ECLI:NL:HR:2026:1497

ECLI:NL:HR:2026:1497

Instantie Hoge Raad
Datum uitspraak 22-09-2026
Datum publicatie 17-09-2026
Zaaknummer 24/04280
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Cassatie
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:PHR:2026:902

Samenvatting

Art. 416.2 Sv na veroordeling t.z.v. diefstal, art. 310 Sr. Betekening dagvaarding in hoger beroep, art. 36e.1.b.2 en 36e.3 Sv. Status laatst opgegeven woon- of verblijfplaats. Had dagvaarding in h.b. moeten worden betekend op de (in ID-staat SKDB opgenomen) laatst opgegeven woon- of verblijfplaats van verdachte in Nederland, nu verdachte als niet-ingezetene in BRP is ingeschreven op adres in Polen dat ook nadien namens verdachte is opgegeven in akte instellen h.b.? Als niet-gedetineerde verdachte niet in Nederland staat ingeschreven in BRP (niet op adres in Nederland als ingezetene ingeschreven staat in BRP) maar van hem wel (feitelijke) woon- of verblijfplaats in Nederland bekend is, moet uitreiking van dagvaarding o.g.v. art. 36e.1.b.2 Sv op dat adres plaatsvinden. Onbekendheid met feitelijke woon- of verblijfplaats kan o.m. niet worden aangenomen als niet is geprobeerd uitreiking van dagvaarding te doen plaatsvinden op adres dat uit stukken blijkt, voor de hand ligt en redelijkerwijs als feitelijke woon- of verblijfplaats van verdachte zou kunnen gelden. Het kan dan bijvoorbeeld gaan om adres dat in informatiestaat SKDB-persoon is geregistreerd als laatst opgegeven woon- of verblijfplaats van verdachte. Dit adres moet niet door latere opgave zijn achterhaald. Als o.g.v. daartoe ingesteld onderzoek als vaststaand kan worden aangenomen dat verdachte niet in Nederland staat ingeschreven in BRP en niet in Nederland is gedetineerd en van hem ook niet feitelijke woon- of verblijfplaats in Nederland maar wel adres in buitenland bekend is, vindt betekening van dagvaarding plaats door toezending van dagvaarding, hetzij rechtstreeks aan laatst bekend adres van verdachte in buitenland, hetzij door tussenkomst van bevoegde buitenlandse autoriteit of instantie (art. 36e.3 Sv) (vgl. HR:2002:AD5163). Hof heeft vastgesteld dat in Informatiestaat SKDB-persoon van 20-9-2024 als laatst opgegeven woon- of verblijfplaats het adres A is vermeld met als datum van registratie 22-9-2023 en dat blijkens daarvan opgemaakte akte instellen h.b. bij instellen van h.b. (op 4-10-2023) het (BRP-)adres B (in Polen) is opgegeven. Mede o.b.v. deze vaststellingen heeft hof geoordeeld dat adres A was achterhaald en dat dagvaarding in h.b. rechtsgeldig is betekend door verzending van dagvaarding naar dit adres in Polen. Dit getuigt gelet op wat hiervoor is vooropgesteld niet van onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk. Volgt verwerping.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

STRAFKAMER

Nummer 24/04280

Datum 22 september 2026

ARREST

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag van 8 november 2024, nummer 22-002967-23, in de strafzaak

tegen

[verdachte] ,

geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1980,

hierna: de verdachte.

1. Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft de advocaat P.M. Langereis bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld.

De advocaat-generaal B.F. Keulen heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

2. Beoordeling van het cassatiemiddel

Het cassatiemiddel klaagt over het oordeel van het hof dat de dagvaarding in hoger beroep geldig is betekend (uitgereikt).

Uit de stukken volgt onder meer dat:- de informatiestaat SKDB-persoon van 20 september 2024, die aan de dagvaarding in hoger beroep is gehecht, inhoudt dat de verdachte niet was gedetineerd, dat hij met ingang van 15 mei 2023 als niet-ingezetene in de basisregistratie personen (hierna: BRP) is ingeschreven op het adres [a-straat 1] in [postcode 1] [plaats] (Polen) en dat zijn laatst opgegeven woon- of verblijfplaats (datum registratie 22 september 2023) het adres [b-straat 1] in [postcode 2] ’ [plaats] is;

- namens de verdachte op 4 oktober 2023 hoger beroep is ingesteld tegen het vonnis van de politierechter en dat in de akte instellen hoger beroep als adres van de verdachte [a-straat 1] in [postcode 1] [plaats] (Polen) is vermeld;- de dagvaarding in hoger beroep op 19 september 2024 is verzonden naar het adres [a-straat 1] in [postcode 1] [plaats] (Polen) en op 20 september 2024 is uitgereikt aan een medewerker van het openbaar ministerie; - een afschrift van de dagvaarding in hoger beroep op 19 september 2024 is verzonden naar het adres [b-straat 1] in [postcode 2] ’ [plaats] ;- een vertaling van de dagvaarding in hoger beroep in de Poolse taal op 2 oktober 2024 is verzonden naar het adres [a-straat 1] in [postcode 1] [plaats] (Polen).

Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep houdt onder meer in:

“De verdachte, gedagvaard als:

(...)

thans zonder bekende vaste woon- of verblijfplaats hier te lande,

is niet ter terechtzitting verschenen.

Als raadsvrouw van de verdachte is ter terechtzitting aanwezig mr. P.M. Langereis, advocaat te Zoetermeer, die mededeelt door de verdachte niet uitdrukkelijk te zijn gemachtigd de verdediging te voeren.

Alle verklaringen zijn zakelijk weergegeven, tenzij anders vermeld.

De raadsvrouw deelt mede:

Volgens een SKDB-overzicht met gegevens uit de Basisregistratie Personen (BRP) van 20 september 2024 staat de [b-straat 1] te [postcode 2] [plaats] als laatst opgegeven woon- of verblijfplaats vermeld. De dagvaarding om op de terechtzitting van heden te verschijnen is niet betekend aan dat adres. Ik stel mij daarom op het standpunt dat de oproeping in hoger beroep nietig moet worden verklaard.

De advocaat-generaal deelt hierop mede:

In het dossier bevindt zich een proces-verbaal van bevindingen van 25 oktober 2024, waaruit volgt dat er wel degelijk een poging is gedaan om de dagvaarding om ter terechtzitting van heden te verschijnen uit te reiken aan de [b-straat 1] te [plaats] , maar dit adres bleek voor de verbalisanten onvindbaar. Er is geen ander adres van de verdachte bekend in Nederland en ik stel mij dan ook op het standpunt dat de dagvaarding om ter terechtzitting van heden te verschijnen rechtsgeldig aan de verdachte is betekend.

De voorzitter onderbreekt vervolgens het onderzoek voor beraad. Na beraad wordt het onderzoek hervat en deelt de voorzitter als beslissing van het hof het volgende mee:

Volgens een SKDB-overzicht met gegevens uit de Basisregistratie Personen (BRP) van 20 september 2024 stond de verdachte op deze datum ingeschreven op een adres in Polen, te weten: [a-straat 1] , [postcode 1] [plaats] . De dagvaarding om op de terechtzitting van heden te verschijnen is op 20 september 2024 uitgereikt aan een medewerker van het Openbaar Ministerie en diezelfde dag verzonden naar het BRP-adres in Polen. Verder is er op 2 oktober 2024 - klaarblijkelijk gevoegd als bijlage achter de Nederlandstalige versie - een vertaling van de dagvaarding naar het BRP-adres in Polen verzonden. Naar het oordeel van het hof heeft de betekening van de dagvaarding aan de verdachte om ter terechtzitting van heden te verschijnen, daarmee plaatsgevonden overeenkomstig de voorschriften van artikel 36e van het Wetboek van Strafvordering.

De blijkens het SKDB-overzicht met gegevens uit de BRP van 20 september 2024 door de verdachte laatst opgegeven woon- of verblijfplaats, te weten: [b-straat 1] te [postcode 2] [plaats] , is naar het oordeel van het hof een afschriftadres in de zin van artikel 36g van het Wetboek van Strafvordering. Uit het dossier volgt dat er op 19 september 2024 een afschrift van de dagvaarding om ter terechtzitting van heden te verschijnen naar dit adres is gezonden, waardoor ook is voldaan aan de voorschriften van artikel 36g van het Wetboek van Strafvordering.

Het hof merkt hierbij op dat - anders dan de raadsvrouw met haar standpunt lijkt te impliceren - uit het dossier volgt dat het door de verdachte laatst opgegeven adres in [plaats] inmiddels een kennelijk achterhaald adres is, dat om die reden redelijkerwijs niet (langer) kan worden beschouwd als het woon- of verblijfadres van de verdachte. Immers, nadat de verdachte genoemd adres als verblijfadres heeft opgegeven heeft de verdachte (bij monde van zijn toenmalige advocaat) bij het instellen van hoger beroep het BRP-adres in Polen opgegeven.

Ten overvloede merkt het hof nog op dat, nu het adres in [plaats] niet (langer) kan worden beschouwd als actuele woon- of verblijfplaats, dit niet alleen betekent dat betekening aan dat adres op grond van de betekeningsvoorschriften niet was vereist en dat door dat na te laten de verdachte niet in zijn aanwezigheidsrecht wordt geschaad, maar dat dat voorts ook maakt dat een aanhouding van de behandeling van de zaak om de oproeping voor de zitting in appel alsnog op dat adres te laten betekenen zinloos is.

Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat de oproeping om ter terechtzitting van heden te verschijnen op rechtsgeldige wijze aan de verdachte is betekend en dat ook de afschriftverplichting is nageleefd. Het verweer van de raadsvrouw wordt verworpen.

Het gerechtshof verleent verstek tegen de niet-verschenen verdachte.”

Het hof heeft het door de verdachte ingestelde hoger beroep op grond van artikel 416 lid 2 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) niet-ontvankelijk verklaard.

Artikel 36e lid 1, 2 en 3 Sv luidde tot 1 juli 2025:

“1. De uitreiking van de gerechtelijke mededeling, bedoeld in artikel 36b, tweede lid, geschiedt:

a. aan hem wie in Nederland in verband met de strafzaak waarop de uit te reiken gerechtelijke mededeling betrekking heeft rechtens zijn vrijheid is ontnomen en aan hem wie in Nederland in andere bij of krachtens algemene maatregel van bestuur bepaalde gevallen rechtens zijn vrijheid is ontnomen: in persoon;

b. aan alle anderen: in persoon of indien betekening in persoon niet is voorgeschreven en de mededeling in Nederland wordt aangeboden:

1°. aan het adres waar de geadresseerde als ingezetene is ingeschreven in de basisregistratie personen, dan wel,

2°. indien de geadresseerde niet als ingezetene is ingeschreven in de basisregistratie personen, aan de woon- of verblijfplaats van de geadresseerde.

2. Indien in het geval bedoeld in het eerste lid, onderdeel b,

a. de geadresseerde niet wordt aangetroffen, geschiedt de uitreiking aan degene die zich op dat adres bevindt en die zich bereid verklaart het stuk onverwijld aan de geadresseerde te doen toekomen;

b. geen uitreiking heeft kunnen geschieden, wordt de gerechtelijke mededeling uitgereikt aan de autoriteit van welke zij is uitgegaan. Indien vervolgens blijkt dat de geadresseerde op de dag van aanbieding en ten minste vijf dagen nadien als ingezetene in de basisregistratie personen was ingeschreven op het in de mededeling vermelde adres, wordt alsdan een afschrift van de gerechtelijke mededeling onverwijld toegezonden aan dat adres, alsmede aan het adres in Nederland dat de verdachte heeft opgegeven waaraan mededelingen over de strafzaak kunnen worden toegezonden. In de in dit onderdeel bedoelde gevallen wordt een akte van uitreiking als bedoeld in artikel 36h opgemaakt. Op de akte wordt aantekening gedaan van deze uitreiking en, indien daarvan sprake is, van deze toezending.3. De uitreiking aan de geadresseerde van wie de woon- of verblijfplaats in het buitenland bekend is, geschiedt door toezending van de mededeling, hetzij rechtstreeks, hetzij door tussenkomst van de bevoegde buitenlandse autoriteit of instantie en, voor zover een verdrag van toepassing is, met inachtneming van dat verdrag. Dagvaardingen worden vertaald in de taal of een van de talen van het land waar de geadresseerde verblijft dan wel, voor zover aannemelijk is dat hij slechts een andere taal machtig is, in die taal. Met betrekking tot andere gerechtelijke mededelingen kan worden volstaan met een vertaling van de essentiële onderdelen daarvan. Indien de bevoegde buitenlandse autoriteit of instantie bericht dat de mededeling aan de geadresseerde is uitgereikt, geldt deze uitreiking als betekening in persoon, zonder dat dit nog uit een afzonderlijke akte hoeft te blijken.”

Als de niet-gedetineerde verdachte niet in Nederland staat ingeschreven in de BRP, dat wil zeggen: niet op een adres in Nederland als ingezetene ingeschreven staat in de BRP, maar van hem wel een (feitelijke) woon- of verblijfplaats in Nederland bekend is, moet uitreiking van de dagvaarding op grond van artikel 36e lid 1, aanhef en onder b sub 2°, Sv op dat adres plaatsvinden (vgl. HR 12 maart 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD5163, rechtsoverweging 3.17).

Onbekendheid met een feitelijke woon- of verblijfplaats kan onder meer niet worden aangenomen als niet is geprobeerd de uitreiking van de dagvaarding te doen plaatsvinden op een adres dat uit de stukken blijkt, voor de hand ligt en redelijkerwijs als feitelijke woon- of verblijfplaats van de verdachte zou kunnen gelden. Het kan dan bijvoorbeeld gaan om het adres dat in de informatiestaat SKDB-persoon is geregistreerd als laatst opgegeven woon- of verblijfplaats van de verdachte. Dit adres moet niet door een latere opgave zijn achterhaald. (Vgl. HR 12 maart 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD5163, rechtsoverweging 3.24, onder b.)

Als op grond van het daartoe ingestelde onderzoek als vaststaand kan worden aangenomen dat de verdachte niet in Nederland staat ingeschreven in de BRP en niet in Nederland is gedetineerd, en van hem ook niet een feitelijke woon- of verblijfplaats in Nederland, maar wel een adres in het buitenland bekend is, vindt de betekening van de dagvaarding plaats door toezending van de dagvaarding, hetzij rechtstreeks aan het laatst bekende adres van de verdachte in het buitenland, hetzij door tussenkomst van de bevoegde buitenlandse autoriteit of instantie (artikel 36e lid 3 Sv) (vgl. HR 12 maart, ECLI:NL:HR:2002:AD5163, rechtsoverweging 3.19).

Het hof heeft vastgesteld dat in de Informatiestaat SKDB-persoon van 20 september 2024 als laatst opgegeven woon- of verblijfplaats [b-straat 1] in [postcode 2] ’ [plaats] is vermeld met als datum van registratie 22 september 2023, en dat blijkens de daarvan opgemaakte akte instellen hoger beroep bij het instellen van het hoger beroep het (BRP)adres [a-straat 1] in [postcode 1] [plaats] (Polen) is opgegeven. Mede op basis van deze vaststellingen heeft het hof geoordeeld dat het adres [b-straat 1] in [postcode 2] ’sGravenhage was achterhaald en dat de dagvaarding in hoger beroep rechtsgeldig is betekend door de verzending van de dagvaarding naar dit adres in Polen. Dit getuigt gelet op wat onder 2.4 is vooropgesteld niet van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk.

Het cassatiemiddel faalt.

3. Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren F. Posthumus en R. Kuiper, in bijzijn van de waarnemend griffier S.P. Bakker, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 22 september 2026.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand