HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer 25/00833
Datum 18 september 2026
ARREST
in de zaak van
[X] (hierna: belanghebbende)
en
de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN
op het door zowel belanghebbende als de Staatssecretaris ingestelde beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Den Haag van 28 januari 2025, nr. BK-23/865, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Den Haag (nr. SGR 22/337) betreffende de aan belanghebbende voor het jaar 2018 opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen en de daarbij gegeven beschikking inzake belastingrente.
1. Geding in cassatie
Zowel de Staatssecretaris, vertegenwoordigd door [P] , als belanghebbende heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. De beroepschriften in cassatie zijn aan dit arrest gehecht en maken daarvan deel uit.
Belanghebbende en de Staatssecretaris hebben over en weer een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.
2. Uitgangspunten in cassatie
Belanghebbende is geboren op [...] 1946 en is vanaf [...] 2011 AOW-gerechtigd.
Hij had twee verzekeringen bij [A] NV (hierna: [A] ), enerzijds een pensioenkapitaalpolis en anderzijds een koopsompolis waarvan de koopsom was gestort door de Stichting [B] ( [B] ). Op grond van deze polissen zou belanghebbende een ouderdomspensioen krijgen dat zou ingaan bij het bereiken van de leeftijd van 62 jaar, in augustus 2008. [A] heeft hem op 11 juni 2008 een voorstel gedaan voor een levenslang ouderdomspensioen per 1 september 2008. Tussen [A] en belanghebbende rees een verschil van mening over de omvang van het verzekerde kapitaal waarop dit voorstel was gebaseerd. Volgens belanghebbende moest van een hoger kapitaal worden uitgegaan.
In een e-mail van 27 februari 2009 heeft belanghebbende aan [A] geschreven dat hij akkoord gaat met het hiervoor in 2.2.1 vermelde voorstel van [A] , onder voorwaarde dat het pensioen bij aanpassing van het koopsomkapitaal, zoals door hem voorzien, naar rato zal worden aangepast.
[A] heeft daarna geen pensioenuitkeringen aan belanghebbende gedaan zoals omschreven in het hiervoor in 2.2.1 vermelde voorstel.
Belanghebbende heeft [A] in september 2017 benaderd om tot een afwikkeling van deze kwestie te komen. [A] heeft belanghebbende toen te kennen gegeven dat het ouderdomspensioen uiterlijk op zijn 70ste verjaardag ( [...] 2016) moet ingaan.
Bij brief van 28 december 2017 heeft [A] aan belanghebbende twee verschillende voorstellen gedaan om tot een oplossing te komen. In die voorstellen wordt uitgegaan van verschillende met terugwerkende kracht vast te stellen ingangsdata en ook van verschillende bedragen van de pensioenuitkeringen. [A] heeft belanghebbende daarbij gevraagd om haar voor 31 december 2017 te informeren indien hij voor een van de voorstellen zou kiezen. Daarop aansluitend vermeldt deze brief:
“Reageert u niet voor 31 december 2017 dan laat [A] uw pensioen op 1 september 2016 ingaan tegen de huidige aankooptarieven. Deze datum is de datum waarop uw pensioen uiterlijk moet ingaan conform de Wet op de loonbelasting 1964. Uw pensioen gaat dan in met terugwerkende kracht tot 1 september 2016.“
Belanghebbende heeft hierop niet instemmend gereageerd. In 2018 heeft [A] in verband daarmee het pensioenkapitaal van de hiervoor in 2.2.1 bedoelde pensioenkapitaalpolis omgezet in een periodieke uitkering vanaf 1 augustus 2016, en de koopsompolis in een periodieke uitkering sinds 1 september 2008. Dat resulteerde in een na te betalen bedrag op beide polissen over een periode vóór 2018.
[A] heeft aan de Inspecteur doorgegeven dat in 2018 pensioenuitkeringen aan belanghebbende hebben plaatsgevonden van in totaal bruto € 108.022, waarbij een bedrag van € 36.278 aan loonheffing is ingehouden.
De hiervoor in 2.2.7 vermelde pensioenuitkeringen bestaan voor een bedrag van € 73.965 (bruto) uit een nabetaling over de periode 1 september 2008 tot 31 december 2017. Dit bedrag van € 73.965 is als volgt opgebouwd:
September 2008 tot en met juli 2016
€ 25.717,45
Augustus 2016 tot en met december 2016
€ 14.190
Januari 2017 tot en met december 2017
€ 34.057
Aan belanghebbende is voor het jaar 2018 een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (hierna: de aanslag) opgelegd die is gebaseerd op een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 121.253, waarbij het volledige hiervoor in 2.2.7 vermelde bedrag van € 108.022 tot dat inkomen is gerekend. Bij gelijktijdig gegeven beschikking is belastingrente in rekening gebracht.
3. De oordelen van het Hof
Voor het Hof was in geschil of de aanslag terecht en naar het juiste bedrag is opgelegd, en meer in het bijzonder of de Inspecteur terecht het volledige door [A] doorgegeven bedrag aan pensioenuitkeringen van € 108.022 in het jaar 2018 tot het belastbaar inkomen uit werk en woning van belanghebbende heeft gerekend.
Belanghebbende neemt het standpunt in dat het pensioen in 2016 onzuiver is geworden, en daarom niet meer in 2018 zou kunnen worden belast. Het Hof heeft dit standpunt verworpen. Het heeft daartoe overwogen dat belanghebbende op 27 februari 2009 het aanbod van [A] tot aankoop van een periodieke uitkering ingaande 1 september 2008 op basis van een daarbij door [A] genoemd pensioenkapitaal heeft geaccepteerd. De door belanghebbende geformuleerde voorwaarde dat een eventuele aanpassing van het pensioenkapitaal tot een wijziging van de pensioenuitkeringen leidt, doet daaraan volgens het Hof niets af. [A] heeft het pensioenkapitaal uiteindelijk omgezet in een periodieke uitkering vanaf 1 augustus 2016. Aldus is naar het oordeel van het Hof in overeenstemming met het bepaalde in hoofdstuk IIB van de Wet op de loonbelasting 1964 (hierna: de Wet LB 1964) op regelmatige wijze uitvoering gegeven aan de pensioenovereenkomst tussen belanghebbende en [A] .
Het Hof heeft verder geoordeeld dat niet het gehele door [A] doorgegeven bedrag aan pensioenuitkeringen in het jaar 2018 tot het belastbaar inkomen uit werk en woning van belanghebbende kan worden gerekend. Volgens het Hof is slechts het aan het jaar 2018 toerekenbare deel van de pensioenuitkeringen door belanghebbende in dat jaar genoten. Het Hof heeft daartoe onder meer geoordeeld dat nu het pensioenkapitaal door [A] per 1 augustus 2016 is omgezet in een recht op periodieke uitkeringen, die uitkeringen vanaf dat moment vorderbaar en inbaar zijn geworden. Dat betekent naar het oordeel van het Hof dat de bedragen van € 25.717,45 en € 14.190, die aan het jaar 2016 zijn toe te rekenen, ook in 2016 belastbaar zijn. Het bedrag van € 34.057, dat aan het jaar 2017 is toe te rekenen, is belastbaar in 2017, aldus het Hof. Het Hof heeft de voor het jaar 2018 opgelegde aanslag dienovereenkomstig verminderd.
4. Beoordeling van het door de Staatssecretaris voorgestelde middel
Het middel keert zich tegen de hiervoor in 3.3 weergegeven oordelen van het Hof met de klacht dat het Hof ten onrechte, althans op grond van een ontoereikende motivering heeft geoordeeld dat een deel van de uitkeringen al vorderbaar en inbaar was vóór 2018. Het middel voert daartoe aan dat de uitkeringen in die jaren niet onverwijld konden worden betaald omdat in die jaren nog geen overeenstemming was bereikt tussen belanghebbende en [A] over de ingangsdatum en de hoogte van de uitkeringen en dat ook de andere bij aanvang van de uitkeringen te maken keuzes nog niet waren gedaan, waardoor de hoogte van de uitkeringen nog niet kon worden berekend.
Het middel slaagt. Het neemt terecht tot uitgangspunt dat periodieke uitkeringen nog niet vorderbaar en inbaar zijn indien de ingangsdatum en de hoogte ervan nog niet vaststaan. Uit de omstandigheid dat pensioenkapitaal door [A] “per 1 augustus 2016” is omgezet in een recht op periodieke uitkeringen, kon het Hof daarom niet zonder meer afleiden dat die uitkeringen vanaf dat moment vorderbaar en inbaar waren. Het Hof heeft zich op een onjuiste rechtsopvatting gebaseerd indien het bij zijn oordelen ervan is uitgegaan dat de hoogte en de ingangsdatum van het pensioen weliswaar pas in 2018 zijn komen vast te staan, maar heeft aangenomen dat deze omstandigheid niet beslissend is voor het genietingsmoment omdat de pensioenuitkeringen over jaren vóór 2018 daarbij met terugwerkende kracht tot een tijdstip vóór 2018 vorderbaar en inbaar zijn geworden. Een dergelijke terugwerkende kracht kan niet worden aanvaard. Indien het Hof ervan is uitgegaan dat de ingangsdatum en de hoogte van de pensioenuitkeringen vóór 2018 zijn komen vast te staan, had het zijn uitspraak op dit punt nader moeten motiveren, gelet op de hiervoor in 2.2.5 vermelde brief van [A] .
5. Beoordeling van de door belanghebbende voorgestelde middelen
De door belanghebbende voorgestelde middelen richten zich tegen het hiervoor in 3.2 weergegeven oordeel van het Hof dat het pensioenkapitaal uiteindelijk is omgezet in een periodieke uitkering vanaf 1 augustus 2016, en dat op die manier in overeenstemming met het bepaalde in hoofdstuk IIB van de Wet LB 1964 op regelmatige wijze uitvoering is gegeven aan de pensioenovereenkomst tussen belanghebbende en [A] .
Ook deze middelen slagen. Het Hof heeft met dit oordeel blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting indien het daarbij ervan is uitgegaan dat een ouderdomspensioen ook voldoet aan het bepaalde in artikel 18a, lid 4, ten 5°, van de Wet LB 1964 (tekst 2016), betreffende het tijdstip waarop het uiterlijk moet ingaan, indien de ingangsdatum van het pensioen nog niet is vastgesteld op het in die bepaling bedoelde tijdstip, maar wel op een later moment met terugwerkende kracht alsnog wordt gesteld op een datum die in overeenstemming is met deze bepaling. Indien het Hof ervan is uitgegaan dat het ouderdomspensioen van belanghebbende al was ingegaan op het in artikel 18a, lid 4, ten 5°, van de Wet LB 1964 (tekst 2016) bedoelde tijdstip (op [...] 2016), had het zijn oordeel, gelet op de hiervoor in 2.2.5 geciteerde brief van [A] , ook op dit punt nader moeten motiveren.
Opmerking verdient nog dat, indien het pensioen van belanghebbende vóór het jaar 2018 niet langer voldeed aan de vereisten van hoofdstuk IIB van de Wet LB 1964, toepassing van het bepaalde in artikel 10, lid 4, van die wet op de in 2018 genoten uitkeringen van dat pensioen aan de orde kan komen.
6. Slotsom
Gelet op wat hiervoor in 4.2 en 5.2 is overwogen, kan de uitspraak van het Hof niet in stand blijven. Verwijzing moet volgen.
7. Proceskosten
De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
8. Beslissing
De Hoge Raad:
- verklaart het beroep in cassatie van de Staatssecretaris van Financiën gegrond,
- verklaart het beroep in cassatie van belanghebbende gegrond,
- vernietigt de uitspraak van het Hof,
- verwijst het geding naar het Gerechtshof Amsterdam ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met inachtneming van dit arrest, en
- draagt de Staatssecretaris van Financiën op aan belanghebbende te vergoeden het griffierecht dat belanghebbende voor de behandeling van het beroep in cassatie heeft betaald van € 143.
Dit arrest is gewezen door de raadsheer M.W.C. Feteris als voorzitter, en de raadsheren M.T. Boerlage en A.E.H. van der Voort Maarschalk, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier J.P.J. van Kampen, en in het openbaar uitgesproken op 18 september 2026.