ECLI:NL:HR:2026:1486

ECLI:NL:HR:2026:1486

Instantie Hoge Raad
Datum uitspraak 18-09-2026
Datum publicatie 17-09-2026
Zaaknummer 24/03011 bis
Rechtsgebied Bestuursrecht; Belastingrecht
Procedure Cassatie
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:GHAMS:2024:1946

Samenvatting

Wet waardering onroerende zaken; procesrecht; art. 8:75, lid 1, Awb; wegingsfactor: herberekening proceskostenvergoeding beroepsfase; eindarrest na tussenarrest HR 5 juni 2026, ECLI:NL:HR:2026:827

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

BELASTINGKAMER

Nummer 24/03011bis

Datum 18 september 2026

ARREST

in de zaak van

[X] (hierna: belanghebbende)

tegen

het COLLEGE VAN BURGEMEESTER EN WETHOUDERS VAN DE GEMEENTE AMSTERDAM

op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam van 20 juni 2024, nr. 23/306, nadat belanghebbende in de gelegenheid is gesteld om nadere gegevens te verstrekken.

1. De loop van het geding in cassatie tot dusver

Voor een overzicht van het geding in cassatie tot aan het door de Hoge Raad in dit geding gewezen arrest van 5 juni 2026, ECLI:NL:HR:2026:827 (hierna: het arrest van 5 juni 2026), wordt verwezen naar dat arrest.

Bij het arrest van 5 juni 2026 heeft de Hoge Raad beslist dat de uitspraak van het Hof zal worden vernietigd, maar uitsluitend wat betreft de vaststelling van de proceskostenvergoeding in de (hoger)beroepsfase. De Hoge Raad heeft de vergoeding van de door belanghebbende gemaakte kosten voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand voor de beroepsfase vastgesteld op € 2.802.

De Hoge Raad heeft bij het arrest van 5 juni 2026 bovendien beslist dat het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie en de heffingsambtenaar van de gemeente Amsterdam zal worden veroordeeld in de kosten van het geding voor het Hof. De vergoeding, bestaande uit kosten van beroepsmatig verleende rechtsbijstand voor de hogerberoepsfase, heeft de Hoge Raad vastgesteld op € 1.168.

2. Beslissing over de omvang van de vergoeding van de kosten van de cassatieprocedure

Alvorens een beslissing te nemen over de omvang van de vergoeding van de kosten van de cassatieprocedure, heeft de Hoge Raad belanghebbende in de gelegenheid gesteld om nadere gegevens te verstrekken. Het gaat hierbij om gegevens ter voldoening aan de op belanghebbende rustende last om te bewijzen dat zijn geval met het oog op die proceskostenvergoeding is aan te merken als een bijzonder geval als bedoeld in rechtsoverweging 3.5.2 van het arrest van 17 januari 2025, ECLI:NL:HR:2025:46 (hierna: het arrest van 17 januari 2025).

Belanghebbende, vertegenwoordigd door M.M. Vrolijk, heeft bij bericht van 3 juli 2026 van die gelegenheid gebruik gemaakt.

Belanghebbende heeft in zijn bericht van 3 juli 2026 opgemerkt dat in deze cassatieprocedure bij zijn gemachtigde de eerste twee kenmerken, zoals bedoeld in rechtsoverweging 3.5.1 van het arrest van 17 januari 2025, aanwezig zijn. Volgens belanghebbende werkt haar gemachtigde op basis van het principe no cure no pay en komen proceskostenvergoedingen, waaronder begrepen vergoedingen van de kosten in verband met de behandeling van het bezwaar, aan haar gemachtigde toe. Ten aanzien van het eerste kenmerk merkt belanghebbende op dat hoewel het bedrijfsmodel van zijn gemachtigde eruit bestaat dat wordt opgetreden op basis van het principe no cure no pay, dit niet geldt voor alle onderdelen daarvan. Sommige werkzaamheden geschieden tegen een tevoren overeengekomen bedrag en zijn onafhankelijk van het resultaat van de procedure, aldus belanghebbende.

Met betrekking tot het derde kenmerk, zoals bedoeld in rechtsoverweging 3.5.1 van het arrest van 17 januari 2025, merkt belanghebbende op dat in zijn zaak niet of nauwelijks gebruik is gemaakt van gestandaardiseerde tekstblokken die geen betrekking hebben op zijn zaak. Gelet hierop is belanghebbende van mening dat het bedrijfsmodel van zijn gemachtigde niet voldoet aan het derde kenmerk. Volgens hem is daarmee buiten redelijke twijfel komen vast te staan dat sprake is van een bijzonder geval als bedoeld in rechtsoverweging 3.5.2 van het arrest van 17 januari 2025. Het is volgens belanghebbende in dit kader niet vereist om een cijfermatige onderbouwing over te leggen om te bewijzen dat geen sprake is van vergaande overdekking.

Bij de beoordeling van de hiervoor in 2.3.1 en 2.3.2 bedoelde informatie stelt de Hoge Raad het volgende voorop.

