HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer 26/01463
Datum 18 september 2026
ARREST
in de zaak van
DE ERVEN VAN [A] (hierna: belanghebbenden),
vertegenwoordigd door R.A.A. van de Mortel,
tegen
de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN,
vertegenwoordigd door [P],
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof 's-Hertogenbosch van 4 maart 2026, nrs. 24/939 en 24/940, op het hoger beroep van belanghebbenden tegen een uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant (nrs. BRE 22/1874 en 22/1877) betreffende een ten aanzien van [A] (hierna: erflater) voor het jaar 2014 gegeven beschikking als bedoeld in artikel 9.6, lid 3, Wet IB 2001 (tekst 2014) betreffende de aan erflater voor dat jaar opgelegde aanslag in de inkomstenbelastingbelasting/premie volksverzekeringen, de voor dat jaar opgelegde aanslag in de inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet, de bij eerstgenoemde aanslag gegeven boetebeschikking en de bij elk van de aanslagen gegeven beschikking inzake belastingrente.
1. Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep in cassatie
De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het Hof beoordeeld. De procureurgeneraal bij de Hoge Raad heeft de gelegenheid gekregen een advies uit te brengen. De Hoge Raad is tot het oordeel gekomen dat het cassatieberoep duidelijk niet kan slagen. Hij zal daarom gebruikmaken van de mogelijkheid om het beroep zonder verdere motivering niet-ontvankelijk te verklaren (zie artikel 80a van de Wet op de rechterlijke organisatie).
2. Proceskosten
De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
3. Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie niet-ontvankelijk.
Dit arrest is gewezen door de raadsheer M.T. Boerlage als voorzitter, en de raadsheren A.E.H. van der Voort Maarschalk en W.A.P. van Roij, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier J.P.J. van Kampen, en in het openbaar uitgesproken op 18 september 2026.