ECLI:NL:HR:2026:1491

ECLI:NL:HR:2026:1491

Instantie Hoge Raad
Datum uitspraak 18-09-2026
Datum publicatie 17-09-2026
Zaaknummer 25/02600
Rechtsgebied Bestuursrecht; Belastingrecht
Procedure Cassatie
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:GHAMS:2025:1559

Samenvatting

Belasting van personenauto's en motorrijwielen; Art. 30h AWR; art. 110 VWEU. In rekening brengen van belastingrente bij naheffing van belasting van personenauto's en motorrijwielen niet in strijd met art. 110 VWEU.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

BELASTINGKAMER

Nummer 25/02600

Datum 18 september 2026

ARREST

in de zaak van

[X] (hierna: belanghebbende)

tegen

1. de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN

2. de STAAT (de MINISTER VAN JUSTITIE EN VEILIGHEID)

op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam van 20 mei 2025, nr. 23/736, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Noord-Holland (nr. HAA 21/283) betreffende een aan belanghebbende opgelegde naheffingsaanslag in de belasting van personenauto's en motorrijwielen en de daarbij geven beschikking inzake belastingrente.

1. Geding in cassatie

Belanghebbende, vertegenwoordigd door A.F.M.J. Verhoeven, heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

Zowel de Staatssecretaris, vertegenwoordigd door [P1], als de Staat, vertegenwoordigd door [P2], heeft een verweerschrift ingediend.

Belanghebbende heeft conclusies van repliek ingediend.

2. Beoordeling van de middelen

Voor het Hof spitste het geschil zich toe op de vragen of (i) de Inspecteur de plicht om belanghebbende in de bezwaarfase te horen heeft geschonden, (ii) de Inspecteur de naheffingsaanslag in de belasting van personenauto’s en motorrijwielen (hierna: bpm) terecht en tot het juiste bedrag heeft opgelegd, (iii) belanghebbende aanspraak kan maken op wettelijke rente ter zake van de door de Rechtbank en het Hof geheven griffierechten die de Inspecteur aan belanghebbende moet vergoeden, en (iv) de door de Rechtbank toegekende vergoeding van de kosten van beroepsmatig verleende rechtsbijstand waartoe de Inspecteur respectievelijk de Staat zijn veroordeeld vanwege overschrijding van de voor de behandeling van het bezwaar en het beroep als redelijk aan te merken termijn, moet worden verhoogd.

Voor zover de door belanghebbende in dat kader aangevoerde grieven steunden op de door belanghebbende voorgestane uitleg van het Unierecht, heeft het Hof die uitleg verworpen met verwijzing naar de rechtspraak van de Hoge Raad waarin die uitleg is verworpen. Middel I stelt dat deze oordelen van het Hof kennelijk onjuist zijn, reeds omdat de Hoge Raad die rechtspraak heeft gewezen zonder eerst op de voet van artikel 267 VWEU aan het Hof van Justitie van de Europese Unie prejudiciële vragen te stellen over de juiste uitleg van het in die rechtspraak toepasselijke Unierecht. Volgens het middel is het Hof van Justitie bij uitsluiting bevoegd om het Unierecht bindend uit te leggen en is de nationale rechter verplicht om het Unierecht toe te passen in overeenstemming met de rechtspraak van het Hof van Justitie. Het Hof mag het Unierecht niet uitleggen en toepassen volgens de rechtspraak van een rechter wiens beslissingen niet vatbaar zijn voor hoger beroep, zoals de Hoge Raad, indien die rechter niet heeft voldaan aan de in artikel 267, derde alinea, VWEU neergelegde verplichting. Het Hof had daarom de hiervoor bedoelde grieven niet mogen verwerpen zonder eerst zelf op de voet van artikel 267 VWEU prejudiciële vragen te stellen aan het Hof van Justitie.

Middel I faalt. Hetgeen de Hoge Raad onder verwijzing naar rechtspraak van het Hof van Justitie heeft geoordeeld in de rechtsoverwegingen 3.7.2 en 3.7.3 van zijn arrest van 12 juni 2026, ECLI:NL:HR:2026:915, brengt buiten redelijke twijfel mee dat artikel 267, derde alinea, VWEU niet eraan in de weg staat dat het Hof, als nationale rechterlijke instantie tegen de beslissingen waarvan het rechtsmiddel van beroep in cassatie openstaat, de door belanghebbende in hoger beroep aangevoerde grieven wat betreft de uitleg van het Unierecht verwerpt met inachtneming van de rechtspraak van de Hoge Raad daaromtrent, zelfs wanneer de Hoge Raad die rechtspraak heeft gewezen zonder prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie te hebben gesteld.

In cassatie staat vast dat in deze procedure de voor de behandeling van het bezwaar en het beroep als redelijk aan te merken termijn met 26 maanden is overschreden. Het Hof heeft de door de Rechtbank aan belanghebbende toegekende vergoeding van de in verband met die overschrijding geleden immateriële schade ten bedrage van € 2.500 in stand gelaten.

Middel II en middel III klagen erover dat deze vergoeding – in strijd met rechtspraak van het Hof van Justitie – beperkt is gebleven tot een vergoeding die op basis van rechtspraak van de Hoge Raad is berekend naar een vergoeding van € 500 per half jaar of een gedeelte daarvan, waarmee die redelijke termijn is overschreden.

Middel II en middel III kunnen niet tot cassatie leiden. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze middelen is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie). Op de gronden die zijn vermeld in de rechtsoverwegingen 2.3.1 tot en met 2.4.6 van het arrest van de Hoge Raad van 18 september 2026, ECLI:NL:HR:2026:1415, ziet de Hoge Raad geen aanleiding over dit geschilpunt prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie te stellen.

Middel IV betoogt dat, gelet op de punten 63 tot en met 66 van het arrest van het Hof van Justitie van 29 april 2004, Commissie/Raad, C-338/01, ECLI:EU:C:2004:253, het in rekening brengen van belastingrente bij het naheffen van een nationale belasting zoals de bpm ter zake van de registratie van een uit een andere lidstaat afkomstige gebruikte personenauto in het Nederlandse kentekenregister, een betalingsmodaliteit inhoudt die onder het bereik van artikel 110 VWEU valt. De in geding zijnde beschikking inzake belastingrente is volgens het middel in strijd met artikel 110 VWEU gegeven. Bpm kan immers nooit van kopers van gelijksoortige, in Nederland geregistreerde motorvoertuigen worden ingevorderd nu deze deel uitmaakt van de koopprijs, en daarmee evenmin belastingrente.

Het middel berust op het standpunt dat bij het aankopen van reeds in Nederland geregistreerde gebruikte motorvoertuigen – anders dan bij soortgelijke gebruikte motorvoertuigen die nog niet in Nederland zijn geregistreerd – de mogelijkheid van het in rekening brengen van belastingrente bij de koper ervan is uitgesloten en dat dit verschil een door artikel 110 VWEU verboden discriminatie oplevert. Dit standpunt wordt verworpen op de hierna volgende gronden.

In rechtsoverweging 4.4.1 van het arrest van 17 juli 2026, ECLI:NL:HR:2026:1244 (hierna: het arrest van 17 juli 2026) heeft de Hoge Raad geoordeeld dat het buiten redelijke twijfel is dat artikel 110 VWEU lidstaten ruimte laat om in hun rechtsorde voor de belastingautoriteiten de mogelijkheid te scheppen een door middel van voldoening op aangifte geheven bedrag aan belasting te corrigeren indien die autoriteiten vaststellen dat het door de belastingplichtige berekende en betaalde bedrag aan verschuldigde belasting te laag is geweest. Blijkens rechtsoverweging 4.4.2 van dat arrest is ook buiten redelijke twijfel dat het risico van naheffing van bpm dat kopers van een uit een andere lidstaat overgebracht, tweedehands motorvoertuig moeten dragen, niet kan worden beschouwd als een verboden verschil in heffingsmodaliteit zoals bedoeld in de in rechtsoverweging 4.3 van het arrest van 17 juli 2026 bedoelde rechtspraak van het Hof van Justitie over artikel 110 VWEU.

Op grond van artikel 30h AWR wordt met betrekking tot naheffingsaanslagen ter zake van bpm rente – belastingrente – in rekening gebracht aan degene aan wie de naheffingsaanslag is opgelegd, ingeval de naheffingsaanslag is vastgesteld na het einde van het kalenderjaar waarop de nageheven belasting betrekking heeft. Het in rekening brengen van belastingrente vindt zijn grondslag in de vaststelling dat het opleggen van de naheffingsaanslag in de bpm door toedoen van de belastingplichtige te lang is uitgebleven. Van de belastingplichtige mag worden verlangd dat hij tijdig het verschuldigde belastingbedrag volgens de toepasselijke voorschriften voldoet. Het is buiten redelijke twijfel dat lidstaten aan het niet tijdig op aangifte voldoen van een nationale belasting zoals de bpm, het gevolg mogen verbinden dat bij het naheffen van die belasting rente in rekening wordt gebracht, voor zover de betaling van die rente niet verder gaat dan nodig is om de doelstelling van juiste inning van belasting en het voorkomen van fraude te bereiken. Het in rekening brengen van belastingrente bij niet-tijdige voldoening op aangifte van bpm kan dan ook niet worden aangemerkt als bescherming van binnenlands geregistreerde motorvoertuigen ten opzichte van uit een andere lidstaat afkomstige motorvoertuigen.

De stelling van middel IV dat bij aankopen van reeds in Nederland geregistreerde gebruikte motorvoertuigen – anders dan bij soortgelijke gebruikte motorvoertuigen die nog niet in Nederland zijn geregistreerd – de mogelijkheid van het in rekening brengen van belastingrente is uitgesloten, is juist. Evenals geldt voor het opleggen van de naheffingsaanslag in de bpm (zie rechtsoverweging 4.4.2 van het arrest van 17 juli 2026) wordt dit verschil veroorzaakt doordat ter zake van in Nederland geregistreerde gebruikte motorvoertuigen eventueel in rekening gebrachte belastingrente al is betaald door een ander dan de hiervoor bedoelde koper. Dat kopers van een uit een andere lidstaat overgebracht, tweedehands motorvoertuig bij naheffing van bpm op de voet van artikel 30ha, lid 1, AWR belastingrente moeten betalen, kan daarom niet worden beschouwd als een verboden verschil in heffingsmodaliteit zoals bedoeld in de in rechtsoverweging 4.3 van het arrest van 17 juli 2026 bedoelde rechtspraak van het Hof van Justitie over artikel 110 VWEU.Middel IV faalt dus ook.

Gelet op hetgeen hiervoor in 2.3.3 tot en met 2.3.5 is overwogen, roept middel IV over de uitlegging van artikel 110 VWEU geen vragen op die niet aan de hand van vaste rechtspraak van het Hof van Justitie zonder ruimte voor redelijke twijfel kunnen worden beantwoord, dan wel is – voor zover rechtspraak daarover ontbreekt – de beantwoording van die vragen zo evident dat er redelijkerwijs geen twijfel over kan bestaan.

Het Hof heeft belanghebbende met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: het Besluit) een vergoeding toegekend van de kosten van beroepsmatig verleende rechtsbijstand in de bezwaarfase, de fase van beroep en de fase van hoger beroep. In hetgeen belanghebbende daartoe heeft aangevoerd, heeft het Hof geen aanleiding gezien hem een volledige vergoeding van de hiervoor bedoelde kosten toe te kennen, laat staan volgens de bedragen waarop belanghebbende aanspraak maakte. Zowel middel V als middel IX klaagt over deze oordelen van het Hof.

Middel V en middel IX kunnen niet tot cassatie leiden. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze middelen is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie). Op de gronden die zijn vermeld in de rechtsoverwegingen 4.8.2 tot en met 4.10.6 van het arrest van 17 juli 2026 ziet de Hoge Raad geen aanleiding over dit geschilpunt prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie te stellen.

De Hoge Raad heeft ook de overige klachten over de uitspraak van het Hof beoordeeld. De uitkomst van deze beoordeling is dat ook deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van de uitspraak van het Hof. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie). Hierbij verdient opmerking dat wat betreft deze overige klachten het Unierecht niet relevant is voor de beslechting van het geschil in cassatie, dan wel voor zover het Unierecht dat wel is, al in voorgaande rechtsoverwegingen van dit arrest is uiteengezet waarom de Hoge Raad afziet van het stellen van prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie.

3. Proceskosten

De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

4. Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.

Dit arrest is gewezen door de vice-president M.E. van Hilten als voorzitter, en de raadsheren E.N. Punt en M.A. Fierstra, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 18 september 2026.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl NLF 2026/1901 Viditax (FutD) 2026091806 NDFR Nieuws 2026/1418
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand