ECLI:NL:HR:2026:1493

ECLI:NL:HR:2026:1493

Instantie Hoge Raad
Datum uitspraak 18-09-2026
Datum publicatie 17-09-2026
Zaaknummer 25/01733
Rechtsgebied Civiel recht
Procedure Cassatie
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:PHR:2026:450
Formele relatie: ECLI:NL:GHAMS:2025:383

Samenvatting

Financieel recht. Effectenlease. Is sprake van voor vergoeding in aanmerking komend nadeel indien afnemer ervoor kiest zijn verplichtingen uit hoofde van leaseovereenkomst af te lossen onder overname van onderliggende effecten (art. 6:98 BW)?

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

CIVIELE KAMER

Nummer 25/01733

Datum 18 september 2026

ARREST

In de zaak van

[de afnemer],

wonende te [woonplaats],

EISER tot cassatie, verweerder in het incidentele cassatieberoep,

hierna: de afnemer,

advocaat: D. Rijpma,

tegen

DEXIA NEDERLAND B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

VERWEERSTER in cassatie, eiseres in het incidentele cassatieberoep,

hierna: Dexia,

advocaten: M.A.M. Wagemakers en A.H.M. van den Steenhoven.

1. Procesverloop

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar:

a. het vonnis in de zaak 773503DX EXPL 06-440 van de rechtbank Amsterdam van 29 oktober 2008;

b. de arresten in de zaak 200.036.297/01 van het gerechtshof Amsterdam van 4 oktober 2016 en 11 februari 2025.

De afnemer heeft tegen het arrest van het hof van 11 februari 2025 beroep in cassatie ingesteld.Dexia heeft incidenteel cassatieberoep ingesteld.

Partijen hebben over en weer geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten.

De conclusie van de plaatsvervangend Procureur-Generaal M.H. Wissink strekt in het principale beroep tot vernietiging van het bestreden arrest en tot verwijzing. De conclusie strekt in het incidentele cassatieberoep tot verwerping.

De advocaten van partijen hebben schriftelijk op die conclusie gereageerd.

2. Uitgangspunten en feiten

In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

(i) De afnemer heeft met (een rechtsvoorgangster van) Dexia twee effectenleaseovereenkomsten gesloten. Het geding in cassatie ziet alleen op de tweede effectenleaseovereenkomst (hierna: de leaseovereenkomst).

(ii) De WCAM-overeenkomst die het gerechtshof Amsterdam bij beschikking van 25 januari 2007 op grond van art. 7:907 lid 1 BW verbindend heeft verklaard, bindt de afnemer niet, omdat hij tijdig een opt out-verklaring heeft uitgebracht.

(iii) Volgens de door Dexia opgestelde eindafrekening heeft de afnemer na het einde van de looptijd van de leaseovereenkomst de onderliggende effecten, die op dat moment een waarde vertegenwoordigden van € 8.034,--, van Dexia overgenomen voor een bedrag van € 23.379,--.

Voor zover in cassatie van belang betreft deze procedure een vordering van de afnemer tot terugbetaling door Dexia van al hetgeen de afnemer uit hoofde van de leaseovereenkomst heeft betaald.

De kantonrechter heeft de hiervoor in 2.2 genoemde vordering van de afnemer gedeeltelijk toegewezen.

Het hof heeft het vonnis van de kantonrechter vernietigd en partijen over en weer veroordeeld tot betaling van nader te bepalen bedragen. Daartoe heeft het hof als volgt overwogen.

De afnemer meent dat het aangaan van de leaseovereenkomst voor hem een onaanvaardbaar zware financiële last vormde, zodat hij naast vergoeding van twee derde van de restschuld ook aanspraak kan maken op vergoeding van twee derde van de door hem betaalde rente, aflossing en kosten. Dexia betwist dit niet. (rov. 1)

Volgens vaste rechtspraak van het hof is de restschuld bij leaseovereenkomsten waarbij de afnemer de aandelen overneemt, een fictieve restschuld. De schade bestaande uit deze (fictieve) restschuld, kan niet als een gevolg worden toegerekend aan enige gedraging van Dexia, maar vloeit geheel voort uit de eigen onverplichte keuze van de afnemer om de effecten af te nemen. Kennelijk heeft de afnemer besloten de kans te aanvaarden dat de effecten in waarde zouden stijgen en dat die waardestijging het bedrag van de (fictieve) restschuld minimaal zou compenseren. Dat besluit komt voor eigen risico van de afnemer. (rov. 4.7)

Nu de grieven van Dexia gedeeltelijk slagen en de grieven van de afnemer falen, worden partijen veroordeeld tot betaling aan elkaar van bedragen die zij zelf kunnen berekenen. (rov. 4.9 en 4.11)

3. Beoordeling van het middel in het principale beroep

Onderdeel 1.4 van het middel klaagt onder meer dat het oordeel van het hof in rov. 4.7 onjuist is, omdat ook indien de afnemer de onderliggende effecten na afloop van de leaseovereenkomst heeft overgenomen, de waardevermindering van die effecten op het moment van beëindiging van de leaseovereenkomst voor rekening van de afnemer komt en deze schade onverkort in een oorzakelijk verband staat met de onrechtmatige daad van Dexia ten tijde van het sluiten van de leaseovereenkomst. Het onderdeel voert verder aan dat niet valt in te zien hoe het oorzakelijke verband tussen de onrechtmatige daad van Dexia en de schade van de afnemer kan worden doorbroken, althans waarom de schade van de afnemer in een ter ver verwijderd verband in de zin van art. 6:98 BW met de onrechtmatige daad van Dexia komt te staan, als de afnemer zich de effecten laat leveren en er voor eigen risico op gokt dat met een waardestijging van de effecten de restschuld en daarmee de schade (gedeeltelijk) kan worden gecompenseerd.

Volgens vaste rechtspraak is Dexia gehouden – kort weergegeven – tot vergoeding van twee derde van het financiële nadeel dat is ontstaan als gevolg van het niet in acht nemen van de op haar rustende zorgplicht om een afnemer bij het aangaan van een leaseovereenkomst te waarschuwen voor het risico op een restschuld en om inlichtingen in te winnen over diens inkomen en vermogen. Dit nadeel wordt veelal gevormd door het negatieve verschil tussen – aan de ene kant – de opbrengst van de verkoop van de effecten door Dexia aan derden bij de beëindiging en afwikkeling van de leaseovereenkomst en – aan de andere kant – het resterende deel van de verplichtingen van de afnemer jegens Dexia uit hoofde van die leaseovereenkomst. Indien Dexia de op haar rustende zorgplicht heeft geschonden, kan dit nadeel – doorgaans aangeduid als ‘restschuld’ – haar worden toegerekend op de voet van art. 6:98 BW.

In dit geval heeft de afnemer bij de beëindiging en afwikkeling van de leaseovereenkomst ervoor gekozen het resterende deel van zijn verplichtingen jegens Dexia te voldoen en de onderliggende effecten van Dexia over te nemen. Daardoor is – anders dan in het hiervoor in 3.1.2 bedoelde geval – geen sprake van een restschuld die de afnemer aan Dexia dient te voldoen.

Het vorenstaande neemt niet weg dat de afnemer ook in een geval als hier aan de orde wel een financieel nadeel heeft ondervonden, dat hierin is gelegen dat de effecten die hij bij de beëindiging en afwikkeling van de leaseovereenkomst van Dexia heeft overgenomen, op dat tijdstip een lagere waarde vertegenwoordigden dan het bedrag waarmee hij zijn verplichtingen jegens Dexia uit hoofde van de leaseovereenkomst heeft voldaan. Dit nadeel staat in voldoende verband met Dexia’s zorgplichtschending ten tijde van het sluiten van de leaseovereenkomst om aan Dexia te worden toegerekend op de voet van art. 6:98 BW. Indien de afnemer niet de leaseovereenkomst met Dexia was aangegaan, zou hij namelijk op het tijdstip van de beëindiging en afwikkeling daarvan niet zijn gehouden ‘zijn verlies te nemen’ door hetzij verkoop van de effecten door Dexia aan derden en voldoening van zijn verplichtingen uit hoofde van de leaseovereenkomst mede uit de verkoopopbrengst, hetzij voldoening van zijn verplichtingen uit hoofde van de leaseovereenkomst en overname van de onderliggende effecten van Dexia. In beide gevallen leidt de schending van de op Dexia rustende zorgplicht ertoe dat de afnemer nadeel ondervindt op het tijdstip van de beëindiging en afwikkeling van de leaseovereenkomst en is er grond dit nadeel op de voet van art. 6:98 BW aan Dexia toe te rekenen. Waardeontwikkelingen van de door de afnemer van Dexia overgenomen effecten na dat tijdstip kunnen daarin geen wijziging brengen, omdat op dat tijdstip de hiervoor in 3.1.2 bedoelde schadeplichtigheid van Dexia gegeven is.

Het financiële nadeel dat is ontstaan doordat de afnemer bij de beëindiging en afwikkeling van de leaseovereenkomst ervoor heeft gekozen zijn verplichtingen jegens Dexia te voldoen en de onderliggende effecten van Dexia over te nemen, komt in aanmerking voor vergoeding onder dezelfde voorwaarden als nadeel in de vorm van een restschuld in het hiervoor in 3.1.2 bedoelde geval.

Het vorenstaande brengt mee dat de hiervoor in 3.1.1 weergegeven klacht slaagt.

Onderdeel 1.7 treft doel op de gronden weergegeven in de conclusie van de plaatsvervangend Procureur-Generaal onder 3.20.1-3.20.2.

De overige klachten van onderdeel 1 behoeven geen behandeling.

De klachten van onderdeel 2 kunnen niet tot cassatie leiden. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie art. 81 lid 1 RO).

4. Beoordeling van het middel in het incidentele beroep

De Hoge Raad heeft de klachten over het arrest van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van dat arrest. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie art. 81 lid 1 RO).

5. Beslissing

De Hoge Raad:

in het principale beroep:

- vernietigt het arrest van het gerechtshof Amsterdam van 11 februari 2025;

- verwijst het geding naar het gerechtshof Den Haag ter verdere behandeling en beslissing;

- veroordeelt Dexia in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van de afnemer begroot op € 523,04 aan verschotten en € 2.600,-- voor salaris, vermeerderd met de wettelijke rente over deze kosten indien Dexia deze niet binnen veertien dagen na heden heeft voldaan;

in het incidentele beroep:

- verwerpt het beroep;

- veroordeelt Dexia in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van de afnemer begroot op € 2.200,-- voor salaris, vermeerderd met de wettelijke rente over deze kosten indien Dexia deze niet binnen veertien dagen na heden heeft voldaan.

Dit arrest is gewezen door de president G. de Groot als voorzitter, de vicepresident M.V. Polak en de raadsheren F.J.P. Lock, F.R. Salomons en K. Teuben, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer F.R. Salomons op 18 september 2026.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand