HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer 23/04183
Datum 18 september 2026
ARREST
in de zaak van
[X] (hierna: belanghebbende)
tegen
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag van 24 oktober 2023, nr. SGR 23/1735 V, op het verzet van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank van 17 juli 2023.
1. Geding in cassatie
Belanghebbende, vertegenwoordigd door J.B. Elders, heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank op het verzet beroep in cassatie ingesteld.
Belanghebbende heeft op 19 juli 2026 verzocht om een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn die geldt voor de behandeling van het cassatieberoep.
De Minister van Justitie en Veiligheid, vertegenwoordigd door [P], heeft schriftelijk gereageerd op het hiervoor bedoelde verzoek en heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de Hoge Raad.
2. Beoordeling van de klachten
De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van de Rechtbank beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie).
3. Overschrijding van de redelijke termijn in de cassatieprocedure
Belanghebbende heeft op 19 juli 2026 de Hoge Raad verzocht om een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn in de cassatieprocedure.
In deze zaak is beroep in cassatie ingesteld op 26 oktober 2023. Het tijdsverloop sindsdien tot het moment dat de Hoge Raad in deze zaak arrest wijst, levert wat de cassatieprocedure betreft een overschrijding op van de redelijke termijn met meer dan zes maanden maar niet meer dan twaalf maanden. De Hoge Raad ziet geen aanleiding om aan deze overschrijding het door belanghebbende verzochte gevolg te verbinden, aangezien het financiële belang bij deze cassatieprocedure minder dan € 1.000 bedraagt. Het gaat in deze procedure namelijk slechts over nevenbeslissingen die bij de vaststelling van het financiële belang van de procedure buiten beschouwing dienen te blijven. Naar aanleiding van het verzoek wordt daarom volstaan met de constatering dat de redelijke termijn is overschreden.
4. Proceskosten
De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
5. Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de raadsheer M.W.C. Feteris als voorzitter, en de raadsheren M.T. Boerlage en A.E.H. van der Voort Maarschalk, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier J.P.J. van Kampen, en in het openbaar uitgesproken op 18 september 2026.