In de rechtsoverwegingen 3.4.2 en 3.4.3 van het arrest van 17 januari 2025 heeft de Hoge Raad overwogen dat de wetgever met de regeling over proceskostenvergoedingen in de Wet herwaardering proceskostenvergoedingen WOZ en bpm (hierna: de WHpkv) beoogde een einde te maken aan de overcompensatie die in geval van onverkorte toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: het Besluit) optreedt bij het toekennen van proceskostenvergoedingen in het kader van procedures op het gebied van de Wet waardering onroerende zaken (hierna: de Wet WOZ) en de Wet op de belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992 (hierna: de Wet bpm).Onder verwijzing naar dit doel van de WHpkv heeft de Hoge Raad vervolgens in het arrest van 17 januari 2025 overwogen dat de wetgever met de beperkingen van proceskostenvergoedingen in procedures over de Wet WOZ en de Wet bpm in de WHpkv het oog heeft gehad op gevallen die zich daardoor kenmerken dat aan de belanghebbende rechtsbijstand wordt verleend door een beroepsmatig optredende gemachtigde, dan wel een kantoor, waarvan het bedrijfsmodel eruit bestaat dat (i) wordt opgetreden op basis van no cure no pay, (ii) daarbij zodanige afspraken met de cliënten worden gemaakt dat het bedrag van eventuele proceskostenvergoedingen aan de gemachtigde of aan het kantoor wordt afgedragen, en (iii) de procedures op een zodanige wijze worden gevoerd dat de daarin toegekende proceskostenvergoedingen de in redelijkheid gemaakte kosten ver overtreffen (rechtsoverweging 3.5.1).Gevallen die kennelijk niet alle hiervoor bedoelde kenmerken hebben, moeten volgens het arrest van 17 januari 2025 in het licht van het doel van de regeling over proceskostenvergoedingen in de WHpkv worden aangemerkt als bijzondere gevallen in de zin van de tweede volzin van de leden 1 en 2 van artikel 19a van de Wet bpm en van de leden 1 en 2 van artikel 30a van de Wet WOZ. De stelplicht en de bewijslast met betrekking tot feiten die meebrengen dat het om zo’n bijzonder geval gaat, rusten op de belanghebbende (rechtsoverweging 3.5.2).

De vraag of het bedrijfsmodel van een beroepsmatig optredende gemachtigde kennelijk niet de hiervoor in 2.4.2 bedoelde drie kenmerken heeft, moet worden beoordeeld naar de situatie op het moment waarop het desbetreffende rechtsmiddel is aangewend.

Bij de beoordeling van het bedrijfsmodel gaat het niet specifiek om de werkzaamheden die de gemachtigde heeft verricht in de procedure waarop de proceskostenvergoeding ziet. Met het bedrijfsmodel is namelijk meer in het algemeen de wijze bedoeld waarop de gemachtigde zijn inkomsten verwerft met het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand.

Indien het bedrijfsmodel van een gemachtigde of een kantoor inhoudt dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay, of op een grondslag die daarmee in wezen overeenkomt en daarmee dus op één lijn kan worden gesteld, en dat daarbij afspraken met de cliënten worden gemaakt als hiervoor in 2.4.2 onder (ii) bedoeld, zal aldus moeten worden beoordeeld of dit bedrijfsmodel voldoet aan het hiervoor in 2.4.2 onder (iii) vermelde kenmerk van vergaande overdekking. Daartoe moet een vergelijking worden gemaakt tussen enerzijds het totale bedrag aan proceskostenvergoedingen dat aan de gemachtigde of aan het kantoor wordt afgedragen, en anderzijds het totale bedrag van de kosten van de gemachtigde of van het kantoor die kunnen worden toegerekend aan het voeren van de procedures waarop die proceskostenvergoedingen betrekking hebben. Het komt dus erop aan of het totale bedrag van de afgedragen proceskostenvergoedingen het totale bedrag van de zojuist bedoelde kosten verre overtreft.

Bij de beoordeling van het bedrijfsmodel geldt bovendien dat, indien een gemachtigde of diens kantoor verschillende bedrijfsonderdelen heeft waarvan slechts een deel een bedrijfsmodel heeft dat inhoudt dat in procedures wordt opgetreden op basis van no cure no pay, alleen dat deel van de dienstverlening in de beschouwingen moet worden betrokken.

Aangezien het door de belanghebbende te leveren bewijs moet inhouden dat het bedrijfsmodel van de gemachtigde of diens kantoor kennelijk niet alle hiervoor in 2.4.2 bedoelde drie kenmerken heeft, moet buiten redelijke twijfel komen vast te staan dat dit bedrijfsmodel een of meer van deze kenmerken niet heeft. De omstandigheid dat vaak geheel of ten dele gebruik wordt gemaakt van gestandaardiseerde tekstblokken die niet zijn toegespitst op de desbetreffende zaak, vormt een aanwijzing dat het bedrijfsmodel wel het derde kenmerk van vergaande overdekking heeft, en zal daarom in het algemeen volstaan om aan te nemen dat de belanghebbende niet in dit door hem te leveren bewijs is geslaagd.

Met wat belanghebbende aan nadere gegevens heeft verstrekt, is hij, gelet op wat hiervoor in 2.4 is vooropgesteld, niet geslaagd in het leveren van bewijs waardoor buiten redelijke twijfel komt vast te staan dat hier sprake is van een bijzonder geval als bedoeld in rechtsoverweging 3.5.2 van het arrest van 17 januari 2025.

Voor zover belanghebbende heeft gesteld dat het bedrijfsmodel van de gemachtigde niet alleen is gebaseerd op het principe no cure no pay omdat de gemachtigde ook andere diensten aanbiedt die niet op basis van het principe no cure no pay worden verricht, geldt, gelet op wat hiervoor in 2.4.6 is overwogen, dat alleen het deel van de dienstverlening dat is gebaseerd op het principe no cure no pay, in de beschouwingen moet worden betrokken. Belanghebbende heeft geen gegevens verstrekt op grond waarvan kan worden beoordeeld of dit deel voldoet aan het hiervoor in 2.4.2 onder (iii) vermelde kenmerk van vergaande overdekking. De Hoge Raad kan daarom, gelet op wat hiervoor in 2.4.5 is overwogen, niet beoordelen of het geval van belanghebbende kennelijk niet alle hiervoor in 2.4.2 vermelde drie kenmerken heeft.

Dat belanghebbende opmerkt dat in de zaken van zijn gemachtigde niet of nauwelijks gebruik is gemaakt van gestandaardiseerde tekstblokken, brengt hierin, gelet op wat hiervoor in 2.4.7 is overwogen, geen verandering. Hoewel de omstandigheid dat van gestandaardiseerde tekstblokken gebruik wordt gemaakt, een aanwijzing ervoor kan vormen dat het bedrijfsmodel het kenmerk van vergaande overdekking heeft, is de afwezigheid van dergelijke tekstblokken op zichzelf onvoldoende om te bepalen dat het bedrijfsmodel van de gemachtigde of diens kantoor kennelijk dit kenmerk niet heeft.

Bij deze stand van zaken is in cassatie niet komen vast te staan dat het geval van belanghebbende met het oog op het vaststellen van de vergoeding van de kosten van de cassatieprocedure is aan te merken als een bijzonder geval als hiervoor in 2.4.2 bedoeld. De Hoge Raad berekent de vergoeding van de proceskosten van deze cassatieprocedure daarom met inachtneming van de WHpkv.

Bij die berekening gaat de Hoge Raad uit van(i) twee proceshandelingen (beroepschrift in cassatie en verstrekking van schriftelijke inlichtingen naar aanleiding van de geboden gelegenheid om nadere gegevens te verstrekken) en daarmee dus van 2,5 punt,(ii) factor 1 wegens het gewicht van de zaak in cassatie,(iii) de waarde per punt die is neergelegd in onderdeel B1 van de bijlage bij het Besluit, en(iv) vermenigvuldiging met de factor 0,10, zoals bedoeld in artikel 30a, lid 2, letter b, van de Wet WOZ, aangezien dit arrest niet inhoudt dat de bestreden besluiten (een WOZ-beschikking en een aanslag in de onroerendezaakbelastingen) worden vernietigd of gewijzigd.Dat komt neer op een proceskostenvergoeding van € 234.

3. Beslissing

De Hoge Raad:

- verklaart het beroep in cassatie gegrond,

- vernietigt de uitspraak van het Hof en de uitspraak van de Rechtbank, maar alleen voor zover deze betrekking hebben op de beslissing over de vergoeding van proceskosten voor het beroep en het hoger beroep,

- draagt het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam op aan belanghebbende te vergoeden het griffierecht dat belanghebbende voor de behandeling van het beroep in cassatie heeft betaald van € 138,

- draagt de heffingsambtenaar van de gemeente Amsterdam op aan belanghebbende te vergoeden het bij het Hof betaalde griffierecht ter zake van de behandeling van de zaak voor het Hof van € 136,

- veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam in de kosten van belanghebbende voor het geding in cassatie, vastgesteld op € 234 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand, en

- veroordeelt de heffingsambtenaar van de gemeente Amsterdam in de kosten van belanghebbende voor het geding voor het Hof, vastgesteld op € 1.168 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand, en in de kosten van belanghebbende voor het geding voor de Rechtbank, vastgesteld op € 2.802 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Dit arrest is gewezen door de vice-president J.A.R. van Eijsden als voorzitter, en de raadsheren M.T. Boerlage en A.E.H. van der Voort Maarschalk, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier J.P.J. van Kampen, en in het openbaar uitgesproken op 18 september 2026.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl NLF 2026/1902 NDFR Nieuws 2026/1421
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand