en met 3.5.4 beschreven regels maken geen onderscheid naar gelang de rechtzoekende zijn vordering baseert op het nationale recht dan wel het Unierecht. Die regeling is daarom in overeenstemming met het Unierechtelijke gelijkwaardigheidsbeginsel.
Bij de beoordeling of een nationale procedurele bepaling het de rechtzoekende onmogelijk of uiterst moeilijk maakt om het in artikel 47 van het Handvest neergelegde recht van justitiabelen op een doeltreffende voorziening in rechte uit te oefenen, moet volgens vaste rechtspraak van het Hof van Justitie rekening worden gehouden met de plaats van die bepaling in de gehele procedure bij de verschillende nationale instanties en met het verloop en de bijzondere kenmerken van die procedure.
De bevoegdheid van de rechter om een schriftelijke machtiging te verlangen van degene die beroep instelt namens degene die volgens de wet gerechtigd is beroep in te stellen, draagt eraan bij zeker te stellen dat degene die beroep instelt, daartoe werkelijk bevoegd is. Daarmee wordt voorkomen dat een beroep dat is ingesteld door iemand aan wie volgens de wet dat recht niet toekomt, inhoudelijk wordt behandeld. De hiervoor bedoelde bevoegdheid beantwoordt daarmee aan door de Unie erkende doelstellingen van algemeen belang. Dat de rechter in dat kader een termijn stelt voor het overleggen van een schriftelijke machtiging draagt eraan bij dat de bestuursrechter op een doeltreffende wijze kan overgaan tot het in behandeling nemen van het beroep en het binnen de in artikel 47 van het Handvest bedoelde redelijke termijn behandelen van het aan hem voorgelegde geschil.
Met inachtneming van hetgeen hiervoor in 3.5.1 tot en met 3.5.4 is overwogen, wordt met de in artikel 8:24, lid 2, Awb in samenhang gelezen met artikel 6:6, aanhef en letter a, Awb neergelegde regeling het door artikel 47 van het Handvest gewaarborgde recht op een doeltreffende voorziening in rechte wezenlijk geëerbiedigd met inachtneming van het in artikel 52, lid 1, van het Handvest bedoelde evenredigheidsbeginsel. Van degene die stelt op te treden namens iemand aan wie volgens de wet het recht op beroep toekomt, mag in redelijkheid worden verlangd dat hij zich inspant om de rechter te bewijzen dat hij werkelijk bevoegd is om namens die ander het beroep in te stellen. Het zal in de regel voor degene die beroepsmatig rechtsbijstand in gerechtelijke procedures verleent, niet onmogelijk of uiterst moeilijk zijn om binnen een redelijke termijn dat bewijs door middel van een schriftelijke machtiging te leveren. Er bestaat redelijkerwijze geen ruimte voor twijfel dat in het geval dat degene die het beroepschrift heeft ingediend, een door de rechter gestelde redelijke termijn voor het overleggen van een schriftelijk bewijs van vertegenwoordigingsbevoegdheid zonder opgaaf van redenen laat verstrijken, artikel 47 van het Handvest niet meebrengt dat de rechter deze termijn moet verlengen of dat de rechter een na afloop van deze termijn overgelegde machtiging moet accepteren. In hetgeen het middel stelt over strijd met het in artikel 52, lid 1, van het Handvest bedoelde evenredigheidsbeginsel, ziet de Hoge Raad dan ook geen aanleiding voor het stellen van prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie.
Hefna heeft pas na het verstrijken van de redelijke termijn die het Hof haar had geboden, een recente machtiging van belanghebbende overgelegd zonder opgaaf van redenen waarom die machtiging niet al voor het verstrijken van deze termijn is overgelegd. Het stond het Hof vrij om op die na afloop van deze termijn overgelegde machtiging geen acht te slaan en te beslissen dat Hefna haar bevoegdheid tot het namens belanghebbende instellen van hoger beroep niet heeft doen blijken. Binnen de door het Hof gestelde termijn is dus niet komen vast te staan dat belanghebbende het hoger beroep heeft ingesteld. Hetgeen hiervoor in 3.6.1, 3.6.3 en 3.6.4 is overwogen, brengt mee dat het Unierecht zich niet ertegen verzet dat het Hof in zo’n situatie het hoger beroep niet-ontvankelijk verklaart. Voor zover het middel berust op een andere opvatting, faalt het.
Voor zover het middel zich richt tegen het hiervoor in 2.5.3, laatste alinea, weergegeven oordeel van het Hof, faalt het op de gronden die zijn vermeld in de rechtsoverwegingen 3.7.2 tot en met 3.7.4 van het arrest van de Hoge Raad van 12 juni 2026, ECLI:NL:HR:2026:915.
De Hoge Raad heeft ook de overige klachten van het middel over de uitspraak van het Hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat ook deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie). Hierbij verdient opmerking dat wat betreft deze overige klachten het Unierecht niet relevant is voor de beslechting van het geschil in cassatie, dan wel voor zover het Unierecht dat wel is, al in voorgaande rechtsoverwegingen van dit arrest is uiteengezet waarom de Hoge Raad afziet van het stellen van prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie.
4. Proceskosten
De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
5. Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.E. van Hilten als voorzitter, en de raadsheren E.N. Punt en M.A. Fierstra, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 2 oktober 2026.