HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CIVIELE KAMER
Nummer 25/01896
Datum 18 september 2026
ARREST
In de zaak van
[eiser] ,
wonende te [woonplaats] ,
EISER tot cassatie, verweerder in het incidentele cassatieberoep,
hierna: [eiser] ,
advocaten: T. van Malssen en R.M. Andes,
tegen
BOSKALIS OFFSHORE LONG DISTANCE TOWAGE B.V. (voorheen geheten Fairmount Marine B.V.),
gevestigd te Papendrecht,
VERWEERSTER in cassatie, eiseres in het incidentele cassatieberoep,
hierna: Fairmount,
advocaten: T.E. Booms en B.I. Kraaipoel.
1. Procesverloop
Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar:
a. het vonnis in de zaak C/10/576325/ HA ZA 19-567 van de rechtbank Rotterdam van 15 april 2020;
b. de arresten in de zaak 200.283.147 van het gerechtshof Den Haag van 4 oktober 2022, 13 februari 2024 en 18 februari 2025.
[eiser] heeft tegen de arresten van het hof beroep in cassatie ingesteld.
Fairmount heeft incidenteel cassatieberoep ingesteld.
Partijen hebben over en weer geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten, en voor Fairmount mede door R. Ali.
De conclusie van de Advocaat-Generaal T. Hartlief strekt tot vernietiging en verwijzing in het principale cassatieberoep en tot verwerping in het incidentele cassatieberoep. De advocaten van partijen hebben schriftelijk op die conclusie gereageerd.
2. Uitgangspunten en feiten
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
(i) Fairmount is onder meer actief in de zeesleepvaart. Zij is in 1978 opgericht door [eiser] . [eiser] is via zijn persoonlijke investerings- en houdstermaatschappij Oude Maas B.V. (hierna: OMB) enig aandeelhouder van Fairmount geweest. Hij was voor Fairmount werkzaam op basis van een managementovereenkomst tussen OMB en Fairmount.
(ii) OMB heeft in 2007 de aandelen in Fairmount verkocht aan [A] S.A.S. (hierna: [A] ). De koopovereenkomst bevatte een non-concurrentiebeding ten laste van OMB en [eiser] . Ook de (gewijzigde) managementovereenkomst op basis waarvan [eiser] werkzaam bleef als bestuurder van Fairmount bevatte een non-concurrentiebeding ten laste van OMB en [eiser] , met een daaraan verbonden boeteclausule. De relevante passages luiden als volgt:
“3.1 Het is [OMB] verboden om gedurende de looptijd van deze Overeenkomst direct of indirect een onderneming van gelijke of soortgelijke aard als de onderneming(en) van [Fairmount] te drijven, respectievelijk activiteiten van gelijke of soortgelijke aard als die van [Fairmount] uit te oefenen, onder welke naam of in welke vorm dan ook. Voorts is het [OMB] verboden zich gedurende de looptijd van deze Overeenkomst direct of indirect in een zodanige onderneming op enigerlei wijze financieel [te] interesseren – anders dan door het bezitten van ter beurze genoteerde effecten – of daarin enige functie bekleden.
OMB] convenants with [Fairmount] that it shall not:
a) at any time during the period of two (2) years beginning with the Completion Date anywhere in the world carry on or be employed, engaged or interested in any business which would be in competition with the business of [o.a. Fairmount] as such business was carried out by [o.a. Fairmount] on the Completion Date: (…)
(…)
De in artikel 3.1, 3.2, (…) vermelde verboden en vervatte bepalingen gelden evenzeer voor [ [eiser] ] (…). [OMB] staat er jegens [Fairmount] voor in dat deze personen de verboden en bepalingen van artikel 3.1, 3.2 (…) zullen naleven.”
(iii) [A] heeft [eiser] op 10 november 2009 laten weten dat de managementovereenkomst na mei 2010 niet zou worden verlengd. Op 27 november 2009 heeft [eiser] aan [A] medegedeeld zijn functie per direct neer te leggen, waarop [A] diezelfde dag de managementovereenkomst met onmiddellijke ingang heeft beëindigd.
(iv) Op 28 november 2009 heeft bij [eiser] thuis een ontmoeting plaatsgevonden met twee managers en een directeur van Fairmount en de drie zonen van [eiser] , waarbij is gesproken over het starten van een nieuwe scheepvaartonderneming.
(v) Op 30 november 2009 hebben de hiervoor onder (iv) genoemde managers en directeur hun arbeidsovereenkomsten bij Fairmount opgezegd.
(vi) Alp Maritime Services B.V. (hierna: ALP) is in januari 2010 opgericht. De aandeelhouders van ALP waren de persoonlijke holdings van de managers en directeur van Fairmount, voor ieder 20% van de aandelen, en Yafava B.V. (hierna: Yafava), voor 40% van de aandelen. Yafava is een in januari 2010 opgerichte vennootschap van de drie zonen van [eiser] .
(vii) OMB heeft Yafava in januari 2010 een lening verstrekt. Met deze lening heeft Yafava ALP gefinancierd, onder meer door het verschaffen van werkkapitaal in de vorm van een rekening-courant faciliteit.
(viii) Fairmount en [A] hebben in juni 2011 onder meer [eiser] en OMB gedagvaard en aangevoerd dat het in de managementovereenkomst opgenomen non-concurrentiebeding is overtreden. Zij hebben gevorderd dat OMB de overeengekomen boete betaalt en dat [eiser] wordt veroordeeld tot betaling van schadevergoeding, op te maken bij staat.
(ix) Het gerechtshof Den Haag heeft OMB veroordeeld om aan Fairmount een boete te voldoen van € 1 miljoen en [eiser] veroordeeld tot betaling van schadevergoeding, op te maken bij staat. OMB heeft de boete van € 1 miljoen betaald.
In deze schadestaatprocedure vordert Fairmount, voor zover in cassatie van belang, [eiser] te veroordelen tot betaling van USD 51.203.000,-- aan schadevergoeding.
De rechtbank heeft de vorderingen afgewezen.
Het hof heeft, na twee tussenarresten (hierna ook: het eerste respectievelijk het tweede tussenarrest), bij eindarrest het vonnis van de rechtbank vernietigd, en, voor zover in cassatie van belang, [eiser] veroordeeld tot betaling van USD 6.862.287,-- aan schadevergoeding, waarop € 1 miljoen in aftrek komt vanwege de boete die OMB aan Fairmount heeft betaald.
Het hof heeft in het eindarrest, voor zover van belang, het volgende overwogen.
Stand van zaken na het eerste en het tweede tussenarrest
In de twee tussenarresten heeft het hof het volgende geoordeeld. Er bestaat causaal verband tussen het onrechtmatig handelen van [eiser] en de oprichting van ALP. ALP is een concurrent van Fairmount. Voor de begroting van de schade wordt aangeknoopt bij het rapport van HKA Global, waarin een aantal projecten is geïdentificeerd die Fairmount zou zijn misgelopen. Het hof is voorshands van oordeel dat er een samenwerkingsverband met [reder] (hierna: [reder] ) tot stand zou zijn gekomen. Het is goed mogelijk dat er afspraken zouden zijn gemaakt over het sub-charteren van schepen. (rov. 2.1-2.6)
Schending waarheidsplicht door [eiser]
Fairmount stelt dat [eiser] de rechter bewust op het verkeerde been heeft gezet ter zake van zijn rol bij de oprichting en financiering van ALP; anders dan hij heeft doen voorkomen, is hij daarbij verregaand betrokken geweest. Fairmount heeft in dat verband een beroep gedaan op een brief en een e-mail van [eiser] . (rov. 214-2.16)
Hieruit volgt dat [eiser] een belangrijke rol heeft gespeeld bij de totstandkoming van het samenwerkingsverband tussen ALP en [reder] . [eiser] heeft in de diverse gerechtelijke procedures zijn rol bij ALP ten onrechte gebagatelliseerd en – zelfs onder ede – als getuige verklaard: “Tot slot merk ik op dat ik sinds mijn vertrek bij Fairmount op geen enkele wijze bij de zeesleepvaart of ALP betrokken ben geweest; ik heb nooit een relatie van Fairmount gesproken of bezocht”. Het hof rekent dit [eiser] ernstig aan. (rov. 2.17)
Wat betreft de nog te geven beslissingen, zal het hof rekening houden met het (nu aan het licht gekomen) feit dat [eiser] een grote betrokkenheid heeft gehad bij ALP en niet naar waarheid heeft verklaard over deze betrokkenheid. (rov. 2.18)
Samenwerking tussen Fairmount en [reder]
De kwestie van samenwerking tussen Fairmount en [reder] is alleen relevant voor projecten waarvoor Fairmount destijds wel een offerte heeft opgesteld, maar waarvoor zij geen eigen schip beschikbaar zou hebben gehad. Het hof heeft (voorshands) aangenomen dat Fairmount daarvoor een schip van [reder] had kunnen sub-charteren. Het is de vraag of de bewijsaanbiedingen van [eiser] ertoe zouden moeten leiden dat [eiser] (alsnog) in de gelegenheid moet worden gesteld tegenbewijs te leveren tegen het voorshandse oordeel dat er een samenwerking tussen Fairmount en [reder] tot stand zou zijn gekomen. (rov. 2.19-2.21)
Het hof was in het eerste tussenarrest vooralsnog van oordeel dat enige vorm van samenwerking met [reder] tot stand zou zijn gekomen, (onder meer) omdat [eiser] een schriftelijke verklaring (van [nieuwe bestuurder] , de (beoogde) nieuwe bestuurder van Fairmount) onvoldoende gemotiveerd had betwist. Daarmee heeft het hof impliciet het algemene bewijsaanbod dat [eiser] in zijn memorie van antwoord had gedaan, verworpen. (rov. 2.21.1-2.21.2)
In het tweede tussenarrest is geoordeeld dat Fairmount (nog) meer bewijs heeft aangedragen voor haar stelling dat er een samenwerkingsverband tussen Fairmount en [reder] tot stand zou zijn gekomen. Het hof heeft (impliciet) het bewijsaanbod gepasseerd dat [eiser] in zijn memorie na het eerste tussenarrest heeft gedaan. Het bewijsaanbod om [getuige] te horen, die uit eigen waarneming zou kunnen verklaren over onder meer het gebrek aan interesse bij Fairmount in een samenwerkingsverband met [reder] , is niet ter zake dienend. Dat Fairmount in de hypothetische situatie interesse in samenwerking zou hebben gehad, heeft [eiser] onvoldoende gemotiveerd betwist, zodat aan bewijslevering niet wordt toegekomen. (rov. 2.21.3-2.21.5)
Het hof ziet geen aanleiding om [eiser] alsnog toe te laten tot bewijslevering. Daarvoor is het volgende redengevend. (rov. 2.22)
[eiser] heeft aanvankelijk in zeer algemene termen betwist dat er een samenwerkingsverband tussen Fairmount en [reder] tot stand had kunnen komen als ALP niet zou zijn opgericht. Aan de schriftelijke verklaring van [eiser] waarin hij schrijft dat [reder] de samenwerking “onbespreekbaar” achtte, komt weinig gewicht toe, niet alleen omdat [eiser] niet uitlegt waarom dat het geval was, maar ook omdat inmiddels is gebleken dat de verklaringen van [eiser] niet zonder meer betrouwbaar zijn. (rov. 2.22.1)
Voor zover het bewijsaanbod ziet op de kwestie dat [reder] haar schepen in afzonderlijke vennootschappen had ondergebracht waarmee het niet goed ging, heeft [eiser] niet toegelicht waarom dit in de weg zou staan aan een samenwerkingsvorm die erin bestaat dat Fairmount schepen van [reder] zou kunnen sub-charteren. (rov. 2.22.2)
Mede gelet op wat Fairmount tegen de verklaring van [voormalig directeur] heeft ingebracht en in een eerder stadium ter onderbouwing van haar stellingen is aangevoerd, geeft ook deze verklaring geen aanleiding tot gerede twijfel aan de mogelijkheid dat – de oprichting van ALP en het onrechtmatig handelen van [eiser] weggedacht – Fairmount in concrete situaties projecten zou hebben uitgevoerd met gebruikmaking van een sleepboot van [reder] . Los daarvan geldt dat de door [eiser] in het geding gebrachte schriftelijke verklaring van [voormalig directeur] tardief is. Dat geldt ook voor het desbetreffende bewijsaanbod in de pleitnota. Bovendien heeft [eiser] door zijn laakbaar handelen (zie rov. 2.17) een eventueel recht op nog een bewijsronde verspeeld. (rov. 2.22.3)
De schadeberekening van de individuele projecten
In het eerste tussenarrest is overwogen dat de misgelopen agency fee van USD 2.000,-- per maand zonder meer voor vergoeding in aanmerking komt, met dien verstande dat de periode waarover de vergoeding is verschuldigd wordt beperkt tot twee jaren. (rov. 2.49)
Uit de toelichting van Fairmount volgt dat er (salaris)kosten werden gemaakt die op dat bedrag in mindering moeten worden gebracht. Het hof stelt die kosten schattenderwijs vast op USD 18.000,--, zodat USD 30.000,-- toewijsbaar is. (rov. 2.50-2.51)
[eiser] heeft in zijn laatste memorie aangevoerd dat de schadeperiode moet worden ingekort tot vijftien maanden. Dit betoog is tardief, zodat het hof hieraan voorbijgaat. (rov. 2.52)
3. Beoordeling van het middel in het principale beroep
Onderdeel 2.2 van het middel richt zich ertegen dat het hof bewijsaanbiedingen van [eiser] heeft gepasseerd.
Onderdeel 2.2.1 klaagt over het passeren in het eerste tussenarrest van het bij memorie van antwoord gedane bewijsaanbod met betrekking tot de samenwerking die tot stand zou zijn gekomen tussen Fairmount en [reder] . Het hof had daarover een voorlopig oordeel gegeven en het heeft miskend dat daartegen tegenbewijs vrijstaat en dat daarvoor een algemeen bewijsaanbod volstaat, aldus de klacht.
Onderdeel 2.2.2 klaagt over het passeren in het tweede tussenarrest van het tegenbewijsaanbod met betrekking tot de stellingen dat Fairmount helemaal niet geïnteresseerd was in een samenwerking met [reder] en dat stelselmatig sub-charteren niet (goed) mogelijk was. De klacht voert aan dat het oordeel van het hof dat het bewijsaanbod niet ter zake dienend zou zijn op een onbegrijpelijke uitleg van de stukken berust en dat voor het overige het hof ten onrechte niet op het bewijsaanbod is ingegaan.
Onderdeel 2.2.3 klaagt dat het hof in het eindarrest niet heeft gerespondeerd op nieuwe bewijsaanbiedingen van [eiser] in de memorie na het tweede tussenarrest.
Onderdeel 2.3 richt zich tegen het oordeel van het hof in rov. 2.22.3 van het eindarrest dat [eiser] zijn recht op nog een bewijsronde heeft verspeeld. Aan een veronderstelde schending van de waarheidsplicht kan niet iedere willekeurige gevolgtrekking worden verbonden omdat de gevolgtrekking moet overeenstemmen met de aard, ernst en omvang van die schending, aldus het onderdeel. Het onderdeel klaagt dat het hof dit heeft miskend of dat zijn kennelijke oordeel dat deze gevolgtrekking proportioneel is, onvoldoende is gemotiveerd.
Deze klachten kunnen gezamenlijk worden behandeld.
De hiervoor in 3.1.1 genoemde klachten hebben betrekking op het oordeel van het hof dat in de situatie dat ALP niet zou zijn opgericht, een samenwerking tussen Fairmount en [reder] tot stand zou zijn gekomen. Het hof heeft in het eerste en tweede tussenarrest daarover geoordeeld op basis van wat partijen tot dan toe over en weer hadden aangevoerd en aan bewijsmateriaal in het geding hadden gebracht. In het eindarrest heeft het hof (in rov. 2.21-2.21.5) beoordeeld of [eiser] (alsnog) in de gelegenheid moet worden gesteld om tegenbewijs te leveren tegen het voorshandse oordeel in de tussenarresten dat een samenwerking tussen Fairmount en [reder] tot stand zou zijn gekomen. Het hof is (in rov. 2.22-2.22.3 van het eindarrest) tot de slotsom gekomen dat [eiser] niet alsnog wordt toegelaten tot bewijslevering, onder andere op de grond (rov. 2.22.3 van het eindarrest) dat [eiser] door zijn laakbaar handelen een eventueel recht op nog een bewijsronde heeft verspeeld.
Het laakbaar handelen waaraan het hof in rov. 2.22.3 van het eindarrest refereert, betreft het feit (zie rov. 2.17 van het eindarrest) dat [eiser] in de diverse gerechtelijke procedures zijn rol bij ALP ten onrechte heeft gebagatelliseerd; gebleken is dat [eiser] een belangrijke rol heeft gespeeld bij de totstandkoming van het samenwerkingsverband tussen ALP en [reder] , terwijl hij als getuige, onder ede, heeft verklaard dat hij sinds zijn vertrek bij Fairmount op geen enkele wijze bij de zeesleepvaart of ALP betrokken is geweest, en nooit een relatie van Fairmount heeft gesproken of bezocht. Het hof heeft dit [eiser] ernstig aangerekend (rov. 2.17 van het eindarrest) en in rov. 2.18 van het eindarrest heeft het hof overwogen dat het bij de nog te nemen beslissingen rekening zal houden met het feit dat [eiser] niet naar waarheid heeft verklaard over deze betrokkenheid.
Op grond van art. 21 Rv zijn partijen verplicht de voor de beslissing van belang zijnde feiten volledig en naar waarheid aan te voeren. Wordt deze verplichting niet nageleefd, dan kan de rechter daaruit de gevolgtrekking maken die hij geraden acht. De beslissing of partijen aan de in art. 21 Rv vervatte waarheidsplicht hebben voldaan, en de uitoefening van de bevoegdheid om aan een schending van bedoelde verplichting een sanctie te verbinden, berusten op een aan de feitenrechter voorbehouden uitleg van de gedingstukken en op waarderingen van feitelijke aard die in cassatie slechts op begrijpelijkheid kunnen worden onderzocht.
Het hiervoor in 3.1.3 genoemde oordeel van het hof dat [eiser] , ook onder ede, niet naar waarheid heeft verklaard over zijn betrokkenheid bij de zeesleepvaart of ALP, is in cassatie niet bestreden. Het stond het hof vrij aan deze schending van de waarheidsplicht door [eiser] , onder meer, de gevolgtrekking te verbinden dat [eiser] niet nog een bewijsronde zou krijgen. Dat oordeel getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk, en kan het oordeel dat [eiser] niet (alsnog) tot bewijslevering wordt toegelaten zelfstandig dragen. Daarop stuiten de hiervoor in 3.1.1 genoemde klachten af.
Onderdeel 6 richt zich tegen het oordeel van het hof in rov. 2.49-2.51 dat Fairmount recht heeft op vergoeding van de agency fee over een periode van 24 maanden. [eiser] heeft (in zijn memorie na het tweede tussenarrest) erop gewezen dat de agency fee tot 1 september 2010 nog werd betaald en Fairmount in die periode dus geen schade leed, waardoor zij slechts recht heeft op vergoeding van de fee over een periode van 15 maanden. Fairmount heeft dit erkend en duidelijk gemaakt dat zij alleen voor de periode na 1 september 2010 schadevergoeding vorderde, aldus het onderdeel. Het onderdeel klaagt onder meer dat het hof, door hieraan voorbij te gaan, buiten de grenzen van de rechtsstrijd is getreden.
Uit art. 23 Rv volgt dat de rechter niet meer mag toewijzen dan een partij heeft gevorderd. De stukken van het geding laten geen andere conclusie toe dan dat Fairmount de vergoeding van de agency fee slechts heeft gevorderd voor de periode vanaf 1 september 2010 en dus niet voor een periode van 24 maanden (zie de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 3.255). Het stond het hof dan ook niet vrij om [eiser] te veroordelen tot vergoeding van de agency fee over een periode die eerder aanvangt dan 1 september 2010. Dat gaat immers verder dan wat Fairmount in dit verband heeft gevorderd. Dat dit mogelijk pas duidelijk is geworden na het tweede tussenarrest, terwijl het hof al in het eerste tussenarrest over dit punt had geoordeeld, maakt dit niet anders. De klacht slaagt dus.
De overige klachten van het middel kunnen niet tot cassatie leiden. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie art. 81 lid 1 RO).
4. Beoordeling van het middel in het incidentele beroep
De Hoge Raad heeft de klachten over de arresten van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die arresten. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie art. 81 lid 1 RO).
5. Beslissing
De Hoge Raad:
in het principale beroep:
- vernietigt de arresten van het gerechtshof Den Haag van 4 oktober 2022, 13 februari 2024 en 18 februari 2025;
- verwijst het geding naar het gerechtshof Amsterdam ter verdere behandeling en beslissing;
- veroordeelt Fairmount in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [eiser] begroot op € 2.701,92 aan verschotten en € 2.600,-- voor salaris, vermeerderd met de wettelijke rente over deze kosten indien Fairmount deze niet binnen veertien dagen na heden heeft voldaan;
in het incidentele beroep:
- verwerpt het beroep;
- veroordeelt Fairmount in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [eiser] begroot op € 2.200,-- voor salaris, vermeerderd met de wettelijke rente over deze kosten indien Fairmount deze niet binnen veertien dagen na heden heeft voldaan.
Dit arrest is gewezen door de vicepresident M.V. Polak als voorzitter en de raadsheren F.J.P. Lock, A.E.B. ter Heide, S.J. Schaafsma en K. Teuben, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer F.R. Salomons op 18 september 2026.