ECLI:NL:HR:2026:1494

ECLI:NL:HR:2026:1494

Instantie Hoge Raad
Datum uitspraak 18-09-2026
Datum publicatie 17-09-2026
Zaaknummer 25/02829
Rechtsgebied Bestuursrecht; Belastingrecht
Procedure Cassatie
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:GHDHA:2025:1555

Samenvatting

Belasting van personenauto's en motorrijwielen. Formeel recht. Artt. 47 en 52 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie; art. 6 EVRM. Vergoeding van immateriële schade als gevolg van overschrijding van de redeljke termijn; in aanmerking te nemen termijn en bedrag. Unierechtelijk verdedigingsbeginsel; geen verplichting tot mondeling horen.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

BELASTINGKAMER

Nummer 25/02829

Datum 18 september 2026

ARREST

in de zaak van

[X] (hierna: belanghebbende)

tegen

de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN

op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Den Haag van 24 juli 2025, nr. BK-24/727, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Den Haag (nr. SGR 23/372) betreffende een door belanghebbende op aangifte voldaan bedrag aan belasting van personenauto's en motorrijwielen.

1. Geding in cassatie

Belanghebbende, vertegenwoordigd door A.F.M.J. Verhoeven, heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Staatssecretaris, vertegenwoordigd door [P], heeft een verweerschrift ingediend.

Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.

2. Beoordeling van de middelen

Verenigbaarheid van de Nederlandse regeling inzake proceskostenvergoeding in het bestuursrecht met het Unierecht

De middelen I, II ten dele, III en IX richten zich tegen de hoogte van de door de Rechtbank en het Hof aan belanghebbende toegekende vergoedingen van kosten van de in deze procedure beroepsmatig verleende rechtsbijstand ter zake van de behandeling van de gemaakte bezwaren, het beroep respectievelijk het hoger beroep. Deze middelen betogen dat de regeling voor het vergoeden van kosten van beroepsmatig verleende rechtsbijstand, zoals neergelegd in artikel 7:15, lid 2, en artikel 8:75 Awb en nader uitgewerkt in het Besluit proceskosten bestuursrecht, in strijd is met het Unierecht en ook dat belanghebbende – vanwege gekwalificeerde schendingen van het Unierecht die volgens deze middelen hebben plaatsgevonden – aan het Unierecht rechtstreeks het recht kan ontlenen op een volledige vergoeding van kosten van de in deze procedure beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

De middelen I, II in zoverre, III en IX kunnen niet tot cassatie leiden. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze middelen is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie). Op de gronden die zijn vermeld in rechtsoverwegingen 4.8.1 tot en met 4.12.5 van het arrest van de Hoge Raad van 17 juli 2026, ECLI:NL:HR:2026:1244 (hierna: het arrest ECLI:NL:HR:2026:1244), ziet de Hoge Raad wat dit geschilpunt betreft geen aanleiding prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie te stellen.

Voor zover de hiervoor in 2.1.1 vermelde middelen betogen dat het Hof de Wet herwaardering proceskostenvergoedingen WOZ en bpm niet mocht toepassen omdat die wet in strijd is met het Unierecht, kunnen zij evenmin tot cassatie leiden. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze middelen in zoverre is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie). Op de gronden die zijn vermeld in rechtsoverwegingen 2.4.2 tot en met 2.4.7 van het arrest van de Hoge Raad van 17 juli 2026, ECLI:NL:HR:2026:1246, ziet de Hoge Raad ook wat dit geschilpunt betreft geen aanleiding prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie te stellen.

Hoogte van de vergoeding van immateriële schade bij overschrijding van de redelijke termijn

De Rechtbank heeft belanghebbende een schadevergoeding toegekend omdat de termijn van twee jaar die volgens de door de Hoge Raad gegeven uitgangspunten als redelijk wordt beschouwd voor het behandelen van een zaak in de fase van eerste aanleg, was overschreden met acht maanden. De in verband daarmee toe te kennen vergoeding van immateriële schade heeft de Rechtbank, in overeenstemming met deze uitgangspunten, vastgesteld op € 1.000.

Het Hof heeft de door belanghebbende aangevoerde grieven tegen de beslissing van de Rechtbank om de vergoeding van immateriële schade op € 1.000 te stellen, verworpen. Het arrest van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (hierna: het EHRM) van 29 maart 2006, Scordino tegen Italië (hierna: het arrest Scordino), waarop belanghebbende zich beroept, leidt naar het oordeel van het Hof niet tot een hogere vergoeding van immateriële schade dan die de Rechtbank heeft toegekend. De omvang van die schadevergoeding hangt volgens het EHRM af van diverse omstandigheden, zoals de complexiteit van de zaak, de houding van de klager en de aangesproken staat, en de aard en het belang van het geschil. Uit het arrest Scordino kan naar het oordeel van het Hof – anders dan belanghebbende heeft gesteld – niet worden afgeleid dat belanghebbende recht heeft op een vergoeding van € 1.500 of meer voor ieder jaar dat de procedure duurt, dus zonder aftrek van wat als een redelijke termijn wordt beschouwd.

Middel II voor het overige bestrijdt de hiervoor in 2.2.2 weergegeven oordelen van het Hof. Het herhaalt het bij het Hof ingenomen standpunt – met verwijzing naar rechtspraak van het Hof van Justitie en van het EHRM – dat bij overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 47, tweede alinea, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: het Handvest) respectievelijk artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: het EVRM) de belanghebbende een adequate compensatie moet worden geboden. Het middel stelt dat indien het EHRM zelf een dergelijke compensatie vaststelt, deze niet de onredelijke verlenging als grondslag neemt voor het berekenen van de schadevergoeding maar uitgaat van de duur van de gehele procedure en dat alsdan bedragen tussen de € 1.000 en de € 1.500 worden toegekend per jaar dat de gehele procedure heeft geduurd, plus een bedrag van € 2.000 als bonus in zaken met een zwaarwegend belang. Artikel 6 van het EVRM correspondeert met artikel 47 van het Handvest en het door het Handvest geboden beschermingsniveau. Dat beschermingsniveau mag, aldus het middel, in elk geval nooit lager zijn dan het niveau dat door het EVRM wordt gewaarborgd. De rechtspraak van het EHRM is op grond van artikel 52, lid 3, van het Handvest daarom evenzeer van toepassing bij toetsing aan artikel 47 van het Handvest. Toepassing van de rechtspraak van het EHRM brengt mee dat belanghebbende wegens de onredelijke duur van de gehele procedure recht heeft op een immateriële schadevergoeding van € 6.500, aldus nog steeds het middel.

Bij de behandeling van middel II in zoverre stelt de Hoge Raad het volgende voorop.

Het recht op een openbare behandeling van een ieders zaak binnen een redelijke termijn behoort tot het door artikel 6 van het EVRM beschermde recht op een eerlijk proces. Uit het arrest Scordino volgt dat het bieden van compensatie voor overschrijding van de redelijke termijn in de eerste plaats een zaak is van de nationale autoriteiten en de nationale rechters en dat er verschillende wijzen zijn waarop een schending van het hiervoor genoemde recht afdoende kan worden gecompenseerd. Het EHRM heeft in paragraaf 206 van het arrest Scordino verder erop gewezen dat de omstandigheid dat een op nationaal niveau geboden financiële compensatie voor overschrijding van de redelijke termijn lager is dan de compensatie die het EHRM zelf zou bieden, niet onredelijk hoeft te zijn.

Wanneer het EHRM constateert dat de redelijke termijn bij de behandeling van een zaak is overschreden, stelt het telkens naar bevind van zaken vast in welke vorm genoegdoening voor de als gevolg van die overschrijding veronderstelde spanning en frustratie moet worden gegeven. Het EHRM verleent vorenbedoelde genoegdoening niet altijd in de vorm van een financiële vergoeding; ook wordt vaak volstaan met de constatering dat de redelijke termijn is overschreden als een passende genoegdoening voor de als gevolg van die overschrijding veronderstelde spanning en frustratie.

Gelet op hetgeen hiervoor in 2.3.2 en 2.3.3 is overwogen, biedt de rechtspraak van het EHRM geen steun voor de opvattingen van middel II dat bij overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het EVRM een passende genoegdoening voor een gerechtelijke procedure die onredelijk lang heeft geduurd, altijd moet bestaan in een financiële compensatie en dat de hoogte van een financiële compensatie volgens rechtspraak van het EHRM altijd moet zijn gebaseerd op een bedrag tussen de € 1.000 en de € 1.500 per jaar dat de gehele procedure heeft geduurd.

Artikel 47, tweede alinea, van het Handvest bepaalt – evenals artikel 6 van het EVRM – dat eenieder recht heeft op een eerlijke en openbare behandeling van zijn zaak, binnen een redelijke termijn, door een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld. Artikel 52, lid 3, van het Handvest houdt in dat voor zover het Handvest rechten bevat die corresponderen met rechten welke zijn gegarandeerd door het EVRM, de inhoud en reikwijdte ervan ten minste dezelfde zijn als die welke door het EVRM eraan worden toegekend. Het Unierecht voorziet niet in specifieke regels voor nationale rechters om in individuele zaken te bepalen wat een passende genoegdoening is in geval van overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 47, tweede alinea, van het Handvest. Het ontbreken van zulke regels brengt mee dat het aan de interne rechtsorde van elke lidstaat is om – met inachtneming van artikel 52, lid 3, van het Handvest – te voorzien in de regels en de voorwaarden die het voor betrokkenen mogelijk maken om in geval van overschrijding van de redelijke termijn effectief aanspraak te maken op een passende genoegdoening, mits deze regels en voorwaarden niet ongunstiger zijn dan die welke voor soortgelijke situaties naar nationaal recht gelden (gelijkwaardigheidsbeginsel) en zij de uitoefening van de door het Unierecht verleende rechten in de praktijk niet onmogelijk of uiterst moeilijk maken (doeltreffendheidsbeginsel).

De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 10 juni 2011, ECLI:NL:HR:2011:BO5046, geoordeeld dat de rechtszekerheid als algemeen aanvaard rechtsbeginsel dat aan artikel 6 van het EVRM mede ten grondslag ligt, evenzeer geldt binnen de nationale rechtsorde en evenzeer los van die verdragsbepaling. Dit beginsel brengt mee dat belastinggeschillen binnen een redelijke termijn moeten worden beslecht, in voorkomend geval na behandeling door een onafhankelijk en onpartijdig gerecht. Daarbij heeft de Hoge Raad als uitgangspunt aanvaard dat een vergoeding van immateriële schade op verzoek wordt toegekend indien een procedure over een belastingaanslag onredelijk lang heeft geduurd. Om te voorkomen dat in belastingzaken stelselmatig in elke zaak afzonderlijk aan de hand van relevante criteria moet worden beoordeeld of de rechtbank binnen een redelijke termijn uitspraak doet, heeft de Hoge Raad als algemeen uitgangspunt gegeven dat ervan moet worden uitgegaan dat de redelijke termijn voor berechting in eerste aanleg is overschreden indien op de datum waarop de rechtbank uitspraak doet, meer dan twee jaren zijn verstreken sinds de ontvangst van het bezwaarschrift door de inspecteur. De Hoge Raad is van oordeel dat de rechtspraak van het Hof van Justitie zo evident is dat er redelijkerwijs geen ruimte voor twijfel kan bestaan dat de Hoge Raad bevoegd is om met het oog op een eenvormige toepassing dit algemene uitgangspunt voor het vaststellen van de redelijke termijn voor de fase in eerste aanleg te geven. Dit algemene uitgangspunt is niet in strijd met artikel 47 van het Handvest, mits het de rechter die de uitspraak doet, vrij staat om gemotiveerd hiervan af te wijken.

Verder heeft de Hoge Raad geoordeeld dat bij overschrijding van de redelijke termijn, behoudens bijzondere omstandigheden, spanning en frustratie als grond voor vergoeding van immateriële schade worden verondersteld en dat het bestuursorgaan of de Staat met overeenkomstige toepassing van artikel 8:73 Awb tot vergoeding van die schade kan worden veroordeeld.

Wat betreft de hoogte van de toe te kennen schadevergoeding heeft de Hoge Raad geoordeeld dat als uitgangspunt voor de schadevergoeding een tarief moet worden gehanteerd van € 500 per halfjaar dat de redelijke termijn is overschreden, waarbij het totaal van de overschrijding naar boven wordt afgerond. Met dit uitgangspunt wordt beoogd te voorkomen dat in belastingzaken stelselmatig in elke zaak afzonderlijk moet worden onderzocht en beoordeeld hoe hoog de vergoeding ter zake van de hiervoor in 2.4.3 bedoelde spanning en frustratie moet worden gesteld. In zijn arrest van 14 juni 2024, ECLI:NL:HR:2024:853, heeft de Hoge Raad het hiervoor omschreven uitgangspunt aangepast in die zin dat de rechter voortaan in belastingzaken waarin de redelijke termijn voor berechting is overschreden, kan volstaan met de constatering dat de redelijke termijn is overschreden wanneer het financiële belang bij de procedure minder dan € 1.000 bedraagt en de redelijke termijn met niet meer dan twaalf maanden is overschreden. Dit een en ander laat onverlet dat indien de belastingrechter vaststelt dat in de desbetreffende procedure zich uitzonderlijke omstandigheden hebben voorgedaan die naar zijn oordeel nopen tot het aan de belanghebbende toekennen van een hogere immateriële schadevergoeding dan die uit de hiervoor bedoelde rechtspraak voortvloeit, hij de ruimte heeft om de belanghebbende een hogere vergoeding toe te kennen.

Naar het oordeel van de Hoge Raad laat de rechtspraak van het Hof van Justitie, ook bezien in het licht van de rechtspraak van het EHRM, de lidstaten buiten redelijke twijfel ruimte om ter bescherming van het recht op behandeling van de zaak binnen een redelijke termijn, de hiervoor in 2.4.4 omschreven uitgangspunten te hanteren voor het vaststellen van een passende genoegdoening ingeval van overschrijding van de redelijke termijn van berechting. Die uitgangspunten maken geen onderscheid naar gelang de rechtzoekende zijn vordering baseert op het nationale recht dan wel het Unierecht, zodat het hiervoor in 2.4.1 bedoelde Unierechtelijke gelijkwaardigheidsbeginsel niet wordt geschonden. Ook de wijze waarop de belanghebbende in een belastingprocedure aanspraak kan maken op die passende genoegdoening en de door de Hoge Raad gegeven uitgangspunten om te beoordelen of de genoegdoening passend is, maken het voor de belanghebbende niet onmogelijk of uiterst moeilijk om een passende genoegdoening te verkrijgen. Aldus is een doeltreffende bescherming van het door het Unierecht toegekende recht op een passende genoegdoening voor het niet binnen een redelijke termijn berechten van de zaak verzekerd, zodat ook het hiervoor in 2.4.1 bedoelde Unierechtelijke doeltreffendheidsbeginsel niet wordt geschonden.

De door middel II vermelde arresten van het Hof van Justitie (zie hiervoor in 2.2.3) bieden geen steun voor de opvattingen van middel II dat bij overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 47 van het Handvest i) de belanghebbende altijd een financiële compensatie moet worden geboden, en ii) die financiële compensatie altijd moet zijn gebaseerd op een bedrag tussen de € 1.000 en de € 1.500 per jaar dat de gehele procedure heeft geduurd.

Gelet op hetgeen hiervoor in 2.3.1 tot en met 2.4.6 is overwogen, faalt middel II dan ook voor het overige. Op die gronden ziet de Hoge Raad wat betreft dit geschilpunt geen aanleiding prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie te stellen.

Eerbiediging van de rechten van de verdediging

Middel V bestrijdt het oordeel van het Hof dat de Inspecteur ten aanzien van belanghebbende niet het Unierechtelijke verdedigingsbeginsel heeft geschonden door belanghebbende in de fase voorafgaand aan het opleggen van de naheffingsaanslagen niet uit te nodigen voor een gesprek. Het middel steunt op de opvatting dat het in het Unierecht verankerde recht van eenieder om te worden gehoord voordat een besluit wordt genomen dat zijn belangen op nadelige wijze kan beïnvloeden, betekent dat het bestuursorgaan de belanghebbende in alle gevallen de gelegenheid moet bieden zijn zienswijze mondeling naar voren te brengen. Het middel klaagt erover dat de Hoge Raad in het arrest van 22 maart 2019, ECLI:NL:HR:2019:393, deze opvatting heeft verworpen zonder de prejudiciële vraag aan het Hof van Justitie te stellen of dat oordeel in overeenstemming is met het recht van de Unie.

De eerbiediging van de rechten van de verdediging is een algemeen beginsel van Unierecht dat van toepassing is wanneer de administratie voornemens is een voor een persoon bezwarend besluit vast te stellen. Dit algemene beginsel is van toepassing in omstandigheden waarin het Unierecht relevant is voor het nemen van dat besluit. Het recht om te worden gehoord, maakt integraal deel uit van de eerbiediging van de rechten van de verdediging en waarborgt dat eenieder in staat wordt gesteld zijn standpunt naar behoren en effectief kenbaar te maken in het kader van een administratieve procedure en voordat een besluit wordt genomen dat zijn belangen kan schaden. Volgens de rechtspraak van het Hof van Justitie heeft de regel dat aan de adressaat van een bezwarend besluit de gelegenheid moet worden gegeven om zijn opmerkingen kenbaar te maken voordat dit besluit wordt genomen, tot doel om de bevoegde instantie in staat te stellen naar behoren rekening te houden met alle relevante gegevens. Die regel beoogt met name om, ter verzekering van de effectieve bescherming van de betrokken persoon of onderneming, deze betrokkene in staat te stellen om een vergissing te corrigeren of individuele omstandigheden aan te voeren die ervoor pleiten dat het besluit wordt genomen, niet wordt genomen of dat in een bepaalde zin wordt besloten.

Anders dan waarvan het middel uitgaat, impliceert het recht te worden gehoord in zaken waarin het Unierecht van toepassing is, volgens het Unierecht niet noodzakelijkerwijs de verplichting de belanghebbende gelegenheid te geven zijn standpunt mondeling ten overstaan van het bestuursorgaan toe te lichten alvorens een bezwarend besluit kan worden genomen. Waar het om gaat is dat de belanghebbende zijn standpunt over de gegevens waarop het bestuursorgaan zich voornemens is te baseren, naar behoren en effectief kenbaar moet (kunnen) maken, en dat daarbij rekening wordt gehouden met de specifieke omstandigheden van het geval, met name de aard van de betrokken handeling, de context van de vaststelling ervan en van de rechtsregels die de betrokken materie regelen, opdat de bevoegde autoriteit in staat wordt gesteld rekening te houden met alle relevante elementen.

Gelet op de hiervoor in 2.6.1 en 2.6.2 aangehaalde rechtspraak van het Hof van Justitie is het naar het oordeel van de Hoge Raad evident dat uit het recht van de Unie niet voortvloeit dat het bij een bestuursorgaan naar voren brengen van een zienswijze over een voorgenomen bezwarend besluit alleen naar behoren en effectief kan plaatsvinden indien dit mondeling geschiedt. De vorm waarvoor het bestuursorgaan kiest, mag echter geen hindernis vormen voor de belanghebbende om van zijn recht gebruik te maken. Wanneer de belanghebbende is uitgenodigd om schriftelijk zijn standpunt kenbaar te maken en hij, zonder daarover te hebben geklaagd, in redelijkheid van die mogelijkheid gebruik heeft kunnen maken en aldus zijn standpunt naar behoren kenbaar heeft kunnen maken, eist het recht van de Unie niet dat hij wordt uitgenodigd voor een hoorgesprek.

Het Hof heeft – in cassatie onbestreden – vastgesteld dat de Inspecteur belanghebbende schriftelijk op de hoogte heeft gesteld van zijn voornemen om de naheffingsaanslagen op te leggen en daarbij vermeld hoeveel elke naheffingsaanslag zal bedragen en hoe deze is berekend. Daarbij is belanghebbende de gelegenheid geboden zich hierover uit te laten. Uit de stukken van het geding volgt verder dat de Inspecteur voor de Rechtbank – door belanghebbende onweersproken – heeft gesteld dat belanghebbende helemaal niet heeft gereageerd op de hiervoor bedoelde brieven binnen de daarvoor gestelde termijn van drie weken waarna de Inspecteur – na belanghebbende te hebben gemaand – is overgegaan tot het opleggen van de naheffingsaanslagen. Belanghebbende heeft de Inspecteur dus niet laten weten waarom hij niet in redelijkheid gebruik kon maken van de hem geboden mogelijkheid om te reageren. Ook voor de Rechtbank en het Hof heeft hij niet verklaard waarom hij niet gebruik heeft gemaakt van die mogelijkheid. Gelet op deze gang van zaken is er geen reden om aan te nemen dat de Inspecteur jegens belanghebbende het hiervoor in 2.6.1 bedoelde recht om te worden gehoord, heeft geschonden.

De slotsom is dan ook dat de Hoge Raad wat betreft dit geschilpunt geen aanleiding ziet om prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie te stellen. Middel V faalt.

Verenigbaarheid van toepassing van de artikelen 19 en 20 AWR met artikel 110 VWEU op de markt van tweedehands motorvoertuigen

Middel VI klaagt over het oordeel van het Hof dat artikel 110 VWEU niet verbiedt dat indien eenmaal het belastbare feit van registratie van een vanuit een andere lidstaat naar Nederland overgebracht tweedehands motorvoertuig heeft plaatsgevonden, naheffing op de voet van artikel 20 AWR plaatsvindt.Het middel kan niet tot cassatie leiden. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van dit middel is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie). Op de gronden die zijn vermeld in rechtsoverwegingen 4.2 tot en met 4.4 van het arrest ECLI:NL:HR:2026:1244 ziet de Hoge Raad geen aanleiding over dit geschilpunt prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie te stellen.

Bevoegdheid van de nationale rechter om het Unierecht uit te leggen en toe te passen

Middel VII klaagt over het oordeel van het Hof dat het bevoegd is het Unierecht uit te leggen en toe te passen en over het oordeel van het Hof dat het niet verplicht is om in deze zaak waarin vragen over de uitlegging van Unierecht aan de orde zijn, prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie voor te leggen, ook niet als belanghebbende daarom verzoekt.

Het middel kan niet tot cassatie leiden. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van dit middel is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie). Op de gronden die zijn vermeld in rechtsoverwegingen 3.7.2 en 3.7.3 van het arrest van de Hoge Raad van 12 juni 2026, ECLI:NL:HR:2026:915 (hierna: het arrest van 12 juni 2026), ziet de Hoge Raad geen aanleiding over dit geschilpunt prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie te stellen.

Betaling van vaste griffierechten als voorwaarde voor het verkrijgen van toegang tot de rechter

Middel VIII klaagt over het oordeel van het Hof dat de wijze waarop in belastingzaken griffierechten worden geheven (te weten: vooraf) alsook de hoogte van die griffierechten niet in strijd is met het Unierecht.

Het middel kan niet tot cassatie leiden. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van dit middel is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie). Op de gronden die zijn vermeld in rechtsoverwegingen 3.1.1 tot en met 3.4 van het arrest van 12 juni 2026 ziet de Hoge Raad geen aanleiding over dit geschilpunt prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie te stellen.

Stelplicht en bewijslast in geval aanspraak wordt gemaakt op een vermindering van belasting van personenauto's en motorrijwielen

Middel XII richt zich tegen het oordeel van het Hof dat een redelijke verdeling van de bewijslast meebrengt dat de belastingplichtige die stelt recht te hebben op een vermindering van belasting van personenauto's en motorrijwielen, de daarvoor benodigde feiten moet stellen en bij betwisting aannemelijk moet maken. Volgens het middel is die bewijslast(verdeling) in strijd met artikel 110 VWEU.

Het middel kan niet tot cassatie leiden. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van dit middel is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie). Op de gronden die zijn vermeld in rechtsoverweging 3.2.6 van het arrest van de Hoge Raad van 20 mei 2022, ECLI:NL:HR:2022:640, ziet de Hoge Raad geen aanleiding over dit geschilpunt prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie te stellen.

De Hoge Raad heeft ook de overige klachten van de middelen over de uitspraak van het Hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat ook deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie). Hierbij verdient opmerking dat wat betreft deze overige klachten het Unierecht niet relevant is voor de beslechting van het geschil in cassatie, dan wel voor zover het Unierecht dat wel is, al in voorgaande rechtsoverwegingen van dit arrest is uiteengezet waarom de Hoge Raad afziet van het stellen van prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie.

3. Proceskosten

De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

4. Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.

Dit arrest is gewezen door de vice-president M.E. van Hilten als voorzitter, en de raadsheren E.N. Punt en M.A. Fierstra, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 18 september 2026.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl NLF 2026/1906 Viditax (FutD) 2026091805
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand