ECLI:NL:HR:2026:1490

ECLI:NL:HR:2026:1490

Instantie Hoge Raad
Datum uitspraak 22-09-2026
Datum publicatie 17-09-2026
Zaaknummer 24/03659
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Cassatie
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:PHR:2026:706

Samenvatting

Beklag ex art. 98.4 jo. 552a Sv door Nederlandse en Belgische advocaten tegen beslag op gegevensdragers en tegen vordering van historische administratieve gegevens, waarbij dataset van miljoenen bestanden onder leiding van RC is gefilterd aan de hand van lijst met zoektermijn met als doel verwijderen van mogelijk verschoningsgerechtigde gegevens en RC heeft beslist dat OvJ mag kennisnemen van de na filtering overgebleven fysieke en digitale bestanden en documenten. Rb heeft klaagschriften n-o verklaard v.zv. die zijn gebaseerd op art. 98.4 Sv en klaagschriften gegrond verklaard (met bevel tot nadere filtering onder leiding van RC) v.zv. die zijn gebaseerd op art. 552a Sv. 1. Beklagmogelijkheid bij vorderen van gegevens. Staat voor verschoningsgerechtigde (overeenkomstig art. 98.4 Sv) beklag open tegen beslissing van RC dat kennisneming van gevorderde gegevens is toegestaan? 2. Ontvankelijkheid klaagschrift. Kon Rb klaagschriften n-o verklaren v.zv. die zijn gebaseerd op art. 98.4 jo. 552a Sv? 3. Beperking cassatieberoep. Moet worden voorbijgegaan aan beperking dat beroepen niet zijn gericht tegen gegrondverklaring van klaagschriften v.zv. die zijn gebaseerd op art. 552a Sv? Ad 1. HR herhaalt relevante overwegingen uit HR:2024:1560 en HR:2024:314 over (beklag)regeling van art. 98 Sv. Regeling van art. 98 Sv is in wet niet van toepassing verklaard in relatie tot vorderen van gegevens (vgl. HR:2024:375). Belangen die met verschoningsrecht zijn gemoeid, kunnen echter noodzakelijk maken dat RC ook in zo’n geval beslissing neemt overeenkomstig art. 98 Sv. Dat is het geval als vordering (mede) betrekking heeft op gegevens ten aanzien waarvan redelijk vermoeden bestaat dat zij onder verschoningsrecht vallen en selectie van gegevens niet mogelijk is zonder inhoudelijk daarvan kennis te nemen. OvJ moet daartoe vordering a.b.i. art. 181 Sv richten aan RC. Gegevens moeten in handen worden gesteld van RC, zodat deze kan beslissen of kennisneming is toegestaan. Deze beslissing wordt door RC neergelegd in beschikking. Redelijke wetstoepassing brengt met zich dat tegen beslissing van RC dat kennisneming is toegestaan, voor verschoningsgerechtigde (overeenkomstig art. 98.4 Sv) beklag openstaat bij (raadkamer van) gerecht in feitelijke aanleg waarvoor zaak wordt vervolgd. Tegen beschikking van dit gerecht staat cassatieberoep open (vgl. HR:2017:1205, HR:2024:375 en HR:2025:1788). Ad 2. Oordeel Rb komt erop neer dat beslissing van RC dat OM mag kennisnemen van de na filtering overgebleven fysieke en digitale bestanden en documenten omdat naar oordeel van RC voldoende is gewaarborgd dat ten aanzien daarvan verschoningsrecht niet wordt geschonden, niet kan worden opgevat als beslissing a.b.i. art. 98.3 Sv. Oordeel Rb geeft blijk van onjuiste rechtsopvatting. Beslissing die RC o.g.v. art 98.3 Sv neemt, strekt ertoe te bepalen welke voorwerpen aan OM ter beschikking mogen worden gesteld of van welke gegevens OM mag kennisnemen, en voor welke voorwerpen of gegevens dit niet wordt toegelaten. Beklag dat o.g.v. art. 98.4 Sv voor verschoningsgerechtigde openstaat, richt zich dan ook tegen beslissing van RC v.zv. deze inhoudt dat voorwerpen aan OM ter beschikking worden gesteld of dat van gegevens mag worden kennisgenomen. Dit betekent dat tegen beslissing van RC dat OvJ mag kennisnemen van de na filtering overgebleven fysieke en digitale bestanden en documenten, voor klagers als verschoningsgerechtigden (zowel t.a.v. inbeslaggenomen voorwerpen als t.a.v. gevorderde gegevens) beklag a.b.i. art. 98.4 jo. 552a Sv openstaat. Manier waarop selectie van (digitale) stukken en gegevens heeft plaatsgevonden, kan in beoordeling van beklag worden betrokken. Ad 3. Er is geen redelijk doel gediend met beoordeling van beklag a.b.i. art. 98.4 jo. 552a Sv na terugwijzing, als tegelijkertijd beslissing in bestreden beschikking over uitvoeren van nadere filtering als onherroepelijke beslissing zou gelden. Om Rb na terugwijzing in staat te stellen naar behoren opnieuw recht te doen, moet aan beperking van beroepen worden voorbijgegaan. HR zal bestreden beschikking ook vernietigen v.zv. daarin (o.g.v. art. 552a Sv) oordeel is gegeven over uitvoeren van een nadere filtering. Volgt (integrale) vernietiging en terugwijzing. CAG: anders t.a.v. beklagmogelijkheid bij gevorderde gegevens.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

STRAFKAMER

Nummer 24/03659 Bv

Datum 22 september 2026

BESCHIKKING

op de beroepen in cassatie tegen een beschikking van de rechtbank Overijssel van 6 september 2024, nummers RK 24/007118, RK 24/007126, RK 24/007150 en RK 24/007156, op klaagschriften als bedoeld in artikel 98 lid 4 in samenhang met artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering, ingediend door

[klager 1] ,

geboren op [geboortedatum] 1986,

[klager 2] ,

geboren op [geboortedatum] 1958,

[klager 3] ,

geboren op [geboortedatum] 1977,

[klager 4] ,

geboren op [geboortedatum] 1974,

en

[klager 5] ,

geboren op [geboortedatum] 1976,

hierna: de klagers.

1. Procesverloop in cassatie

De beroepen zijn ingesteld door de klagers.

Namens de klagers heeft de advocaat Th.J. Kelder bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld.

De advocaat-generaal P.T.C. van Kampen heeft geconcludeerd tot vernietiging van de beschikking van de rechtbank en terugwijzing van de zaak naar de rechtbank Overijssel, opdat de zaak opnieuw wordt behandeld en afgedaan.

Namens de klagers heeft de advocaat L.E.G. van der Hut daarop schriftelijk gereageerd.

2. Beoordeling van het cassatiemiddel

Het cassatiemiddel klaagt over de niet-ontvankelijkverklaring door de rechtbank van de klaagschriften voor zover die zijn gebaseerd op artikel 98 lid 4 in samenhang met artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv).

De rechtbank heeft de klaagschriften van de klagers niet-ontvankelijk verklaard voor zover deze zijn gebaseerd op artikel 98 lid 4 Sv en de klaagschriften gegrond verklaard voor zover deze zijn gebaseerd op artikel 552a Sv. De rechtbank heeft daartoe overwogen:

beslissing van de meervoudige raadkamer op de klaagschriften op grond van artikel 98 lid 4 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) en artikel 552a Sv van:

(...)

De klagers zijn allen verschoningsgerechtigden. (...)

Inleiding

In het strafrechtelijk onderzoek ‘Ballycastle’ hebben op 30 juni 2022 op diverse locaties (netwerk)doorzoekingen plaatsgevonden. Daarbij zijn meerdere gegevensdragers met daarop omvangrijke digitale bestanden in beslag genomen. Ook zijn historische administratieve gegevens gevorderd. Deze data tezamen vormen ‘de dataset’. De dataset bestaat uit vele miljoenen bestanden. In onderzoek ‘Ballycastle’ zijn [beslagene 1] , [beslagene 2] , [beslagene 3] B.V., [beslagene 4] B.V. en [beslagene 5] als verdachten aangemerkt. Hierna worden zij “de beslagenen” genoemd.

Door de beslagenen, aan wie geen verschoningsrecht toekomt, is aangevoerd dat een verschoningsgerechtigde de bevoegdheid tot verschoning kan uitoefenen ten aanzien van onder hen in beslag genomen bescheiden, brieven of andere stukken, stukken of gegevens die door hen zijn uitgeleverd ter inbeslagneming dan wel gegevens die op de voet van artikel 125i Sv zijn vastgelegd.

Onder leiding van de rechter-commissaris is de dataset gefilterd, met als doel het verwijderen van mogelijk geprivilegieerde gegevens. De rechter-commissaris heeft de raadslieden van de beslagenen daarbij betrokken: zij hebben een lijst aangeleverd met zoektermen die betrekking zouden kunnen hebben op digitale bestanden/documenten waar een verschoningsgerechtigde mogelijk de bevoegdheid tot verschoning over zou kunnen uitoefenen.

Na die filtering hebben de raadslieden van de beslagenen steekproeven verricht in de overgebleven digitale bestanden. Daarbij stuitten zij op gegevens van mogelijke verschoningsgerechtigden. Naar aanleiding daarvan heeft de geheimhoudersfunctionaris opnieuw gefilterd.

Na een regiebijeenkomst bij de rechter-commissaris zijn alle bestanden (ook bestanden van niet-verschoningsgerechtigden) van vóór 2014 zoveel als mogelijk integraal verwijderd.

In november 2023 heeft de rechter-commissaris de filterwerkzaamheden beëindigd. Bij beschikking van 1 maart 2024 heeft de rechter-commissaris de officier van justitie toegestaan kennis te nemen van de na filtering overgebleven fysieke en digitale bestanden c.q. documenten.

Tegen die beslissing richten de klaagschriften zich.

Standpunt van de klagers

Kort en zakelijk weergegeven is het primaire standpunt van de klagers dat zij zich op grond van artikel 98 Sv kunnen beklagen, omdat sprake is van een beslissing op grond van artikel 98 Sv en de klagers daartegen als verschoningsgerechtigden een klaagschrift hebben ingediend.

(...)

Beoordeling

Artikel 98 Sv

Uit jurisprudentie van de Hoge Raad (vgl. ECLI:NL:HR:2015:3076) volgt dat wanneer een beslagene, niet zijnde de verschoningsgerechtigde, aanvoert dat een geheimhouder de bevoegdheid tot verschoning kan uitoefenen ten aanzien van onder hem in beslag genomen bescheiden, brieven of andere stukken, stukken of gegevens die door hem zijn uitgeleverd ter inbeslagneming dan wel gegevens die op de voet van artikel 125i Sv zijn vastgelegd, de rechter-commissaris bevoegd is ter zake te beslissen. Beslist hij dat de inbeslagneming is toegestaan, dan dient gehandeld te worden zoals in artikel 98 lid 3 Sv is bepaald. De beschikking van de rechter-commissaris zal aan de betrokken verschoningsgerechtigde moeten worden betekend, onder mededeling dat deze binnen veertien dagen tegen deze beschikking een klaagschrift kan indienen bij een in die mededeling aangeduid gerecht in feitelijke aanleg waarvoor de zaak wordt vervolgd en tevens dat niet tot kennisneming van de stukken wordt overgegaan dan nadat onherroepelijk over het beklag van de verschoningsgerechtigde is beslist.

De rechtbank stelt vast dat geen sprake is van een situatie dat de rechter-commissaris gegevens/bestanden van/aan een verschoningsgerechtigde heeft gezien en heeft beslist dat inbeslagneming van die gegevens is toegestaan. Uit de beschikking van de rechter commissaris en het proces-verbaal volgt juist dat het doel van het filterproces was álle mogelijk geprivilegieerde gegevens te verwijderen. Een dergelijke beslissing tot vrijgave na verwijdering kan niet worden gelijkgesteld met inbeslagneming als bedoeld in artikel 98 Sv, ook al is in de aanhef van de beschikking in kwestie wel verwezen naar dat wetsartikel.

Naar het oordeel van de rechtbank brengt een redelijke wetsuitleg in zo’n geval niet met zich dat gehandeld dient te worden zoals in artikel 98 lid 3 Sv is bepaald. Ook had de rechter commissaris de verschoningsgerechtigden in dit geval niet in staat hoeven stellen zich uit te laten over hun verschoningsrecht met betrekking tot de stukken en gegevens, omdat het doel van het filterproces juist was álle informatie van verschoningsgerechtigden te verwijderen, ongeacht of het al dan niet gaat om geprivilegieerde stukken en gegevens. Niet valt in te zien waarom de verschoningsgerechtigde in dat geval zou moeten worden gehoord.

Dat brengt met zich dat de rechter-commissaris zijn beslissing over het gebruik van de veiliggestelde data naar het oordeel van de rechtbank ten onrechte heeft gegeven in de vorm van een beschikking op grond van artikel 98 Sv. Voor zover het klaagschrift op grond van artikel 98 lid 4 Sv is ingediend, is het daarom niet-ontvankelijk.

Artikel 552a Sv

De klagers beklagen zich daarnaast op grond van artikel 552a Sv over de kennisneming of het gebruik van de tijdens de doorzoeking in beslag genomen gegevens, omdat –kort gezegd – het verschoningsrecht onvoldoende zou zijn gewaarborgd.

Het wettelijk stelsel voorziet in de mogelijkheid van belanghebbenden om op grond van artikel 552a Sv beklag te doen tegen de kennisneming en het gebruik van in beslag genomen gegevens dan wel een verzoek te doen tot vernietiging daarvan. Onder die belanghebbenden kunnen ook verschoningsgerechtigden worden begrepen (ECLI:NL:HR:2024:375, r.o. 6.3.5). Omdat aannemelijk is geworden dat de klagers een of meerdere beslagene(n) hebben bijgestaan als verschoningsgerechtigde adviseurs zijn zij daarom ontvankelijk voor zover het klaagschrift op grond van artikel 552a Sv is ingediend. Het is in dit geval aan de rechtbank om te beoordelen of bij de filtering het verschoningsrecht voldoende is gewaarborgd.

Het verschoningsrecht is een fundamenteel rechtsbeginsel in het Nederlandse rechtssysteem. De belangen die met het verschoningsrecht zijn gemoeid, maken het noodzakelijk dat politie en justitie doen wat nodig is om inbreuken van het verschoningsrecht zo veel mogelijk te voorkomen, zodra het redelijk vermoeden bestaat dat het (deels) geprivilegieerde gegevens betreft (ECLI:NL:HR:2024:375, r.o. 7.1.2). Voor zover in een strafprocedure zal blijken dat er desondanks gebruik is gemaakt van geprivilegieerde gegevens voor het onderzoek of het vormen van het procesdossier, zijn de rechtmatigheid én de eventuele gevolgen daarvan, een discussie die in het kader van de inhoudelijke procedure dient te worden gevoerd.

De raadslieden van de beslagenen hebben tijdens de behandeling in raadkamer naar voren gebracht dat zij tijdens hun inzage op 30 maart 2023 op basis van een zoekslag met de bij de rechter-commissaris bekende zoektermen geprivilegieerde gegevens hebben aangetroffen van verschoningsgerechtigden, van wie de namen en overige relevante informatie aan de rechter-commissaris waren doorgegeven. Deze gegevens betreffen stukken van één van de klagers. Of die stukken vervolgens zijn uitgefilterd is de raadslieden niet bekend, omdat zij na de laatste filtering niet opnieuw een steekproef hebben mogen doen.

Uit het proces-verbaal blijkt dat de geheimhoudersfunctionaris tijdens het zoeken aan de hand van een lijst met zoektermen inhoudende bedrijfsnamen en achternamen van de verschoningsgerechtigden – welke lijst door de raadslieden van de beslagenen is aangeleverd – steekproefsgewijs heeft beoordeeld of het geprivilegieerde gegevens betrof. De rechtbank begrijpt uit dit proces-verbaal dat de geheimhoudersfunctionaris – in weerwil van de opdracht van de rechter-commissaris die luidde dat alle door zoektermen getroffen documenten (‘hits’) moesten worden verwijderd – alleen de bestanden heeft uitgefilterd die als hit op de (door de raadslieden van de beslagenen) opgegeven zoekterm (een bedrijfsnaam of achternaam van een verschoningsgerechtigde) naar voren kwam én die door de geheimhoudersfunctionaris vervolgens in zijn steekproef zijn geopend én die hij vervolgens als potentieel geprivilegieerde gegevens heeft bestempeld. Dat betekent dat bestanden die wel als hit naar voren kwamen op de door de raadslieden van de beslagenen opgegeven zoekterm met de bedrijfsnaam of achternaam van een verschoningsgerechtigde, maar in de steekproef niet zijn geopend (en beoordeeld), in de dataset zijn achtergebleven.

Dat wordt bevestigd door de omstandigheid dat de raadslieden van de beslagenen in de al gefilterde data diverse adviezen van en correspondentie met advocaten die voorkwamen op de zoektermenlijst alsook een ‘legal opinion’ hebben aangetroffen tijdens hun inzage op 30 maart 2023. Uit het proces-verbaal blijkt dat laatstgenoemd document wel als hit naar voren kwam bij een zoekslag op de bedrijfsnaam (die door de raadslieden van de beslagenen was opgegeven), maar niet was geopend in de steekproef van de geheimhoudersfunctionaris en daarom in de dataset was achtergebleven.

Anders dan uit de beschikking van de rechter-commissaris lijkt te volgen, zijn dus niet alle door de zoektermen geselecteerde bestanden verwijderd zonder inhoudelijk te controleren of het daadwerkelijk geprivilegieerde gegevens betreft.

De rechtbank heeft oog voor de zeer grote hoeveelheid data die gefilterd diende te worden (met een systeem dat wellicht traag en gebruiksonvriendelijk is) en ziet ook het belang van de voortgang van het opsporingsonderzoek en het daarmee samenhangende recht van de verdachte op berechting binnen een redelijke termijn. Daartegenover staan echter de belangen die met het verschoningsrecht zijn gemoeid. De rechtbank is van oordeel dat onder de gegeven omstandigheden het verschoningsrecht in deze procedure onvoldoende is gewaarborgd. Er bestaat een voldoende concrete aanleiding voor het redelijk vermoeden dat zich mogelijk geprivilegieerde gegevens in de gefilterde data bevinden. Gelet daarop moet een nadere filtering onder leiding van de rechter-commissaris plaatsvinden. De rechtbank stelt de data om die reden in handen van de rechter-commissaris voor een onder zijn leiding uit te voeren nadere filtering.

Gelet op hetgeen tijdens de behandeling in raadkamer naar voren is gekomen, geeft de rechtbank daarbij de rechter-commissaris in overweging om – na het eventueel houden van een regiebijeenkomst – te (laten) filteren op de eerder door de raadslieden van de beslagenen en tijdens de behandeling in raadkamer door de officier van justitie voorgestelde wijze. Die komt erop neer de data eerst te filteren op basis van zoektermen van het Openbaar Ministerie (verband houdend met het strafrechtelijk onderzoek) en die gefilterde data vervolgens opnieuw te filteren met door de raadslieden van de beslagenen opgegeven zoektermen (verband houdend met mogelijk geprivilegieerde gegevens).

Anders dan de procedure op grond van artikel 98 Sv, is in de huidige wetgeving bij een beklag tegen de kennisneming en het gebruik van in beslag genomen gegevens (als bedoeld in artikel 552a Sv) – met uitzondering van de zittingsrechter die achteraf toetst – geen rechtsbescherming voor een belanghebbende die zich op het standpunt stelt dat het filterproces niet deugdelijk is verlopen. In tegenstelling tot een beslissing op grond van artikel 98 Sv is er namelijk geen wettelijke grondslag die de opsporing ervan weerhoudt kennis te nemen van de door de rechter-commissaris vrijgegeven data, terwijl artikel 98 lid 8 (de Hoge Raad leest: lid 3) Sv bepaalt dat de opsporing alleen na het onherroepelijk worden van de beslissing van de rechter-commissaris kennis mag nemen van in beslag genomen data.

In onderhavig geval leidt dat niet tot een onherstelbaar vormverzuim als bedoeld in artikel 359a Sv, nu de officier van justitie heeft medegedeeld dat de opsporing geen kennis heeft genomen van de data en ook niet zal nemen in afwachting van de uitkomst van deze procedure en er geen reden is om daaraan te twijfelen. Ten aanzien van toekomstige gevallen waarin dit mogelijk anders kan zijn, is het wenselijk dat de rechter-commissaris, ter voorkoming van een situatie waarin de opsporing al kennis neemt van data waarvan achteraf blijkt dat die ten onrechte is achtergebleven in de vrijgegeven set, in zijn beslissing bepaalt per wanneer het de officier van justitie wordt toegestaan kennis te nemen van de na filtering overgebleven gegevens.

Verzoek stukken en aanhouding behandeling

Nu een nadere filtering wordt gelast, hebben klagers geen belang meer bij inzage in de stukken en aanhouding van de behandeling van deze zaak. De daartoe strekkende verzoeken worden daarom afgewezen.

Beslissing

De rechtbank verklaart:

- de klagers niet-ontvankelijk in het klaagschrift voor zover het gebaseerd is op het bepaalde in artikel 98 lid 4 Sv;

- het klaagschrift gegrond voor zover gebaseerd op het bepaalde in artikel 552a Sv en stelt de data in handen van de rechter-commissaris voor een onder zijn leiding uit te voeren nadere filtering, zoals hiervoor omschreven;

- wijst af het meer- of anders verzochte.”

Artikel 98 lid 1 tot en met 4 Sv luidt:

“1. Bij personen met bevoegdheid tot verschooning, als bedoeld bij de artikelen 218 en 218a, worden, tenzij met hunne toestemming, niet in beslag genomen brieven of andere geschriften, tot welke hun plicht tot geheimhouding zich uitstrekt. De rechter-commissaris is bevoegd ter zake te beslissen.

2. Indien de persoon met bevoegdheid tot verschoning bezwaar maakt tegen de inbeslagneming van brieven of andere geschriften omdat zijn plicht tot geheimhouding zich daartoe uitstrekt, wordt niet tot kennisneming overgegaan dan nadat de rechter-commissaris daarover heeft bepaald.

3. De rechter-commissaris die beslist dat inbeslagneming is toegestaan, deelt de persoon met bevoegdheid tot verschoning mede dat tegen zijn beslissing beklag open staat bij het gerecht in feitelijke aanleg waarvoor de zaak wordt vervolgd en tevens dat niet tot kennisneming wordt overgegaan dan nadat onherroepelijk over het beklag is beslist.

4. Tegen de beschikking van de rechter-commissaris kan de persoon met bevoegdheid tot verschoning binnen veertien dagen na de betekening daarvan een klaagschrift indienen bij het gerecht in feitelijke aanleg waarvoor de zaak wordt vervolgd. Artikel 552a is van toepassing.”

Artikel 98 Sv bevat een regeling die ertoe strekt dat bij inbeslagneming van voorwerpen het (professionele) verschoningsrecht wordt gerespecteerd. Het is de rechter-commissaris die beslist of inbeslagneming is toegestaan (artikel 98 lid 1 en 3 Sv). Deze beslissing wordt door de rechter-commissaris neergelegd in een beschikking. Deze procedure geldt ook als een plaats wordt doorzocht met als doel de vastlegging van gegevens die op deze plaats zijn opgeslagen of vastgelegd (artikel 125i in samenhang met artikel 98 Sv). Tegen de beschikking van de rechter-commissaris staat beklag open voor de verschoningsgerechtigde. Dit beklag richt zich tegen de beslissing van de rechter-commissaris dat de inbeslagneming – of, als het gaat om de vastlegging van gegevens, de vastlegging en/of kennisneming van die gegevens – is toegestaan. Hiertoe moet een klaagschrift worden ingediend bij het gerecht in feitelijke aanleg waarvoor de zaak wordt vervolgd (artikel 98 lid 4 Sv). Op dit beklag is artikel 552a Sv van toepassing. Dit betekent dat op het beklag wordt beslist door de raadkamer van het betreffende gerecht. Tegen de beschikking van dit gerecht staat beroep in cassatie open. Tot kennisneming van de stukken of gegevens wordt niet eerder overgegaan dan nadat onherroepelijk op het beklag is beslist (artikel 98 lid 3 Sv). (Vgl. HR 1 november 2024, ECLI:NL:HR:2024:1560, rechtsoverweging 3.3.1.)

Het beklag als bedoeld in artikel 98 lid 4 in samenhang met artikel 552a Sv is in beginsel alleen gericht tegen de beschikking van de rechter-commissaris waarin is beslist dat de inbeslagneming dan wel de vastlegging en/of kennisneming is toegestaan. In het geval dat selectie van de (digitale) stukken en gegevens noodzakelijk is gebleken, kan ook de manier waarop de selectie heeft plaatsgevonden in de beoordeling van het beklag worden betrokken. Daarbij gaat het in het bijzonder om de vraag of bij de selectie onder leiding van de rechter-commissaris het verschoningsrecht van de klager voldoende is gewaarborgd. Als de beklagrechter tot het oordeel komt dat, na de selectie door de rechter-commissaris, nog beslag rust op stukken en gegevens – of nog gegevens zijn vastgelegd – waarvan het redelijk vermoeden bestaat dat deze onder het verschoningsrecht vallen, stelt de beklagrechter die stukken en gegevens zo nodig nogmaals in handen van de rechter-commissaris voor een onder zijn leiding uit te voeren nader onderzoek en, als daartoe aanleiding bestaat, nadere selectie. (Vgl. HR 12 maart 2024, ECLI:NL:HR:2024:314, rechtsoverweging 2.4 en HR 1 november 2024, ECLI:NL:HR:2024:1560, rechtsoverweging 3.4.4.)

De regeling van artikel 98 Sv is in de wet niet van toepassing verklaard in relatie tot het vorderen van gegevens (vgl. HR 12 maart 2024, ECLI:NL:HR:2024:375, rechtsoverweging 6.3.5). De belangen die met het verschoningsrecht zijn gemoeid, kunnen het echter noodzakelijk maken dat de rechter-commissaris ook in zo’n geval een beslissing neemt overeenkomstig artikel 98 Sv. Dat is het geval als de vordering (mede) betrekking heeft op gegevens ten aanzien waarvan het redelijk vermoeden bestaat dat zij onder het verschoningsrecht vallen en de selectie van de betreffende gegevens niet mogelijk is zonder inhoudelijk van die gegevens kennis te nemen. De officier van justitie moet daartoe een vordering als bedoeld in artikel 181 Sv richten aan de rechter-commissaris. De gegevens moeten daarbij in handen worden gesteld van de rechter-commissaris, zodat deze kan beslissen of kennisneming van de gegevens is toegestaan. Deze beslissing wordt door de rechter-commissaris neergelegd in een beschikking. Redelijke wetstoepassing brengt met zich dat tegen de beslissing van de rechter-commissaris dat kennisneming van de gegevens is toegestaan, voor de verschoningsgerechtigde – overeenkomstig artikel 98 lid 4 Sv – beklag openstaat bij (de raadkamer van) het gerecht in feitelijke aanleg waarvoor de zaak wordt vervolgd. Tegen de beschikking van dit gerecht staat beroep in cassatie open. (Vgl. over de mogelijkheid van beklag – met overeenkomstige toepassing van artikel 98 lid 3 Sv – in geval van een vordering van gegevens, HR 30 juni 2017, ECLI:NL:HR:2017:1205, rechtsoverweging 2.6 en, over de rol van de rechter-commissaris, HR 12 maart 2024, ECLI:NL:HR:2024:375 , onder 6.5 en 6.6; vgl., in een andere context, ook HR 9 december 2025, ECLI:NL:HR:2025:1788, rechtsoverweging 4.3.)

De rechtbank heeft onder meer het volgende vastgesteld. In het strafrechtelijk onderzoek ‘Ballycastle’ zijn gegevensdragers met daarop omvangrijke digitale bestanden inbeslaggenomen. Daarnaast zijn historische administratieve gegevens gevorderd. Dit heeft geresulteerd in een dataset die uit vele miljoenen bestanden bestaat. De dataset is onder leiding van de rechter-commissaris gefilterd, met als doel het verwijderen van mogelijk geprivilegieerde gegevens. Daartoe hebben de raadslieden – het gaat hierbij om andere advocaten dan de klagers – van de verdachten in het strafrechtelijk onderzoek een lijst aangeleverd met zoektermen die betrekking zouden kunnen hebben op digitale bestanden/documenten waar een verschoningsgerechtigde mogelijk de bevoegdheid tot verschoning over zou kunnen uitoefenen. Na de filtering hebben de betreffende raadslieden steekproeven verricht in de overgebleven digitale bestanden. Daarbij zijn zij gestuit op gegevens van mogelijke verschoningsgerechtigden. Naar aanleiding daarvan heeft de door de rechter-commissaris aangestelde geheimhoudersfunctionaris de gegevens opnieuw gefilterd. Bij beschikking van 1 maart 2024 heeft de rechter-commissaris de officier van justitie toegestaan kennis te nemen van de na de filtering overgebleven fysieke en digitale bestanden en documenten.

De rechtbank heeft de klaagschriften niet-ontvankelijk verklaard voor zover die zijn gebaseerd op artikel 98 lid 4 in samenhang met artikel 552a Sv. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat “geen sprake is van een situatie dat de rechter-commissaris gegevens/bestanden van/aan een verschoningsgerechtigde heeft gezien en heeft beslist dat inbeslagneming van die gegevens is toegestaan”, dat het doel van het filterproces was alle mogelijk geprivilegieerde gegevens te verwijderen en dat een “dergelijke beslissing tot vrijgave na verwijdering (...) niet [kan] worden gelijkgesteld met inbeslagneming als bedoeld in artikel 98 Sv”.

Het onder 2.5.2 weergegeven oordeel van de rechtbank komt erop neer dat de beslissing van de rechter-commissaris dat het openbaar ministerie kennis mag nemen van de fysieke en digitale bestanden en documenten die na de filtering zijn overgebleven omdat naar het oordeel van de rechter-commissaris voldoende is gewaarborgd dat ten aanzien daarvan het verschoningsrecht niet wordt geschonden, niet kan worden opgevat als een beslissing in de zin van artikel 98 lid 3 Sv. Gelet op wat onder 2.4 is overwogen, geeft dit oordeel van de rechtbank blijk van een onjuiste rechtsopvatting. De beslissing die de rechter-commissaris op grond van artikel 98 lid 3 Sv neemt, strekt er immers toe te bepalen welke voorwerpen aan het openbaar ministerie ter beschikking mogen worden gesteld of van welke gegevens het openbaar ministerie kennis mag nemen, en voor welke voorwerpen of gegevens dit niet wordt toegelaten. Het beklag dat op grond van artikel 98 lid 4 Sv voor de verschoningsgerechtigde openstaat, richt zich dan ook tegen de beslissing van de rechter-commissaris voor zover deze inhoudt dat voorwerpen aan het openbaar ministerie ter beschikking worden gesteld of dat van gegevens kennis mag worden genomen. Dit betekent dat tegen de beslissing van de rechter-commissaris dat de officier van justitie mag kennisnemen van de fysieke en digitale bestanden en documenten die na de filtering zijn overgebleven, voor de klagers als verschoningsgerechtigden – zowel wat betreft de inbeslaggenomen voorwerpen als wat betreft de gevorderde gegevens – beklag als bedoeld in artikel 98 lid 4 in samenhang met artikel 552a Sv openstaat. De manier waarop de selectie van de (digitale) stukken en gegevens heeft plaatsgevonden, kan in de beoordeling van dat beklag worden betrokken.

Het cassatiemiddel slaagt. De Hoge Raad zal daarom de beslissing van de rechtbank vernietigen en de zaak terugwijzen naar de rechtbank.

In verband met de procedure na terugwijzing is nog van belang dat volgens de daarvan opgemaakte herstelakten de cassatieberoepen niet zijn gericht tegen de beslissing van de rechtbank tot gegrondverklaring van de klaagschriften voor zover die zijn gebaseerd op artikel 552a Sv. Het gaat daarmee, zoals onder 2.2 is weergegeven, om de beslissing van de rechtbank die tevens inhoudt dat de rechtbank “de data in handen van de rechter-commissaris [stelt] voor een onder zijn leiding uit te voeren nadere schifting”.

Na terugwijzing zal de rechtbank het beklag van de klagers als bedoeld in artikel 98 lid 4 in samenhang met artikel 552a Sv, moeten beoordelen. Daarbij kan onder meer de vraag aan de orde komen of er grond bestaat om stukken en gegevens (nogmaals) in handen van de rechter-commissaris te stellen voor een onder zijn leiding uit te voeren nader onderzoek en, als daartoe aanleiding bestaat, nadere selectie. Het is dan aan de rechtbank na terugwijzing om daarover te beslissen. Er is echter geen redelijk doel gediend met die beoordeling door de rechter na terugwijzing, als tegelijkertijd de beslissing in de bestreden beschikking over, kort gezegd, het uitvoeren van een nadere schifting – als gevolg van de beoogde beperking van de cassatieberoepen – als onherroepelijke beslissing zou gelden. In aanmerking genomen dat de cassatieberoepen van de klagers, zoals ook in de toelichting op het cassatiemiddel tot uitdrukking komt, erop zijn gericht dat zij alsnog de beklagprocedure van artikel 98 lid 4 Sv in samenhang met artikel 552a Sv kunnen doorlopen, moet – om de rechtbank na terugwijzing in staat te stellen naar behoren opnieuw recht te doen – aan de in de herstelakten opgenomen beperking worden voorbijgegaan. De Hoge Raad zal de bestreden beschikking ook vernietigen voor zover daarin – op grond van artikel 552a Sv – een oordeel is gegeven over, kort gezegd, het uitvoeren van een nadere schifting.

3. Beslissing

De Hoge Raad:

- vernietigt de beschikking van de rechtbank;

- wijst de zaak terug naar de rechtbank Overijssel, opdat de zaak opnieuw wordt berecht en afgedaan.

Deze beschikking is gegeven door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren A.L.J. van Strien en T. Kooijmans, in bijzijn van de waarnemend griffier S.P. Bakker, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 22 september 2026.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand